
Ik heb het zelf nooit iemand horen zeggen, maar tijdens mijn studie had ik nog docenten die wisten dat wat eind jaren tachtig een survey heette, ooit een Landesaufnahme, een Feldbegehung of een Oberflächenbegehung genoemd was geweest. In het Duits klinken dingen altijd wat verstandiger, maar desondanks noemen archeologen een survey nog steeds een survey, en er is vanzelfsprekend ook geen reden om een inmiddels ingeburgerde term te veranderen.
Het principe is simpel: een groep onderzoekers wandelt door het veld en noteert wat ze op de bodem zien liggen. Je loopt een eindje en ziet een scherf. Je loopt wat verder en ziet er drie. Je loopt nog wat verder en herkent er vijf. Nog wat verder zijn het er twee en dan weer een. Daarna houdt het op. Als de man of vrouw die naast je loopt iets soortgelijks constateert, dan lijkt het erop dat er iets in de grond zit. Niet al te diep, want de scherven moeten door de werking van de bodem of door ploegen naar boven zijn gekomen, maar het is er.
Tot zover het principe. Uiteraard gaat het in de praktijk om grote gebieden en kijken de onderzoekers niet alleen naar de aantallen maar ook naar de aard van de vondsten. Maar door een groot aantal Oberflächen op deze manier te begehen, kunnen archeologen komen tot conclusies over de historische bewoning van een regio. De boerderijen in de ager Veientanus, het gebied ten noorden van Rome, begonnen in de vroege vierde eeuw v.Chr. ineens een ander soort aardewerk te gebruiken – wat overeenkomt met de Romeinse verovering van de stad Veii. De herverdeling van het land die je zou hebben verwacht in verarmende gebieden als Judea in de eerste decennia na de Romeinse annexatie, blijkt er niet te zijn. Et cetera.
Surveys zijn niet het eerste waaraan we denken bij archeologisch onderzoek. We denken eerder aan mensen die in kuilen zitten met troffels en emmers. Maar de survey is een onmisbare vorm van vooronderzoek. Er zijn bovendien twee enorme voordelen aan verbonden. De eerste is dat er niets wordt vernietigd, wat bij een opgraving natuurlijk wel zo is. En het tweede voordeel is dat een survey controleerbaar is.
De opkomst van de survey – laten we zeggen in de tijd na de Tweede Wereldoorlog – vereenvoudigde een verschuiving van de aandacht. Hadden archeologen zich voordien bezig gehouden met de meer opvallende resten in het landschap, zoals paleizen en kastelen, nu kon de aandacht zich wat makkelijker verplaatsen naar boerderijen en andere kleine structuren.
Uiteraard blijft het niet bij wandelen. Inmiddels lopen archeologen met bodemradar door het veld. En er zijn drones die, met een beetje geluk en de benodigde artificiële intelligentie, een scherf kunnen onderscheiden van de bodem. De laatste techniek is, zo werd me laatst verzekerd, nog grotendeels toekomstmuziek, maar de ontwikkelingen gaan snel.
[De survey is onderdeel van de Archeologie-canon. Een overzicht van alle blogjs over het wetenschappelijk aspect van de oudheidkunde vindt u daar.]

De afdeling Mediterrane Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen heeft zich in de afgelopen decennia echt gespecialiseerd in deze ‘tak van sport’, onder leiding van (emeritus) prof.dr. Peter Attema. Zie o.a. https://research-repository.st-andrews.ac.uk/bitstream/handle/10023/24608/Attema_2021_Roman_Hinterland_Project_EJA_CC.pdf;jsessionid=C26D7D17605A009FBDB95803FEA69337?sequence=1
Van survey had ik nog niet gehoord, maar in de archeologieprogramma’s op de engelse TV hoorde ik dit altijd benoemen als fieldwalking.
Zie ook hier:
https://www.cafg.net/docs/articles/what_is_fieldwalking.pdf
Ik heb weleens de indruk dat in het Engels de betekenis wat is verschoven, zodat het woord “survey” nu verwijst naar alle vormen van prospectie. Zodat de Engelstaligen een nieuw woord nodig hebben voor het oorspronkelijke werk.
Agatha Christie schreef er leuk over in: Come, tell me how you live. Uitgegeven in 1946 over de surveys van Max Mallowan in Irak.
Dat is inderdaad een leuk boek. Iedereen is belachelijk: de Arabische grondwerkers niet meer of minder dan de “mad dogs and Englishmen going out in the midday sun”.
Anekdote (afkomstig van de organisator van een kartering):
In Noord-Holland liggen neolithische vindplaatsen aan het oppervlak. Dus veel vuursteen en aardewerk aan het oppervlak. Een specialist vuursteen en specialist aardewerk wilden een test doen hoe betrouwbaar een oppervlaktekartering was. Men had een groepje ‘huisvrouwen’ gevonden die mee gingen lopen. Deze mensen hadden geen kennis van vondsten en kregen een instructie. Wat bleek na een dag lopen: de specialist aardewerk had voornamelijk aardewerk opgeraapt, de specialist vuursteen voornamelijk vuursteen. De ‘huisvrouwen’ hadden zowel aardewerk, vuursteen en andere vondsten verzameld.