Iapygisch Apulië

Iapygische IJzertijdhelm (Altes Museum, Berlijn)

[Tweede van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

De oorsprong van de Iapygiërs

In het eerste millennium v.Chr. ziet men de opkomst van een beschaving die antieke auteurs aanduiden als die van de Iapygiërs. De Griekse onderzoeker Herodotos van Halikarnassos noemt in de vijfde eeuw v.Chr. de Kretenzers als ongewilde kolonisatoren, die na een schipbreuk in Iapygië de stad Hyria stichtten.noot Herodotos, Historiën 7.170. Een onzekere identificatie voor dit Hyria is Thourioi, dat echter meer westwaarts ligt (in Basilicata). Volgens Strabon van Amaseia, dé Griekse geograaf uit de late eerste eeuw v.Chr, is de naam “Iapygië” afgeleid van Iapyx, een zoon van de god Apollo.noot Strabon, Geografie 6.3.2. De Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere van zijn kant stelt dat Iapygië vernoemd is naar de rivier de Iapyx (niet geïdentificeerd).noot Plinius de Oudere, Natuurlijke Historie 3.102. Van dergelijke verhalen weten we dat ze niet zuiver historisch zijn, maar passen in de Griekse traditie om de oorsprong van vreemde volkeren te verklaren via migraties. Soortgelijke ontstaansmythen bestaan voor vrijwel elke subregio of stad in Apulië, met hier en daar een Illyrische uitzondering (zoals Bitonto).

Een hypothese die vandaag ruime steun vindt is dat het Iapygische “volk” of haar cultuur een versmelting is van de reeds aanwezige prehistorische bevolking met immigranten uit de Balkan die vroeg in het eerste millennium v.Chr. de Adriatische Zee zijn overgestoken. Deze hypothese combineert de informatie van de antieke auteurs met materiële vondsten en taalkundige analyses. Traditioneel worden de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Italië, waarmee Balkan-immigranten zich zouden vermengd hebben, aangeduid als “Ausonen”, maar er ontbreekt samenhangend archeologisch of taalkundig bewijs voor een dergelijke min of meer homogene cultuur.

Lees verder “Iapygisch Apulië”

Faits divers (49)

De berg Nemrud

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: de reconstructie van het Proto-Indo-Europees, Anatolië, falend erfgoedbeleid en een tof proefschrift.

Medeklinkers

Ferdinand de Saussure, de beroemde taalkundige, debuteerde in 1879 met Mémoire sur le système primitif des voyelles dans les langues indo-européennes, waarin hij uitlegde dat het Proto-Indo-Europees drie medeklinkers moest hebben gekend die sindsdien waren verdwenen. De hypothese, die bekendstaat als de laryngaaltheorie, was omstreden maar werd bevestigd toen Bedřich Hrozný het Hittitisch ontcijferde, de eerste van inmiddels minimaal negen Anatolische talen. Aron Groot schreef een mooie uitleg.

Lees verder “Faits divers (49)”

Hercules van Magusa?

Hercules Magusanus (Museumpark Xanten)

In mijn vorige blogje besprak ik de mogelijkheid dat Hercules Magusanus een syncretisme was van een Romeinse halfgod en een Keltische of Germaanse godheid. Nu de andere mogelijkheid: Hercules Magusanus is de Hercules van Magusa, of iets dat daarop lijkt. Je kunt denken aan het Gallische woord magos, “veld”, dat in allerlei plaatsnamen is te herkennen, zoals Senomagus, “oud veld”, en Noviomagus, “nieuw veld”. Misschien brengt dit spoor ons verder, maar je zou dan willen weten wat het Keltische element is dat tot -anus verlatiniseerde.

Oude speculaties

De mogelijkheid dat Magusanus verwijst naar een plaats, is heel lang besproken geweest. Op de DNBL zijn vroegnegentiende-eeuwse publicaties te vinden vol vroegnegentiende-eeuws gespeculeer. Die hoeven niet per se onzin te zijn. Een van de eerste echte geleerden die zich ermee bezighield, Conrad Leemans, herhaalde in 1846 in Gedenkteekens van Hercules Magusanus de eerdere speculatie dat als het ging om de Hercules van deze of gene plaats, het zou kunnen gaan om Mecusa, ook bekend als Divodurum ofwel Metz. Ik denk dat dit moderne linguïsten niet overtuigt.

Lees verder “Hercules van Magusa?”

Antieke woorden voor “lezen”

Een Romein zit te lezen (Landesmuseum, Trier)

Onlangs verscheen op deze plek een stukje over het al dan niet stil lezen in de Oudheid. Ik legde daarin uit dat de negentiende-eeuwse theorie dat men in de Oudheid vrijwel uitsluitend hardop las, inmiddels is verlaten: we weten inmiddels dat er wel degelijk ook stil werd gelezen – al moest je die vaardigheid dan natuurlijk wel beheersen. De voordelen van stil lezen zijn, en dat besefte men in de Oudheid ook, dat het sneller gaat en je je beter op de tekst kunt concentreren. De Griekse astronoom Claudius Ptolemaeus (87 – na 150 n.C.) schrijft bijvoorbeeld:

Als we ons bij het lezen moeten concentreren, lezen we in stilte. (Judic. 5.2)

Lees verder “Antieke woorden voor “lezen””

Despotes hippon

Despotes hippon (Archeologisch museum, Barcelona)

Kijk, dat is dus het probleem: als je geen teksten hebt, zijn sommige archeologische vondsten lastig te interpreteren. De geschiedenis van de archeologie is te lezen als een lange en redelijk succesvolle poging toch verder te komen. Eén van de trucs is de historische taalkunde: veel van wat archeologen weten over de Brons- en IJzertijd, is gebaseerd op inzichten over de Proto-Indo-Europese cultuur. Ik blogde al eens over namen, sociale stratificatie en religie.

Iberische religie

Zo kunnen we ook uitspraken doen over de Iberische religie. Weliswaar schreven de Iberiërs zo nu en dan zaken op, maar het is allemaal nogal marginaal. Als we echter aan de hand van allerlei beter gedocumenteerde Indo-Europese culturen kunnen vaststellen dat men in de Proto-Indo-Europese cultuur de zonnegod vereerde, en als we afbeeldingen van de zon vinden in Iberië, dan is het geen al te gekke gedachte dat ook de Iberiërs de zon vereerden. De redenering ligt zelfs zo voor de hand, dat menigeen niet meer weet dat het feitelijk slechts een hypothese is.

Lees verder “Despotes hippon”

Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.
Lees verder “Klankwetten en taal-universalia”

Een onbekende taal op Sicilië

Inscriptie uit Mendolito

Niet ver van het theater, amfitheater en het grote altaar van Syracuse, recht tegenover de wonderlijk mooie kerk van Onze Lieve Vrouwe van Tranen, bevindt zich het archeologisch museum. Naar goed Italiaans gebruik is het vernoemd naar een verdienstelijke archeoloog, in dit geval Paolo Orsi. De museale collectie is vermoeiend groot, en waanzinnig interessant.

Neem bovenstaande inscriptie uit Mendolito, een dorpje ten zuidwesten van de Etna. De vondstomstandigheden zijn duidelijk: dit zandstenen blok is in 1962 bij een officiële opgraving aangetroffen en maakte deel uit van een versterking uit het midden van de zesde eeuw v.Chr. Er staan zo’n vijftig letters op, die we van rechts naar links moeten lezen. Het interessante is dat we, ruim zestig jaar na de ontdekking, maar nauwelijks een idee hebben wat er staat.

Lees verder “Een onbekende taal op Sicilië”

Archeologie als sociale wetenschap

Giorgio de Chirico, Gli archeologi (1927)

Dit stukje gaat over archeologie. En de conclusie gaat over journalistiek. Maar we beginnen bij de historische taalkunde.

Wetmatige verbanden

Lang geleden hadden wetenschapstheoretici het idee dat wetenschap bestond uit waarnemen, het herkennen van patronen of wetmatigheden, en het doen van voorspellingen. Voor een deel werkt het inderdaad zo. De taalkunde herkent bijvoorbeeld dat als een Latijns, Grieks of Oud-Indisch woord begint met een /p/, daar in de Germaanse talen vaak een /v/ of een /f/ stond. Als een nieuwe Germaanse taal zou kunnen worden ontdekt, mogen we aannemen dat het woord voor vader ook daar begint met een /v/ of een /f/.

De klankwetten hebben dus voorspellend vermogen en als het blijkt te kloppen, heet dat corroboratie. In de afgelopen kwart eeuw zijn nogal wat al bekende talen beter beschreven – denk aan de Indo-Europese talen van Centraal-Azië en Anatolië – en zijn ook allerlei nieuwe talen ontdekt, zoals de talen die zijn gedocumenteerd in de tienduizenden pas ontsloten inscripties uit de Arabische wereld. En de klankwetten blijken grosso modo correct. Uiteraard zijn er uitzonderingen, maar daar gaat mijn stukje niet over. Het gaat me er vandaag om dat we hier een visie hebben op het functioneren van wetenschap, die veronderstelt dat onze kennis van onderaf wordt opgebouwd. En dat deze visie bestaansrecht heeft. Ze wordt wel aangeduid als positivistisch, al is dat een term die steeds weer iets anders betekent.

Lees verder “Archeologie als sociale wetenschap”

De oudste poëzie

Orfeus improviseert zijn poëzie (Museum van Antiochië)

De woordenschat van de Indo-Europese talen gaat terug op een oertaal die in het huidige Oekraïne gesproken is geweest toen de Steentijd overging in de Bronstijd. Die taal kunnen taalkundigen redelijk goed reconstrueren dankzij goed gefundeerde klankwetten en zo kunnen ze uitspraken doen over de tussenliggende eeuwen. Zeg maar de Bronstijd, de periode waaraan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden vanaf 18 oktober een overzichtstentoonstelling zal wijden. Taal en archeologie gaan hier hand in hand, want een fors deel van de archeologische interpretatie veronderstelt informatie die de taalkundigen hebben geleverd. Omgekeerd helpt de archeologie tegen al te malle, op taal gebaseerde reconstructies van de oude samenlevingen.

Het potentieel van de taalkunde beperkt zich echter niet tot de vaststelling dat er koningen, gezinnen en hemelgoden zijn geweest, of dat er zaken bestonden als magische rituelen en de uitwisseling van geschenken. Taalkundigen kunnen ook uitspraken doen over de vorm van de poëzie. Niet over de inhoud helaas; wat men in de gedichten vertelde, is voorgoed verloren. Maar hoe de dichters te werk gingen, daarover kunnen taalkundigen uitspraken doen. Ze kijken daarvoor naar de poëzie van de Indo-Europese talen, herkennen overeenkomsten en beredeneren hoe die kan zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese oerpoëzie.

Lees verder “De oudste poëzie”

De Frygiërs van koning Midas

Frygisch reliëfje (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Ik heb al een paar keer verwezen naar de Frygiërs, een volk dat in de IJzertijd woonde in Anatolië – zeg maar Turkije. Toen ik blogde over de taal van de Trojanen, wees ik er bijvoorbeeld op dat de Frygiërs vanaf de Balkan naar Anatolië waren gemigreerd en toen de voorouders van de Lydiërs naar het zuiden hadden geduwd. Voor deze migratie zijn verschillende aanwijzingen, zoals de verspreiding van typisch Balkan-aardewerk naar Troje VIIb. De Troje-expositie in Rotterdam stelde dit verband centraal, maar dat was in 1984. Ik weet niet of de archeologische inzichten nog dezelfde zijn.

Maar daarnaast is er het talige bewijs. De Frygische taal is te reconstrueren uit namen, citaten en pakweg 400 inscripties: ruim voldoende om te zien dat ze niet verwant is met de Anatolische talen van de Bronstijd, zoals het Luwisch, en de daarvan afgeleide IJzertijdtalen, zoals het Lydisch en het Karisch. Het Frygisch lijkt veel meer op de talen van het zuidelijke Balkanschiereiland en behoort dus tot een andere tak van de Indo-Europese familie. Ook de Griekse onderzoeker Herodotos weet dat de Frygiërs feitelijk Thracische Brygiërs waren, die ooit de Hellespont waren overgestoken.noot Herodotos, Historiën 7.3. De overgang van /b/ naar /f/ die we in deze twee eigennamen zien, is ook verder goed gedocumenteerd.

Lees verder “De Frygiërs van koning Midas”