Alexandrië in Brussel

Maquette van de Vuurtoren van Alexandrië (Dieter Cöllen)

In de loop van het eerste millennium v.Chr. schoof het bestuurlijk zwaartepunt van Egypte steeds verder naar het noordwesten: Memfis, Sais, Naukratis en uiteindelijk, na 331 v.Chr., in toenemende mate Alexandrië. De stad zou nog eeuwenlang de hoofdstad zijn van Egypte. Als antiek cultureel centrum is Alexandrië alleen vergelijkbaar met Babylon, Thebe, Athene en Rome. Ik heb weleens gelezen dat er in de inmiddels alweer vele eeuwen Arabisch sprekende havenstad nog een Griekstalige minderheid is, die een beetje neerkijkt op de parvenu’s in de staat Griekenland. Of het waar is laat ik in het midden, maar historisch bezien is Alexandrië én een stad van diverse culturen én, tussen die culturen, trots Grieks. Al zou een auteur als Appianus liever zeggen: Macedonisch.

Expositie

In Bozar, op de Kunstberg in Brussel, loopt alweer enige tijd de expositie Alexandrië, vervlogen toekomsten. De tentoonstelling is verdeeld over enkele thema’s, waarvan het eerste voorspelbaar is: Alexander de Grote. Nu heeft die meer steden gesticht. Het buitengewone succes van het Egyptische Alexandrië komt natuurlijk vooral doordat het exceptioneel gunstig lag, in het deel van de Nijldelta waar het economische en bestuurlijke zwaartepunt al was. Onderschat ook de rol van de Ptolemaïsche vorsten niet.

Lees verder “Alexandrië in Brussel”

De Late Oudheid (2)

Laatantiek mozaïek ter gelegenheid van een stadsstichting (Beiteddin)

[Tweede stukje over de presentatie van het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA). Het eerste was hier.]

Optativus

Een van de leuke dingen van de taalkunde is dat de “great divide” die de Romeinse literatuur teistert, hier niet bestaat. Er is geen of weinig verschil tussen het Grieks van de heidense auteur Libanios en zijn christelijke tijdgenoot Gregorios van Nazianze. Ambrosius begreep prima wat Symmachus schreef.

Ezra la Roi behandelde de ontwikkeling van het postklassieke Grieks. Daarin zou, zegt iedereen, de optativus zijn verdwenen: een werkwoordsvorm waarmee een wens wordt aangegeven (“moge de beste winnen”). Zo’n conclusie was lange tijd gebaseerd op het enorme taalgevoel van generaties goede classici, en dat moet je niet onderschatten, maar inmiddels kunnen we dankzij digitale databanken veel meer teksten tegelijk onderzoeken en dan ontstaat een ander beeld.

Eén verklaring voor het toch voortbestaan van deze werkwoordsvorm is dat auteurs in de Late Oudheid graag zuiver Grieks schreven (“atticisme”), maar dat is toch een beetje de omkering van de bewijslast. Anders gezegd, het is een hypothese die niet zou zijn geopperd als het niet was om vast te houden aan een geliefde maar door de feiten weerlegde conclusie.

Koninginnen

Na de archeologie, de literatuurwetenschap en de taalkunde was het de beurt aan de geschiedwetenschap en de eerste spreker was Jeroen Wijnendaele. Hij is de auteur van een goed boek over de desintegratie van het Romeinse bestuursapparaat in West-Europa van de vijfde eeuw. Wijnendaele zocht naar vermeldingen van koninginnen uit die tijd. De bekende kronieken, zoals Prosper Tiro, vermelden echter nauwelijks vrouwen en zelfs de echtgenotes van de machthebbers blijven onvermeld.

Dat verandert na het midden van de vijfde eeuw. Sidonius Apollinaris duidt de echtgenote van koning Eurik, Ragnagild, aan als regina en vermeldt ook nog een tweede koningin, namelijk de naamloze vrouw van de Bourgondische koning Chilperik. De verklaring is dat de macht steeds meer overging van de keizer naar militaire machthebbers die weliswaar Romeinse generaalstitels voerden maar ook golden als rex. Dat persoonlijke gezag werd steeds belangrijker en hun echtgenotes kregen een overeenkomstige titel. Koninginnen zijn voor West-Europa dus een uitvinding uit de Late Oudheid.

Aramees

Tot slot Mara Nicosia en Giorgia Nicosia. Ze vertelden over de wereld vol culturele kruisbestuivingen van het antieke Syrië/Mesopotamië. Een plaatje dat ik niet snel zal vergeten toonde vier mozaïeken met Griekse mythologische scènes waarin de personages Iraanse kleding droegen en de teksten in het Aramees waren gesteld. Een soldaat die deze mozaïeken zou hebben gezien, zou dan weer zijn instructies hebben gehad in het Latijn. En het is niet uit te sluiten dat hij zelf een Arabische naam had.

In deze wereld bloeide het Syrische christendom op, waarin teksten werden geschreven die andersdenkenden moesten overtuigen zich te laten dopen. Daarbij werd gebruik gemaakt van het argument dat wijze Griekse filosofen eigenlijk ook al hadden geweten van de christelijke waarheid. Zo kon een christen heidenen als heidenen aanspreken en overtuigen. (In het westerse christendom werden de Sibillen wel opgevoerd als heidense getuigen van het christelijke geloof.) Deze argumentatiewijze werd vereenvoudigd door flexibel te vertalen. Bij het omzetten van Hermes Trismegistos vanuit het Grieks naar het Aramees was het bijvoorbeeld mogelijk enkele sleuteltermen zó weer te geven dat hij een proto-christen was.

Dit type argumentatie (dat ons niet hoeft te overtuigen) bleef bestaan, ook toen het christendom allang de voornaamste godsdienst van het Nabije Oosten was geworden. Zo konden Syrische christenen later reageren op de islam door te vragen of het nieuwe geloof, net zoals het christendom, eveneens was voorspeld door heidense auteurs.

Kortom

Summa summarum: het was een ontspannen dag vol informatie over de Late Oudheid. Peter Heather sprak ook nog, maar ik moest eerder weg omdat ik een video-vergadering had en me rustig wilde voorbereiden. Het was echter leuk om mee te maken. Vooral omdat de sprekers zo aanstekelijk enthousiast waren.

Tot slot: ik turfde één keer het woord “crossdisiplinary”, maar niemand verlaagde zich tot het wezelwoord “interdisciplinair”. En daar ben ik blij mee. Een goede oudheidkundige negeert geen enkele categorie bewijsmateriaal. Je hoeft zo iemand dus niet aan te sporen interdisciplinair te zijn, want hij is een allrounder. De vanzelfsprekendheid waarmee de veelal jonge onderzoekers gisteren informatie haalden uit alle bewijscategorieën, toont dat een integrale Altertumswissenschaft geen utopie is.

De Late Oudheid (1)

Portret van een Romein, pakweg 425 na Chr. (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

De Late Oudheid is in de mode. Waarom dat zo is, ik heb geen idee, maar onlogisch is het niet. Ooit stond de Klassieke Periode centraal en toen men daarop was uitgekeken, ging men kijken naar de Archaïsche Tijd. Die stond in de tweede helft van de twintigste eeuw meer in de belangstelling dan daarvoor. Toen daar het nieuwe vanaf was, verschoof de belangstelling als vanzelf naar de Late Oudheid. Zoiets zal het zijn geweest. Denk ik. Wat misschien ook speelt: de Late Oudheid is de tijd waarin West-Europa is geboren. Het Romeinse Keizerrijk maakte plaats voor koninkrijken die lijken op het latere Italië, Spanje, Frankrijk en Engeland. Het christendom brak door. De romaanse en germaanse talen worden herkenbaar. En aan het eind van de periode was er zelfs een gezamenlijke Saraceense vijand. In een tijd van Europese eenwording ligt belangstelling voor de Late Oudheid voor de hand.

De Gentse universiteit vindt het tijdperk zo belangrijk dat ze het Gentse Centrum voor Late Oudheid (GCLA) geeft opgericht. Er is daar tussen Leie en Schelde namelijk behoorlijk wat expertise aanwezig: vijftig, zestig archeologen, historici, taalkundigen en letterkundigen, en bij laatstgenoemden mag u denken aan Latijn, Grieks en Aramees. Men presenteerde zich gisteren en omdat ik vandaag in Gent moest zijn – ik spreek vanavond – besloot ik een dagje eerder te gaan om te luisteren. Ik ga geen verslag doen, maar bied wel een paar losse observaties. Niks bijzonders, gewoon wat dingen die me troffen.

Lees verder “De Late Oudheid (1)”

Mont Vireux

Laat-Romeinse of Frankische muur

Toen collega Herman Clerinx, de auteur van een tof boek over de Romeinse aanwezigheid in de Lage Landen, hoorde dat ik voornemens was vorige maand te gaan fietsen in de Franse Maasvallei, attendeerde hij me op het Romeinse fort bij Vireux-Molhain. Dat ligt ruwweg halverwege Givet, het eerste stadje dat je in Frankrijk tegenkomt, en Fumay. Clerinx zei nog dat het lastig bereikbaar was.

Dat heb ik geweten.

De Mont Vireux, net als het dorpje vernoemd naar een Keltische riviergodin Viruwa, is een puist die ruim tachtig meter boven de Maas uitsteekt. Je moet een gigantisch eind omfietsen om de heuvel op te komen. Vertrouw daarbij niet op Google Maps, want daarop staan niet-bestaande paden aangegeven. De enige manier om er te komen is vanaf dit punt, dat voor een fietser bereikbaar is door een enorme slinger te maken die begint bij de Rue du 18 Juin 1940 en dan verder te gaan over de straat met de goede naam Derrière les roches. Vanaf het punt waar ik zojuist naar linkte, kun je alleen nog wandelen.

Lees verder “Mont Vireux”

Hoeveel Latijn is er nog?

Latijnse teksten zijn in Brepols’ Library of Latin Texts (klik=groot)

Latijn is oorspronkelijk de taal van de bewoners van Rome en het gebied eromheen, Latium. De oudste resten van het Latijn dateren uit de zevende en zesde eeuw v.Chr. Uit de derde eeuw v.Chr. hebben we al wat langere teksten, uit de eerste eeuw v.Chr. hebben we de teksten van Cicero, en uit dezelfde tijd of de eeuw erna de teksten van bijvoorbeeld Caesar, Vergilius, Horatius, Ovidius en Livius. Vanaf de tweede eeuw na Chr. komen de christelijke teksten, met als belangrijkste vertegenwoordiger Augustinus.

Langzamerhand ontwikkelen het geschreven Latijn en de gesproken talen zich uit elkaar, waardoor de Romaanse talen ontstaan. Vanaf ongeveer de zesde en zevende eeuw na Chr. is Latijn eigenlijk niemands moedertaal meer. Het bleef echter bestaan als het communicatiemiddel in Europa. Iedereen die lezen en schrijven geleerd had en iets mee te delen had, bleef dit in het Latijn doen. Pas eeuwen later zetten de volkstalen zich ook als schrifttalen door, maar Latijn blijft tot op de dag vandaag een taal, waarin mensen met elkaar communiceren. Een spannende vraag is, wanneer eigenlijk het meest in het Latijn geschreven werd.

Lees verder “Hoeveel Latijn is er nog?”

Skiënde Finnen

Ski’s (Volkenkundig museum, Leiden)

Het is de Week van de Klassieken en vandaag neem ik u mee naar de uiterste rand van de klassieken: naar Prokopios, een Grieks-schrijvende auteur uit de zesde eeuw na Chr. Je kunt hem aanduiden als een laatantieke historicus maar ook als een vroegmiddeleeuws schrijver. Hij publiceerde diverse boeken over Justinianus, de keizer die probeerde het Romeinse Rijk te herstellen en dat project zag mislukken. Hij was ook iemand op de rand van Oudheid en Middeleeuwen. Prokopios vermeldt bovendien een volk op de geografische rand van de klassieke wereld: de Finnen.

De Finnen

Hij was niet de eerste. Al in de eerste eeuw kende de Romeinse geschiedschrijver Tacitus de Fenni en in de tweede eeuw vermeldt Ptolemaios de Fennoi. De relatie met de huidige Finnen is omstreden en laat ik verder buiten beschouwing.

In zijn Geschiedenis van de Gotische Oorlog 2.15 beschrijft Prokopios Thule, een spreekwoordelijk ver naar het noorden gelegen gebied. De Griek Pytheas had er al eens over geschreven. Hij lijkt IJsland te hebben bedoeld; de Romeinen identificeerden het met de eilanden ten noorden van Shetland. Prokopios denkt aan Scandinavië en weet bijvoorbeeld dat de zon er in de zomer nooit ondergaat en in de winter nooit schijnt.

Lees verder “Skiënde Finnen”

Een klassieke moord

Maximianus naast keizer Justinianus (San Vitale, Ravenna)

Het is de Week van de Klassieken, het is 15 maart, en dus moeten we het hebben over een van de beruchtste moordpartijen uit de Oudheid. Ik bedoel vanzelfsprekend dat het vandaag 1529 jaar geleden is dat koning Odoaker aan zijn einde kwam. Hoe zat het ook alweer?

Odoaker

Odoaker is een van de bekendste laat-Romeinse militaire leiders. Opgegroeid aan het hof van Attila de Hun trad hij na diens dood met een schare Germanen in dienst van Rome. In Italië maakte hij al snel carrière en begon hij met andere hoge officieren te rivaliseren om invloed aan het hof. Zijn moment of fame kwam toen zijn concurrent Orestes profiteerde van een impasse in het keizerlijk bewind in Constantinopel – ik blogde er al eens over – en zijn zoontje Romulus op de troon plaatste. Toen de situatie in Constantinopel normaliseerde, leidde Odoaker het verzet tegen Orestes en Romulus. De vader werd gedood, de kind-keizer afgezet. Ook daar blogde ik al eens over: de gebeurtenis markeerde het einde van het keizerschap in West-Europa.

Lees verder “Een klassieke moord”

Nationale en regionale musea

De Merovingische munten van de offerplaats bij het Springendal

Grote kans dat u nog nooit heeft gehoord van Museum Moerman in Apeldoorn. Het bestaat niet meer. Ik kwam er als kind, keek er naar het oude Veluwse aardewerk, begreep voor het eerst hoe verschrikkelijk anders het verleden was geweest en begon historische belangstelling te krijgen. Nu mijn vrienden kinderen hebben, zie ik bij die kleuters hetzelfde. Toen opa en oma nog kind waren was het anders en dat is leuk. Elke onderwijzer en elke geschiedenisleraar weet dit: maak met kinderen een fietstocht langs het plaatselijke verleden en ze ontwikkelen geschiedenisliefde.

De sleutel is dat het verleden weliswaar anders moet zijn (dus verrassend, dus leuk), maar tegelijk herkenbaar. Dat laatste kan zijn doordat het gaat om familieleden (opa en oma) of de eigen regio (de Veluwe). U zult zich herinneren dat toen de politiek in 2006 verzon dat Nederland een nationaal historisch museum behoorde te hebben, nogal wat historici eraan herinnerden dat het geld beter besteed zou zijn aan lokale musea.

Lees verder “Nationale en regionale musea”

Geliefd boek: Catastrophe

Via deze blog op het spoor gezet heb ik het boek van Eric Cline, 1177 BC, met veel interesse gelezen. Nu klimaat een steeds belangrijker rol in historisch onderzoek gaat spelen, ben ik verder op zoek gegaan naar meer zulke boeken. En jawel! Ik vond David Keys’ boek Catastrophe, met als ondertitel An Investigation into the Origins of the Modern World, uit 1999. In dit boek, een oudje alweer bijna, oppert hij dat er in de zesde eeuw een grote vulkaanuitbarsting was die de hele wereld op zijn kop zette.

Uiteenlopend bewijs

Het boek is deels met enthousiasme ontvangen en deels half of geheel afgebrand, als u mij de uitdrukking toestaat.  Maar naar mijn idee hoort dat erbij als iemand uiteenlopende soorten bewijs samenbrengt en de aandacht vestigt op een nog niet eerder overwogen, maar wel mogelijke samenhang tussen bepaalde historische verschijnselen. David beweert nergens “het is zo”, maar geeft telkens een verschijnsel aan als “mogelijk gevolg van” c.q. “misschien veroorzaakt door”.

Lees verder “Geliefd boek: Catastrophe”

The Dig

Er was vorig jaar veel te doen over The Dig, een film waarin de opgraving van Sutton Hoo een rol speelt. Het graf van de vroeg-zevende-eeuwse Angelsaksische vorst Raedwald geldt als een van de grote archeologische ontdekkingen van de vorige eeuw. De bijzetting zou te vergelijken zijn met die van andere heersers uit de Late Oudheid, zoals Childeric in Doornik en het grafveld bij het Zweedse Vendel, ware het niet dat ze alles in omvang overtreft: Raedwald is begraven in een schip van een slordige zevenentwintig meter lang. Het is begrijpelijk dat de opgravers die er in 1938 en 1939 werkten, lang overwogen dat het een Vikinggraf was.

Sutton Hoo

Maar het was dus ouder. Dit schip documenteerde de wereld van de Angelen, van de Saksen, van de kerstening en van de Beowulf. Wellicht herinnert u zich uit 2005/2006 de expositie “Professor Van Giffen en het geheim van de wierden” in het Groninger Museum. In The Dig vat een medewerker van het British Museum, Charles Phillips, het belang van de ontdekking mooi samen: “The Dark Ages are not dark anymore.” En ook: “The Anglo-Saxons did have a civilization.”

Lees verder “The Dig”