Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.

Ik zal wat voorbeelden geven van de wijze waarop klankwetten worden gevonden. Het eerste ontleen ik aan het moderne Nederlands en Afrikaans, die beide teruggaan op dezelfde prototaal, namelijk het vroegmoderne Nederlands.

Nederlands Afrikaans
vroeg vroeg
vroeger vroër
laag laag
lager laër

De verklaring is een klankwet: “in het Afrikaans verdwijnt een /g/ als die tussen twee klinkers staat”. Het Afrikaans kent op deze klankwet uitzonderingen als quagga, maar die zijn evident ontleend aan een andere taal. Onze klankwet kent geen uitzonderingen. In dit voorbeeld kunnen we dat ook verifiëren, want in zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederlandse teksten is sprake van vroegh, vroegher, laegh en laegher.

Dit is dus het principe: je zoekt voorbeelden – uiteraard meer dan vier – en herkent (induceert) patronen. Het resultaat is een wet, omdat de verandering altijd optreedt, zij het in een beperkt aantal situaties. In dit geval immers voor één taal en één medeklinker tussen twee klinkers. Omdat taalkundigen echter zo vaak en zo veel van dit soort regelmatigheden hebben kunnen vaststellen én geverifieerd gekregen, hebben ze vertrouwen in de reconstructies van niet bewaard gebleven oude talen. Neem de volgende woorden:

Nederlands Duits Engels
kracht Kraft craft
schacht Schaft shaft
achter after- after
lucht Luft loft
stichten Stiften – (maar vgl. stiff)

Je zou een regel kunnen formuleren “een oud-Germaanse /ft/ wordt in het Nederlands /cht/”. Voor we concluderen dat het zo is, moeten we natuurlijk kijken of er uitzonderingen zijn. Onze taal kent allerlei woorden die, net als in het Engels en Duits, eindigen op /ft/, maar dat zijn vaak leenwoorden (zoals lift). Er zijn nog een paar restgevallen, zoals bruiloft, dat niet zou mogen bestaan. We zouden brulocht hebben verwacht, dat inderdaad is gedocumenteerd. De oude vorm bruiloft heeft alleen overleefd in het Hollandse dialect en heeft zich daarvandaan over de andere dialecten verspreid.

Concreet betekent dit dat we Duitse en Engelse ft-woorden én Nederlandse cht-woorden mogen gebruiken als we het Proto-West-Germaans reconstrueren, wat de databasis aanzienlijk verbreedt. We kunnen dus vertrouwen hebben in de reconstructie van oude talen.

Taal-universalia

Ook al zijn de klankwetten vrij solide, je zou een controle willen hebben op de reconstructie van een niet bewaard gebleven oude taal. Gelukkig zijn er ook taal-universalia: algemene kenmerken die gelden voor alle talen. Er zijn zo’n 6000 talen gedocumenteerd, en niet één daarvan blijkt klinkerloos te zijn. Sterker nog, zelfs de taal met (voor zover bekend) het kleinste aantal klanken, het Ubykh, heeft nog altijd twee klinkers. Met N=6000 mogen we aannemen dat elke taal tenminste één klinker heeft. Als we een oude taal zouden reconstrueren zonder klinkers, is er iets mis gegaan.

Nu is zo’n reconstructie nog nooit gemaakt, dus dit voorbeeld is gratuit. Interessanter is dat als een taal een /g/ heeft, die taal ook een /d/ heeft, en dat als een taal een /d/ heeft, er ook een /b/ is. Deze wetmatigheid is bepaald niet gratuit, want bij de reconstructie van het Proto-Indo-Europees zijn de /g/ en de /d/ goed aantoonbaar, maar is de /b/ dat een stuk minder. Er zijn daarvoor complexe verklaringen bedacht.

Taal-universalia zijn belangrijk, omdat ze aangeven in welke richting talen veranderen kunnen. Als we een taal hebben met een /b/, een /d/ en een /g/, en als die een van die medeklinkers verliest, dan zal dat altijd eerst de /g/ zijn en pas later de /d/. Omgekeerd, een taal met alleen een /b/ kan er wel een /d/ bij krijgen maar nooit een /g/.

Een vergelijkbaar voorbeeld: een taal met tweevoud (dualis) kent ook een meervoud, en een taal met een meervoud kent ook enkelvoud. Als een taal met tweevoud, zoals het oudste Grieks, vereenvoudigt, zal het die vorm als eerste verliezen.

Kortom

Samenvattend: de taalkunde heeft goed gedocumenteerde klankwetten voor levende talen, kan de methode om klankwetten op te sporen extrapoleren naar verdwenen talen, en kan de reconstructie gedeeltelijk verifiëren met taal-universalia.

[De oudheidkundige wetenschappen zijn in de eerste plaats wetenschappen. Een overzicht van stukjes over het wetenschappelijk aspect, vindt u daar.]

Deel dit:

14 gedachtes over “Klankwetten en taal-universalia

  1. FrankB

    “Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus.”
    Een stokpaardje van me. Dit betekent dat archeologen enz. destijds geen goed begrip hadden wat wetmatige verbanden in de exacte wetenschappen nou eigenlijk zijn – ook toen al. Ze zijn niets meer dan wiskundige formules en definities die empirische data (liefst zo veel en gevarieerd mogelijk) correct proberen te beschrijven – dwz een manier om onze natuurlijke werkelijkheid te begrijpen. Dit begrip zal hoogstwaarschijnlijk nooit compleet blijken en dus zullen de wetmatigheden nooit meer dan een benadering zijn. En omdat de natuurlijke werkelijkheid zich precies niets aantrekt van ons armzalig begripsvermogen komen allerlei rariteiten voor. Zoals ik al eens noemde:

    de lenzenformule neemt valselijk aan dat de sinus van een hoek gelijk is aan de waarde van die hoek.
    de Wet van Ohm, voorzover die meer is dan slechts een definitie, geldt alleen in ideale omstandigheden. Deze komen eveneens per definitie niet voor.
    voor de Gravitatiewet van Newton kan geen wiskundig bewijs bestaan.
    het SI-stelsel is circulair, bestaande uit zeven (of negen) grondeenheden. We kunnen snelheid definiëren in termen van afstand en tijd, maar we kunnen grondeenheden (vooral massa en tijd zijn berucht) alleen definiëren in termen van afgeleide eenheden.
    theoretische natuurkunde voorspelt het bestaan van een monopool. Deze is nooit gevonden.

    Het falen van de klassieke natuurkunde (met dank aan oa Planck en Rutherford illustreert dat natuurkundige wetten nooit meer dan een benadering zullen zijn. Wie er zin in heeft kan Plato’s Grot analogie gebruiken om te argumenteren dat onveranderlijke wetmatige verbanden in een ideale werkelijkheid bestaan (zoals de Wet van Ohm). Voor natuurkundig onderzoek is dat volstrekt nutteloos. Filosoferen over zulke verbanden heeft nog minder zin dan mijn fantasie als 61 jarige voor FC Twente het winnende doelpunt in de Champions League finale te maken.
    Met objectiviteit is het in de exacte wetenschappen ook al minder fraai gesteld dan vaak wordt gedacht. Nu wijs ik er slechts op dat de termen Oerknal en Schrödinger’s Kat monumenten zijn van subjectiviteit.

    “Ik zal wat voorbeelden geven van de wijze waarop klankwetten worden gevonden.”
    Zo werkt het in de natuurwetenschappen ook. Bednorz en Müller kregen in 1987 in recordtijd (een jaar) de Nobelprijs omdat ze als eersten een voorbeeld vonden die een veronderstelde natuurkundige wet vermorzelde: supergeleiding boven 36K is onmogelijk.
    Hetzelfde verschil dus.

    Samenvattend: onderzoek naar klankwetten verschilt op een algemeen, wetenschapsfilosofisch niveau niet van onderzoek in de exacte wetenschappen. Uiteraard zijn er vakspecifieke verschillen – ik neem tenminste aan dat klankwetten niet mbv thermometers worden onderzocht. Hermeneutiek is ook niet erg geschikt voor SImon Stevin’s valproef.

    1. Ik denk dat er toch wel een verschil is. Die wiskundige formules van de natuurkunde kunnen worden toegepast op nog niet bestaande verschijnselen in de toekomst, zoals hoe dik de kabels van een hangbrug moeten zijn, of hoe sterk we het electriciteitsnet moeten uitbreiden als we de stroom op de huidige wijze willen produceren, en als we dat te duur vinden hoe het dan moet als de stroom locaal geproduceerd en gebruikt wordt, enz enz enz. De klankwetten zijn alleen toepasbaar op verschijnselen in het verleden, het is onvoorspelbaar hoe een taal zich zal ontwikkelen. Het is b.v. zo dat talen in sommige opzichten vereenvoudigen, zoals het verlies van vervoegingen. Maar waarom dat in de Romaanse en Germaanse talen wel is gebeurd en in de Slavische niet? Wie het weet mag het zeggen. En waarom we vooral vereenvoudigingen in dit opzicht zien en nooit veringewikkeldingen? Terwijl die ingewikkeldheden toch ooit ontstaan moeten zijn.
      Een wetenschapsfilosoof heeft mij ooit uitgelegd dat de B-wetenschappen niet de werkelijkheid bestuderen, maar modellen van de werkelijkheid. En die zijn goed genoeg om de vele toepassingen, zoals b.v. de genoemde, te hebben. Als een brug toch instort, ligt dat er gewoonlijk aan dat de aannemer met het beton geknoeid heeft.
      Of de taalwetenschappen ook met modellen werken? In de gegeven voorbeelden zou ik zeggen van niet.

      1. Je hebt voor mij grotendeels gelijk, Melis, maar zie ook mijn opmerking over de voorspelling van De Saussure verderop. Er gaat wel degelijk een voorspellend karakter van uit, maar natuurlijk alleen als je oude talen of oude woorden terugvindt.

        Met het risico ver buiten mijn kennisgebied te treden: Waarom Slavisch andere taalwetten heeft dan Romaans kan bijvoorbeeld liggen aan de taal die mensen spraken vóórdat ze overschakelde naar een indo-europese taal. Denk bijvoorbeeld aan hoe wij meestal de engelse “th” uitspreken, die benaderen we wel, maar vaak net niet helemaal correct (om van de Welshe “ll” maar te zwijgen). Dan ga je ook vaak dingen versimpelen.

        En talen worden denk ik ook wel ingewikkelder. In het Proto-indo-Europees waren alle werkwoorden sterk (als ik het goed begrepen heb…), maar in afgeleide talen zijn de zwakke werkwoorden ontstaan. Dat is niet in alle opzichten een versimpeling. (Ik heb begrepen dat “werkte” ontstaan is uit “werken deed”)

      2. Patrick Desmarets

        Ik zou die vereenvoudiging van declinaties in de Germaanse talen enigszins willen relativeren. In het hedendaagse Duits heb je nog 4 volwaardige naamvallen die zorgen voor specifieke conjugaties van werkwoorden en declinaties van substantiva. Die waren er evenzeer in het Middelnederlands. Je vindt ze zelfs nog in het Nieuwnederlands terug maar dan wel als versteende uitdrukkingen (de dag des Heren, te goeder trouw, om den brode enz.).

        Ik ben West-Vlaming en ons dialect kent nog aparte verbuigingen voor mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden, daar waar het Nnl die grotendeels verloren heeft. Het West-Vlaams is de directe opvolger van het Middelnederlands zoals het in het graafschap Vlaanderen werd gesproken, en lijkt er nog sterk op. De taal van Karel ende Elegast is voor ons nog behoorlijk goed herkenbaar.

        1. Patrick Desmarets

          Rechtzetting – ik bedoel 4 naamvallen die zorgen voor specifieke declinaties van naamwoorden, en specifieke vervoegingen van werkwoorden voor praesens en conjuctivus. Ook die hebben we in het Nnl nauwelijks nog.

          1. Betse Patrick Desmarets, over het West Vlaams weet ik niets, maar het Duits heeft nog een heel rudimentair naamvalssysteem, en het Nederlands alleen nog wat survivals in staande uitdrukkingen. De Slavische talen hebben 6 volledig functionerende naamvallen, waarin zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden, voornaamwoorden en zelfs telwoorden worden verbogen. Met de daarbij behorende vrije woordvolgorde die je ook in het Latijn hebt.

  2. Gerdien_dJ

    Het Nederlands heeft Grift naast gracht, al kan het dat dat alleen in namen voor waterlopen optreedt: Biltse Grift, Bisschop Davids Grift.

      1. Frans Buijs

        En nu begin ik me af te vragen of dat niet ook te maken heeft met de titel graaf. Want als ik in het verleden van de Hollandse graven graaf, dan graaf ik op dat de graven graag opdracht gaven tot het graven van grachten.

        1. Rob Duijf

          Leuk bedacht met die woordspeling, Frans. Een ander woord voor gracht is graaf.

          De adelijke titel graaf komt echter van ‘graue’ en dat is waarschijnlijk weer ontleend aan het middeleeuws Latijn se woord ‘grāvius’: ‘koninklijk bestuursambtenaar, toezichthouder’.

          https://etymologiebank.nl/trefwoord/graaf1

  3. Ik vond met name de voorspellende waarde van de laryngaal theorie van De Saussure overtuigend. (Voor niet-ingewijden: omdat bepaalde taalwetten variabel leken te zijn voor het proto-indo-europees naar zijn afstammende talen, introduceerde De Saussure het idee dat het proto-indo-europees klanken moet hebben gehad (de zogenaamde laryngalen) die in al zijn afstammende talen verdwenen waren. Bij het ontdekken van de Anatolische en Tochaarse talen bleek later dat die klanken daar wel overgebleven waren en dus de veronderstelling van De Saussure steunden).

Reacties zijn gesloten.