Hercules Magusanus

Hercules Magusanus (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)

Hercules Magusanus geldt als een van de belangrijkste goden van de Bataven. Dat zegt althans iedereen, maar er zijn haken en ogen. Dat iets goed is gedocumenteerd, wil vanzelfsprekend niet zeggen dat het belangrijk was. Maar na deze en nog wat andere kentheoretische slagen om de arm, moeten we maar denken dat Hercules Magusanus een belangrijke Bataafse godheid is geweest.

Hercules Magusanus

Toen ik u in december uitnodigde voor de oudejaarsvragen, kreeg ik voor het eerst de vraag voorgelegd waar Magusa lag. De normale lezing van “Hercules Magusanus” is immers dat het de halfgod Hercules was, zoals die werd vereerd met de rituelen van Magusa. De vraag verbaasde me omdat ik niet beter wist dan dat Hercules Magusanus een zogeheten syncretisme was: twee goden die aan elkaar werden gelijkgesteld, zoals Apollo Grannus en Mars Lenus. Dat ik niet beter wist, betekent natuurlijk niet dat Hercules Magusanus ook werkelijk een syncretisme was. Er zijn volop goden die een plaatsnaam hebben als bijnaam. Zo is Hercules Deusoniensis de Hercules van Deuso. Kortom, het was een goede vraag.

Lees verder “Hercules Magusanus”

Romeinse vondsten uit de Waal

Caesar met vondsten uit de Waal

Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden bezit meer voorwerpen dan het kan exposeren. Tegelijk zijn er regionale musea die weleens iets anders willen tonen dan het gebruikelijke materiaal. Daarom is er een leuke en mijns inziens belangrijke reeks exposities Onder Ons, waarbij lokale musea het Leidse materiaal gebruiken. Ik heb al geblogd over de Vorst van Oss in Museum Jan Cunen in Oss, over de Etrusken in museum Wierdenland in Ezinge en over het laatantieke grafveld van Rhenen in het plaatselijke Stadsmuseum.

De Etrusken in Ezinge niet te na gesproken is het belang dit: een historische belangstelling begint plaatselijk; een kind ziet iets dat lokaal en herkenbaar is, maar ook anders; het ontwikkelt zo belangstelling voor het verleden. Door de voorwerpen te exposeren waar ze het meest aanzetten tot reflectie, gebruiken musea de culturele waarde van hun objecten het best. De Vorst van Oss dus in Oss, en het laatantieke grafveld van Rhenen in Rhenen.

Lees verder “Romeinse vondsten uit de Waal”

Faits divers (32): wetenschapsnieuws, slecht en goed

Het slagveld bij Qadisiyya (©Antiquity Publications)

Een nieuwe aflevering van de onregelmatig verschijnende reeks faits divers, met deze keer twee stukjes waarmee je de Oudheid wel in het nieuws wil hebben en twee stukjes hoe het niet moet. Eerst het slechte en dan het goede nieuws.

***

Nikolaas van Myra

Op 6 december was het een kleine 1700 jaar geleden dat Nikolaas, bisschop van Myra ontsliep. En omdat over de hele wereld mensen de heilige vereren, is dat voor archeologen in Demre, zoals Myra nu heet, een buitenkans om naar publiciteit en fondsen te hengelen. Zo komt het dat er elk jaar wel een vondst wordt gemeld die zou bewijzen dat Nikolaas’ gebeente nog in Myra rust (en niet in 1087 is overgebracht naar Bari). Zo toont het museum in Antalya botfragmenten, hadden we een paar jaar geleden deze holle claim, die daarna werd herhaald, en was er nu deze flauwekul.

Lees verder “Faits divers (32): wetenschapsnieuws, slecht en goed”

Klankwetten en taal-universalia

Oké, dit is wel een heel obligaat plaatje bij een blogje over taalkunde, maar hé, het had ook een Toren van Babel kunnen zijn en dat was als cliché nog erger.

Nog niet zo lang geleden, laten we zeggen rond 1970, bestond het idee dat wetenschappelijke kennis veelal was te herleiden tot wetmatige verbanden. Ongeveer zoals in de exacte wetenschappen dus. In de archeologie was dit een van de ambities van wat destijds bekendstond als Nieuwe Archeologie en tegenwoordig als processuele archeologie; historici hadden het over het positivistische of het wetmatige verklaringsmodel. In beide gevallen is men van de ambitie teruggekomen. De postprocessuele archeologen en latere generaties historici accepteerden dat het voor het verklaren van de verschijnselen ook weleens handig kon zijn je in te leven in de actoren – klassieke hermeneutiek, met andere woorden. Dat was én een erkenning dat er in de geesteswetenschappen een element van subjectiviteit aanwezig zou blijven én een opdracht om die subjectiviteit zoveel mogelijk in te perken.

Klankwetten

Anders dan deze twee oudheidkundige specialismen, heeft de historische taalkunde nooit de ambitie laten varen de verschijnselen wetmatig te verklaren. En inderdaad zijn talen te beschrijven aan de hand van regels die, voor de verschijnselen die ze beschrijven, algemeen zijn; tegelijk zijn die verschijnselen wat beperkter gedefinieerd dan in de natuurwetenschappen.
Lees verder “Klankwetten en taal-universalia”

Etniciteit in de Romeinse Maasvallei

Wijding aan Vihansa (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Ik blogde gisteren over Al-‘Ula, de oase aan de rand van de antieke wereld. Ik vertelde dat oudheidkundigen het pluriforme karakter van de toenmalige samenleving reconstrueerden aan de hand van het gebruik van diverse talen. Ook de vereerde goden, afkomstig uit de hele regio van Syrië tot en met Jemen, vormden een aanwijzing. Wat geldt voor Saoedi-Arabië, geldt ook voor de andere uithoek van de oude wereld: de Lage Landen. Omdat volgende week in Leiden een expositie begint over de villa’s van Romeins Limburg, gaan we eens kijken in de Maasvallei.

Eerste constatering: na de genocidale campagne waarmee Julius Caesar de Eburonen had uitgeroeid, was het landschap betrekkelijk leeg. Er zullen heus wel wat mensen zijn geweest, maar pollenonderzoek toont dat akkers werden opgegeven en bossen terrein wonnen. Het voorbeeld dat ik ken is Jülich en hoe representatief dat is weet ik eigenlijk niet. Hoe dat ook zij: er was ruimte voor nieuwkomers. En die kwamen inderdaad.

Lees verder “Etniciteit in de Romeinse Maasvallei”

De kat en haar naam

Biologen geven dieren en planten geleerde Latijnse namen en u zult bij het horen van het woord Felis wel vermoeden dat het gaat om de kat. Is het niet om de kattenbrokjes, dan wel om de tekenfilmpjes. Omdat de Romeinen er een naam voor hadden, wisten ze van het bestaan van het dier.

De verspreiding van de kat

Dat blijkt niet alleen uit teksten, maar ook uit archeologische vondsten. Een geschiedenis van de kat in de Oudheid zou kunnen beginnen in de Late Steentijd, toen wilde katten in het Nabije Oosten zich aangetrokken voelden door de muizen op de eerste boerderijen. Daar zijn ze door de bewoners gedomesticeerd. Of misschien domesticeerden de katten wel de mens, opdat die voor hen zou zorgen in tijden van muizenschaarste.

Lees verder “De kat en haar naam”

De Rijn

De Rijn bij Koblenz

Er is wat te doen geweest om de lengte van de Rijn, de antieke Rhenus. Iedereen schreef van elkaar over dat de stroom ruim 1330 kilometer lang was. Feitelijk meet de rivier 1233 kilometer. Althans tegenwoordig. Vroeger was de rivier iets langer, want door kanalen zijn er bekortingen geweest. Maar geen 100 kilometer.

De twee bronnen liggen in de Zwitserse Alpen. De daar ontspringende riviertjes komen samen in de omgeving van Chur, het oude Curia. Vanaf hier stroomt de rivier naar het Bodenmeer: 150 kilometer noordelijker en twee kilometer lager. Bij dit meer, ooit bekend als Lacus Brigantinus, buigt de rivier westwaarts en dondert vervolgens naar beneden over de enorme waterval bij Schaffhausen. Nog even verderop, bij Windisch (Vindonissa), mondt de Aare uit in de Rijn en vanaf daar is de stroom voor schepen bevaarbaar.

Lees verder “De Rijn”

De Late Oudheid (1)

Portret van een Romein, pakweg 425 na Chr. (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De Late Oudheid is in de mode. Waarom dat zo is, ik heb geen idee, maar onlogisch is het niet. Ooit stond de Klassieke Periode centraal en toen men daarop was uitgekeken, ging men kijken naar de Archaïsche Tijd. Die stond in de tweede helft van de twintigste eeuw meer in de belangstelling dan daarvoor. Toen daar het nieuwe vanaf was, verschoof de belangstelling als vanzelf naar de Late Oudheid. Zoiets zal het zijn geweest. Denk ik. Wat misschien ook speelt: de Late Oudheid is de tijd waarin West-Europa is geboren. Het Romeinse Keizerrijk maakte plaats voor koninkrijken die lijken op het latere Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland. Het christendom brak door. De romaanse en germaanse talen worden herkenbaar. En aan het eind van de periode was er zelfs een gezamenlijke Saraceense vijand. In een tijd van Europese eenwording ligt belangstelling voor de Late Oudheid voor de hand.

De Gentse universiteit vindt het tijdperk zo belangrijk dat ze het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA) geeft opgericht. Er is daar tussen Leie en Schelde namelijk behoorlijk wat expertise aanwezig: vijftig, zestig archeologen, historici, taalkundigen en letterkundigen, en bij laatstgenoemden mag u denken aan Latijn, Grieks en Aramees. Men presenteerde zich gisteren en omdat ik vandaag in Gent moest zijn – ik spreek vanavond – besloot ik een dagje eerder te gaan om te luisteren. Ik ga geen verslag doen, maar bied wel een paar losse observaties. Niks bijzonders, gewoon wat dingen die me troffen.

Lees verder “De Late Oudheid (1)”

Voorouders

De Bataafse ruiter Imerix uit Burnum (Archeologisch Museum, Zadar)

Ik heb weleens geschreven over de boeken van Luit van der Tuuk, de conservator van het (momenteel wegens verhuizing helaas gesloten) Museum Dorestad in Wijk bij Duurstede. Prima boeken over de doorgaans onderbelichte maar o zo belangrijke Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen. Op een van de laatste dagen van het afgelopen jaar kreeg ik n.a.v. een van mijn stukjes een vraag voorgelegd.

Van der Tuuk merkt namelijk ergens op dat we de mensen die in de Romeinse tijd in de Lage Landen woonden onze voorouders niet kunnen noemen. Mijn correspondent vroeg zich af hoe dat zo kon zijn. Als je familie al een paar eeuwen in het rivierengebied woonde, zo schreef hij, dan was het toch niet uitgesloten dat er een directe Bataafse voorouder in de stamboom was, iemand die hier al in de Romeinse tijd leefde? Was dat niet waarschijnlijk?

Lees verder “Voorouders”

Oude talen, modern nationalisme

le_type_aryen
“blond comme Hitler, mince comme Göring, grand comme Goebbels”

Alvorens verder te gaan met deze reeks over de eerste resultaten van het oudheidkundige DNA-onderzoek, eerst een herinnering aan mijn eerste jaar aan de universiteit. Het leek wel alsof de stof altijd ophield op het moment dat ze interessant werd. Ik heb mijn handboek oude geschiedenis, Een kennismaking met de oude wereld van de Blois en Van der Spek, er nog even op nageslagen, en daar stond het inderdaad weer: de auteurs gebruikten woorden als “Indo-Europees” en “Semitisch”

omdat het nu eenmaal gewoonte is volken in te delen en te benoemen op grond van hun taal. De Semitische talen vertonen onderling een sterke verwantschap en hetzelfde geldt voor de verschillende onderafdelingen van de Indo-Europese taalfamilie. … De termen Semitisch en Indo-Europees hebben weinig te maken met ras of natie.

En dat was dat. Terwijl “het is nu eenmaal zo” toch echt het moment is waarop een wetenschapper sceptisch wordt. De eerdere wetenschappers hebben immers een reden gehad volken in te delen op grond van hun taal. Dat kan een goede of een slechte reden zijn geweest, maar een wetenschapper wil weten of die klopt vóór hij dat overneemt. Wie “het is nu eenmaal zo” schrijft, hoort – ietwat gechargeerd gezegd – niet thuis aan een universiteit.

Lees verder “Oude talen, modern nationalisme”