
Vorige maand was ik in Saksen, waar ik Dresden en Leipzig bezocht. Vanuit die laatste stad brengt de trein je in twintig minuten naar Halle, dat een beroemd Landesmuseum für Vorgeschichte heeft. Het is inderdaad verbluffend.
Om te beginnen zijn er de topstukken. Het beroemdst is de Hemelschijf van Nebra, maar ook de Ruiter van Hornhausen mag er zijn. Vrijwel alle voorwerpen staan mooi opgesteld, goed in het licht, zodat je ze van alle kanten kunt bekijken. De uitzondering is, gek genoeg, de Hemelschijf, die in het aardedonker staat en eigenlijk ook geen beste uitleg krijgt. De expositie in Assen deed het bijzondere voorwerp meer recht.
Voorwerpen en uitleg
Behalve de voorwerpen zijn er mooie maquettes, goed ontworpen landkaarten en verhelderende reconstructietekeningen. Een paar opgravingen zijn als geheel te bewonderen, zoals de neolithische bijzetting van de “runderbaron” van Westerhausen, die een hele muur beslaat. Soms neemt het geschreven woord het over, zoals wanneer er uitleg is van het jaarritme van de vroege landbouwers (vergelijkbaar met wat het Gallo-Romeins Museum in Tongeren toont).

Als we lezen over het dagritme van de neanderthalers, vernemen we dat de vrouwen allerlei zinvolle dingen doen terwijl de mannen met lege handen van de jacht thuis komen. De verdeling tussen praktische vrouwelijke verzamelaars en moedige maar welbeschouwd niet zo nuttige mannelijke jagers is vanzelfsprekend het standaardbeeld van n’importe welke samenleving van jagers en verzamelaars: men of valor, women of value. Ik had in Halle wel willen weten of prehistorici hun algemene typering van die tijd baseren op archeologische informatie of dat ze antropologische informatie extrapoleren.
Ik was blij met uitleg van de prehistorische bekerculturen, zodat je leert hoe je die uit elkaar kunt houden. Leuk vond ik ook dat de museummuren soms waren gedecoreerd met motieven uit het getoonde tijdperk: de bovenrand van de muren van een zaal met voorwerpen uit de Late Oudheid had dus de krullen en cirkels die destijds ook in het houtsnijwerk voorkwamen.
De bordjes met uitleg vertelden over de vondst, de vindplaats, de vondstomstandigheden en/of verzamelgeschiedenis én het belang van de vondst. Die bordjes waren in het Duits. Je kunt zeggen dat dat weinig inclusief is, maar van de andere kant: Engelstalige uitleg neemt ruimte in beslag die je net zo goed – en vermoedelijk met meer rendement – kunt gebruiken voor tweede-lijnsvoorlichting. Sprekend over inclusiviteit: opdringerig geluid ontbrak, dus mensen met hyperacusis hoeven Halle niet te mijden.

Vooroordelen
Kortom, een mooi museum. Maar toch. Ik las laatst een boek over gender-vooroordelen in de archeologie. Een daarvan was dat mannen altijd actief worden afgebeeld en vrouwen passief, en een ander vooroordeel was dat de vrouwen uit het verleden altijd voldoen aan hedendaagse schoonheidsidealen. Ik blogde destijds dat ik die vooroordelen niet herkende uit de Nederlandse musea, maar de afbeeldingen in Halle illustreren ze wél. Het zou vermoedelijk niemand opvallen als de afbeelding van de eerste Homo sapiens als centerfold stond in Playboy.
Iets anders: het gebruik van geschreven bronnen om archeologische vondsten te duiden is natuurlijk prijzenswaardig, maar het museum leest slechts wat er staat, terwijl begrijpend lezen draait om wat er niet staat. Het museum gebruikt bijvoorbeeld een passage van Plinius de Oudere om crematie te illustreren, zonder te herkennen dat de Romeinse auteur slechts in schijn encyclopedische informatie biedt en feitelijk de Griekse wetenschap romaniseert. Culturele appropriatie, zouden wij zeggen. Het citaat bewijst daardoor niet wat het museum denkt te bewijzen.
De Late Oudheid
De presentatie van de Late Oudheid is verrassend. Terwijl je zaal na zaal interessante informatie hebt gehad over de levenswijze van de mensen in de Prehistorie en de Romeinse tijd, draait het hier vrij onverwacht om oorlog en geweld. Feitelijk is dit het frame van de gewelddadige Grote Volksverhuizingen. Een bewegend landkaartje toont (net als in het museum in Brussel en tijdens de Germanen-expositie in Bonn) de steeds veranderende plaatsen waar deze of gene bevolkingsgroep woonde.

Dat is op zich niet verkeerd. Namen als “Vandalen” e.d. vinden we in de geschreven bronnen inderdaad steeds op andere plekken. Door dit ineens te benadrukken, wekt het museum echter de indruk dat laatantieke migratie belangrijker zou zijn geweest dan voordien. Dat is een oud idee, dat samenhangt met het frame dat het West-Romeinse Rijk door volksverhuizingen ten onder is gegaan. De feitelijke vraag is of we het tijdperk wel zo moeten typeren. Door bij de presentatie van de laatantieke transitie de nadruk te leggen op geweld en migratie, loopt het museum curieus uit de pas met het lopende onderzoek.
De Germanen
Dit wil niet zeggen dat die Late Oudheid niet superinteressant is. Zeker Nederlanders kunnen in Halle hun hart ophalen. De transitie van Romeinse tijd naar Middeleeuwen is immers de periode van wat ik gemakshalve de Germanen zal noemen: de mensen die ooit centraal stonden in ons geschiedbeeld maar de afgelopen kwart eeuw opvallend uit ons verleden zijn verwijderd. Mij blijft deze verdwijning verbazen. In een land dat voor de helft niet Romeins was, zou eigenlijk voor elk boek over de Romeinen ook een boek over de Germanen moeten verschijnen.

Wat me in Halle opviel, was het zelfvertrouwen waarmee het museum vondsten etnisch interpreteerde. Van het ene graf wist men zeker dat het representatief was voor de Hermunduren, elders wist men zonder zweem van twijfel Juthungen en Langobarden te identificeren. Ik wil best geloven dat het klopt, maar ik kan me niet herinneren dat ik ergens een opmerking heb gezien dat er allerlei Germaanse groepen zijn geweest waarvan we, gegeven de fragmentaire en arbitraire wijze waarop de geschreven informatie tot ons is gekomen, de naam niet kennen. Dat maakt zulke identificaties suspect.
Evengoed waren de Germaanse vondsten natuurlijk waanzinnig interessant. Ze deden mij verlangen naar meer Germaanse vondsten, replica’s desnoods, in Nederlandse musea. De verhalen over de tijd van van Nebisgast tot Elegast zijn immers ook ons verleden. Ik denk dat ik dus een half uur heb staan kijken naar de Ruiter van Hornhausen. In dezelfde zaal waren ook voorwerpen die het museum identificeerde als Avaars en die me ineens deden realiseren dat Halle al zo’n beetje op de rand ligt van het gebied van het volk dat een kwart millennium dé supermacht in Centraal-Europa is geweest.
Kortom, het was een mooi bezoek aan een mooi museum. Ik heb veel gezien en geleerd, en hoewel ik wegliep met wat bedenkingen, heb ik elke minuut in Halle genoten.

Vooral eens met je opmerkingen over de ‘volksverhuizingen’. Gegeven wat we weten over Romeinse bronnen, namelijk dat die niet zo heel goed waren in het correct identificeren van Germaanse groepen, zou het niet eens zo’n heel slecht idee zijn om het gebied buiten het Romeinse Rijk tijdens deze periode te classificeren als ‘prehistorie’.
Ook omdat tegenwoordig steeds meer uit onderzoek lijkt door te klinken dat de groepen zo mobiel, divers en niet-homogeen waren dat het vooral wij zijn die graag etiketten als ‘Goten’, Vandalen, Franken etc. willen plakken.
“niet eens zo’n heel slecht idee zijn om het gebied buiten het Romeinse Rijk tijdens deze periode te classificeren als ‘prehistorie’.
Dat deed ik al – prehistorie is immers per definitie de periode voordat er geschreven bronnen komen. In Finland, om een extreem voorbeeld te noemen, duurde de prehistorie dan ook heel wat langer dan in Griekenland.
“dat het vooral wij zijn die graag etiketten … plakken”
Onvermijdelijk, anders weten we niet waar we over praten. De makke is biologische en zelfs sociaal-darwinistische interpretaties.
Ik lees over niet zo nuttige mannelijke jagers die met lege handen thuis komen. In de jaren ’80 las ik een boek van Marilyn French (wsch. ‘Beyond Power On Women Men and Morals’). Hierin beschrijft zij samenlevinkjes her en der op onze planeet waar de dames zich met onbelangrijke trivialiteiten bezig houden terwijl de heren zich tegen de werkelijk belangrijke zaken aan bemoeien. Grappig daarbij is dat een bepaalde activiteit (landbouw) onbelangrijk is bij één cultuurtje, want een vrouwentaak, maar juist veel status heeft bij een ander, waar het een mannentaak is. Eén voorbeeld deed me afvragen of er überhaupt iets is veranderd. Ze beschrijft een stam in Australië waar vrouwen zich bezig houden met trivialiteiten als voedsel vergaren, kangoeroes omleggen, beslissen waar gewoond wordt, kinderen opvoeden, terwijl de mannen zich enkele weken in de wildernis terugtrekken om zich in essentiële zaken te verdiepen als welke geest het belangrijkst was in de droomtijd. In Nederland (in die tijd) was het ook zo dat de vrouwen beslisten wie van het gezin welke kleding droeg, naar welke school de kinderen gingen, wat er gegeten werd etcetera, terwijl de mannen zich terugtrokken in het café om te discussiëren over wat echt belangrijk was: wie moet in de spits staan bij het Nederlands elftal?
De Hetze tegen de man moet doorgaan…?😏
Een nog altijd leesbare analyse van de cultuur als humbug van mannen-onder-elkaar versus het inferieure vrouwenbedrijf is te vinden in: Fokke Sierksma, De roof van het vrouwengeheim (https://www.dbnl.org/tekst/sier005roof01_01/sier005roof01_01_0002.php). Een boeiend vertoog geschoeid op ouderwets-anthropologische leest, maar of er wat van klopt?
“draait het hier vrij onverwacht om oorlog en geweld. ”
Welbeschouwd nogal saai. Iedereen van mijn leeftijd die op de lagere school heeft opgelet weet dat ze voortdurend aan het knokken waren. En als dat lang genoeg duurt raken mensen op drift. Maar de Totale Oorlog was nog niet uitgevonden, dus het zou leerzaam zijn te laten zien hoe de gewone man en vrouw zich er onder hield – diegenen die thuis bleven.
Nu moet ik wel denken aan die oude en hoog opgeleide pief die over de Late Oudheid (niet zijn specialiteit) zijn studenten vertelde dat West-Europa in de Vijfde Eeuw veranderd werd in een Antieke versie van een nucleaire woestenij. Zijn rechtvaardiging: “Ze smullen ervan.”
Om maar even te illustreren hoe vern3vkeratief frames kunnen zijn.
Wat kan je uit die schaar van de Hermundurische hoofdman opmaken? Dat ie schapen had? En het schapenscheren door mannen werd gedaan? Of dat ie ijdel was en zijn eigen haar en baard knipte? Of is het niet interessant omdat we alleen kunnen speculeren?
Waren er ook wapens in het graf? Of ontbraken die? En zegt het ontbreken van een type grafgift iet over de overledene of over hoe de levende mensen over de overledene dachten? Of zegt het iets over wat men dacht dat de overledene in het hiernamaals nodig had? Hoe kom je eigenlijk tot zo’n conclussie?