Faits divers (49)

De berg Nemrud

Een nieuwe aflevering in de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer: de reconstructie van het Proto-Indo-Europees, Anatolië, falend erfgoedbeleid en een tof proefschrift.

Medeklinkers

Ferdinand de Saussure, de beroemde taalkundige, debuteerde in 1879 met Mémoire sur le système primitif des voyelles dans les langues indo-européennes, waarin hij uitlegde dat het Proto-Indo-Europees drie medeklinkers moest hebben gekend die sindsdien waren verdwenen. De hypothese, die bekendstaat als de laryngaaltheorie, was omstreden maar werd bevestigd toen Bedřich Hrozný het Hittitisch ontcijferde, de eerste van inmiddels minimaal negen Anatolische talen. Aron Groot schreef een mooie uitleg.

Lees verder “Faits divers (49)”

Antieke woorden voor “lezen”

Een Romein zit te lezen (Landesmuseum, Trier)

Onlangs verscheen op deze plek een stukje over het al dan niet stil lezen in de Oudheid. Ik legde daarin uit dat de negentiende-eeuwse theorie dat men in de Oudheid vrijwel uitsluitend hardop las, inmiddels is verlaten: we weten inmiddels dat er wel degelijk ook stil werd gelezen – al moest je die vaardigheid dan natuurlijk wel beheersen. De voordelen van stil lezen zijn, en dat besefte men in de Oudheid ook, dat het sneller gaat en je je beter op de tekst kunt concentreren. De Griekse astronoom Claudius Ptolemaeus (87 – na 150 n.C.) schrijft bijvoorbeeld:

Als we ons bij het lezen moeten concentreren, lezen we in stilte. (Judic. 5.2)

Lees verder “Antieke woorden voor “lezen””

Overgeleverde teksten

Een kopiist voltooit zijn werk

De discussie ging over het doorgeven van antieke verhalen. Het ligt voor de hand dat die veranderden toen ze nog mondeling waren. U kent vast wel het kleuterschoolspelletje waarbij de kinderen in een kring zitten, het eerste kind het tweede kind iets in het oor fluistert dat die moet doorfluisteren aan het volgende kind, en dat als het bericht de kring rond is gegaan, er een totaal andere boodschap is. Doorgegeven verhalen veranderen bovendien ook als ze op schrift staan. Waren er, opperde een van de discussianten, niet ook aanpassingen gedaan aan de Bijbel?

Mondeling overgeleverde teksten

Eerst even iets over dat mondelinge doorgeven. Ik speelde net vals door het te vergelijken met dat kleuterspelletje. Men had destijds namelijk een manier om de informatie accuraat door te geven: poëzie. Alliteratie, ritme en rijm helpen goed om een korte boodschap intact te houden. De Latijnse bezweringsformule pastores pecuaque salva servassis, “herders en vee, bescherm ze”, gaat terug tot het Proto-Indo-Europees en is een millennium of drie mondeling doorgegeven. Daarbij zijn wat aanpassingen gedaan aan de taal, maar het allittererende zinnetje zelf bleef bewaard.

Lees verder “Overgeleverde teksten”

Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.
Lees verder “Klankwetten en taal-universalia”

De Bronstijd: sociale stratificatie

Het zwaard van Jutphaas: teken van sociale stratificatie (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Dit najaar begint in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden een expositie over de Bronstijd. Om die tijd te begrijpen, benutten oudheidkundigen vanouds drie soorten bewijsmateriaal. Om te beginnen waren er de antiquariërs van de zeventiende en achttiende eeuw, die materiële overblijfselen combineerden met etnografische informatie. Voortaan was die vreemd gevormde steen geen uit de hemel gevallen dondersteen maar een projectiel, want op Vuurland gebruikten mensen stenen pijlpunten. In de late achttiende eeuw plaatsten geleerden als Turgot en De Condorcet de gecombineerde informatie in één grote theorie over de menselijke ontwikkeling. Twee soorten bewijsmateriaal waren verenigd en de Prehistorie was ontdekt.

Tegelijkertijd ontsloten taalkundigen de derde bewijscategorie: ze begrepen dat de reconstrueerde Proto-Indo-Europese taal eveneens zicht bood op wat toen nog een vaag gedefinieerde oertijd was. Inmiddels weten we dat de Yamnaya-cultuur (ca.3300-ca.2600 v.Chr.) de drager was van de Proto-Indo-Europese talen en dat zaken die aanwezig waren in én het vierde millennium v.Chr. én de samenlevingen waarin de Indo-Europese talen zijn gesproken, ook aanwezig moeten zijn geweest in de tussenliggende periode. De Bronstijd dus. Ik blogde al eens over de structuur van de eigennamen, over religie en over bezit.

Lees verder “De Bronstijd: sociale stratificatie”

De Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch

De twee takken van het Proto-Indo-Anatolisch

Ik vertelde onlangs dat het er sterk op lijkt dat het Proto-Indo-Europees en het Proto-Anatolisch afstammen van dezelfde oertaal, die linguïsten aanduiden als Proto-Indo-Anatolisch ofwel PIA. Voor deze constatering is zowel taalkundig als DNA-bewijs.

Nu zijn er aanzienlijke verschillen tussen deze twee prototalen. Ik vertelde al eens dat de Indo-Europese talen drie woordgeslachten hebben en de Anatolische talen twee. Zo’n groot verschil kan niet zijn ontstaan in drie of vier generaties. Taalkundigen denken daarom dat er een paar eeuwen zijn verstreken tussen de tijd waarin we beide prototalen moeten plaatsen (zeg tweede helft vierde millennium v.Chr.) en de tijd van hun gedeelde voorganger. Dat zal de tweede helft van het vijfde millennium zijn geweest. Zie het stamboompje hierboven. En nieuwsgierig als we zijn, zouden we willen weten op welke plek dat Proto-Indo-Anatolisch gesproken is geweest. Anders geformuleerd: waar was de Urheimat van het PIA?

Lees verder “De Urheimat van het Proto-Indo-Anatolisch”

De “Urheimat” van de Indo-Europese talen

Bronzen bijlen uit het archeologisch museum van Burgas. De makers spraken een vroege vorm van Indo-Europees.

Vorige week vertelde Gert Knepper al over de ontdekking en reconstructie van het Proto-Indo-Europees, de moedertaal van allerlei Europese en Aziatische talen. Die talen worden inmiddels ook gesproken in Afrika, Amerika en Australië, en dat komt doordat migranten hun linguïstische erfgoed meenamen. Zo komen allerlei nieuwe vragen op: door welke migraties zijn de Indo-Europese talen over Europa en Azië verspreid, wat was het herkomstgebied, waren er andere mechanismen?

Ik wil het vandaag hebben over de tweede vraag, die naar de zogeheten Urheimat. En die vraag roept weer deelvragen op: wie wil weten waar de eerste sprekers van een taal woonden, zal moeten weten wanneer die leefden.

Lees verder “De “Urheimat” van de Indo-Europese talen”

Proto-Indo-Europees in de Breestraat

Het huis van Scaliger (Breestraat 113, Leiden), die de Indo-Europese taalfamilie op het spoor kwam.

Je zou de talen die in Europa worden gesproken in groepen kunnen verdelen, realiseerde de Leidse hoogleraar Joseph Scaliger (1540-1609) zich. Groepen van talen die op elkaar lijken. Neem bijvoorbeeld het woordje ‘god’. In het Duits luidt dat Gott, in het Engels god, in het Noors gud: groep 1. Maar het Franse woordje dieu lijkt daar in de verste verte niet op, evenmin als het Spaanse dios, het Portugese deus en het Italiaanse dio: samen vormen die groep 2. In Rusland daarentegen noemen ze het opperwezen bog, in Slowakije boh, in Polen bóg: groep 3. En wat houden we dan over? Natuurlijk het Griekse theós, een buitenbeentje dat in zijn eentje groep 4 vormt.

Het inzicht dat sommige (groepen) Europese talen meer op elkaar lijken dan andere, maar dat ze onderling weer meer op elkaar lijken dan op het Hebreeuws, Arabisch en Aramees, roept wel meteen de vraag op: wat is de verklaring daarvoor?

Lees verder “Proto-Indo-Europees in de Breestraat”

De kat en haar naam

Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.

De verspreiding van de kat

Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.

Lees verder “De kat en haar naam”

Deus, theós en de klankwetten

Een deva uit India: Vishnu (Rautenstrauch-Joest Museum, Keulen)

Het was een bewering die onlangs op deze plek werd gedaan. Eigenlijk ging het om het Gallische woordje devos, dat ‘god’ betekent.

“Dat is inderdaad het Latijnse deus, het Griekse theós (θεός), het Indische deva”, meende de schrijver.

De redenering van de auteur zal zijn geweest: ‘devos, deus, theos en deva komen uit verwante talen, ze betekenen alle vier hetzelfde, en ze lijken ook nog eens behoorlijk op elkaar. Conclusie: ze zijn verwant.’

Lees verder “Deus, theós en de klankwetten”