De Germanen in Bonn

Vorige week bezocht ik de tentoonstelling “Germanen. Eine archäologische Bestandsaufnahme” in het Landesmuseum in Bonn. De organisatoren nemen het begrip “Germanen” ruimtelijk breed: ze behandelen niet alleen de antieke bewoners van de Noordduitse Laagvlakte (de zogeheten Jastorfcultuur), maar ook Scandinavië en de Przeworskcultuur uit Polen. Dat ze de netten hiermee niet té wijd werpen, zie je goed als je kijkt naar bijvoorbeeld de producten van de edelsmeden. Het met dieren versierde beslag van ceinturen was overal hetzelfde.

Germanen in Germanië

Aan de andere kant hanteren de organisatoren chronologisch een juist wat minder ruim Germanenbegrip. Ze tonen vooral de eerste vier, vijf eeuwen van onze jaartelling. De periode van de Grote Volksverhuizingen ontbreekt natuurlijk niet maar is ondergeschikt. Logisch ook, want de verhuizende mensengroepen droegen weliswaar de namen van oude Germaanse etnische verbanden, maar waren feitelijk een bonte menigte van velerlei herkomst. Ze assimileerden snel en zijn archeologisch niet te onderscheiden van hun Romeinse tijdgenoten. Al met al behoorden de migranten meer tot de Mediterrane dan tot de Germaanse wereld. Ze blijven in Bonn daarom wat op de achtergrond.

Gesp van een ceintuur, gevonden bij Uggeløse (Denemarken), derde eeuw

De concentratie op de Germanen in Germanië heeft als prettig bijeffect dat er weinig aandacht hoeft te zijn voor de grootse speculaties over de wereldhistorische betekenis van de Grote Volksverhuizingen. Nu is een afrekening daarmee in een land als Duitsland, met een erfenis uit het Derde Rijk, niet te vermijden. Het Landesmuseum heeft er echter goed aan gedaan het Nachleben-deel ruimtelijk van de eigenlijke expositie te scheiden. En als ik het goed zie, heeft het museum het zelfs uitbesteed aan een ander team. Hoe dat ook zij: bezoekers hoeven er niet langs.

Bezoekers waren er dan ook nauwelijks in dat deel van de expositie. En terecht. De Oudheid is boeiend genoeg en we hoeven haar niet interessant te maken.

Ik vermoed dat de organisatoren niet aan de Germanenreceptie konden ontkomen en alleen om de subsidiënt tevreden te stellen een futloos overzichtje toevoegden. Het biedt niets dat twaalf jaar geleden niet uitgebreider is gedaan tijdens de exposities over de slag in het Teutoburgerwoud. Verder hebben de museummensen vermoedelijk gedacht dat receptiegeschiedenis beter kan worden overgelaten aan de historici van latere tijdvakken.

Germaanse imitatie van een Romeinse munt, gevonden in Zaklad Narodowy (Oekraïne), derde eeuw

Archeologie en tekst

Door de nadruk te leggen op de Germanen zelf, is een mooie expositie ontstaan die ook fijn overzichtelijk is. (Duitse exposities willen nog weleens bezwijken aan overcompleetheid.) Daarbij staat de archeologie centraal, al ontbreken teksten niet helemaal. Enkele citaten uit Tacitus’ Germania lichten toe hoe Romeinse tijdgenoten keken naar de Germaanse gewoontes en er zijn ook wat verwijzingen naar de Noordse mythologie. Ik noemde Wieland de Smid al, een verhaal uit de Lied-Edda dat teruggaat tot de zesde eeuw.

Maar het gaat bij “Germanen. Eine archäologische Bestandsaufnahme” vooral om de archeologische vragen. Vanzelfsprekend zien we veel krijgersgraven, zoals die uit de Przeworsk-necropool Nadkole en het vorstengraf van Piekarski, beide uit de eerste eeuw, en die uit Rheindorf uit de Late Oudheid. De Nederlandse bezoeker zal bij het materiaal uit Feddersen Wierde denken aan de vondsten die in Hegebeintum en Ezinge zijn te zien van de Friese terpen en Groningse wierden. Rituele deposities uit moerassen ontbreken niet, zoals die uit Illerup en Thorsberger Moor.

Barnstenen snoer uit Jartypory (Polen), derde eeuw

Verrassingen

Een expositie is geslaagd als ze iets verrassends biedt. Zoals Germaanse munten die Romeinse munten imiteren en zijn beschreven met runen. Daarna kijk je niet meer op van Germaans aardewerk dat Romeins keramiek imiteert. Ik stond stupéfait bij een barnstenen halssnoer uit het Poolse Jartypory. Voorzien van een barnstenen druiventros, leek het gemodelleerd op een Mediterraan voorbeeld.

Munten, aardewerk en barnstenen sieraden documenteren handel met de Romeinen, maar er waren natuurlijk ook conflicten. Die komen aan bod – er zijn militaria uit Harzhorn – maar als het om strijd gaat, ligt de nadruk op de gevechten van de Germanen onderling. Zo waren er vondsten uit de rivier de Uecker in Pommeren, waar in de vierde-eeuw een veldslag kan hebben plaatsgevonden. Ik had daar nog nooit van gehoord en veel bleek nog onduidelijk. De organisatoren presenteren het daarom als vraag.

Vondsten van het slagveld aan de Uecker (late derde eeuw)

Kortom: “Germanen. Eine archäologische Bestandsaufnahme” is een goede, interessante expositie, die vragen niet uit de weg gaat. Ze toont de Germanen als Germanen. Niet als eeuwige tegenstander van Rome en ook niet als object in een Romeins vertoog over barbarij. Dat laatste thema komt wél aan de orde in de mooie catalogus. Als voor u een bezoek aan Bonn er niet in zit, is de catalogus hier te bestellen. €42,49 is eigenlijk geen geld voor 2,9 kilo kwaliteit.

***

Germanen. Eine archäologische Bestandsaufnahme” duurt tot 24 oktober.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

17 gedachtes over “De Germanen in Bonn

  1. Roger Rymen

    “Al met al behoorden de migranten meer tot de Mediterrane dan tot de Germaanse wereld.” Dat begrijp ik niet. Waren de Franken dan geen Germanen? Hoe komt het anders dat Noord België Nederlands spreekt?

    1. Ze gingen Latijn spreken, werden christelijk. Alleen wat achterblijvers bleven trouw aan hun noordelijke identiteit. Toen Clovis zich met een triomftocht aandiende als consul, was hij zo Romeins als maar kon.

      Dat gezegd zijnde, de Franken zijn inderdaad minder ver geromaniseerd dan de Visigoten, de Sueben, de Ostrogoten, de Vandalen… Allemaal volledig geassimileerd.

    2. FrankB

      “Hoe komt het anders dat Noord België Nederlands spreekt?”
      Dat heeft JonaL hier uitgelegd:

      https://www.livius.org/articles/place/germania-inferior/germania-inferior-12/

      De Germanen die in Noord-België en Zuid-Nederland kwamen te wonen hadden geen reden om op Latijn over te schakelen. Hetzelfde geldt voor Duitsland ten westen van de RIjn.
      Overigens herinner ik me van school dat allerlei typisch Nederlandse woorden wel degelijk van Latijnse oorsprong zijn; het voorbeeld dat ik heb onthouden is spiegel.

  2. Roger Rymen

    OK voor de elite, maar de elite is niet het Volk (met hoofdletter) dat zeker in Noord Frankrijk en Noord België geen latijn ging spreken, anders hadden wij in in de Vlaamse dorpen en steden nu ook Frans gesproken, uitzondering voor Frans Vlaanderen waar het Franse taalimperialisme gaandeweg het Vlaams heeft verdreven.

    1. Ben Spaans

      Wat is Frans taalimperialisme? Waarom is niet heel het graafschap Vlaanderen Frans gaan spreken? Onderdeel van Frankrijk (ok, zeg 75%), het grafelijke hof sprak Frans…

    2. FrankB

      Het vierde en vijfde eeuwse volk (waarom dat met een hoofdletter moet is mij volstrekt onduidelijk) beneden de taalgrens sprak al Latijn. Toenmalige Germaanse immigranten werden elite toen de Romeinse machtsstructuur wegviel. Alleen hadden zij Latijn sprekende ambtenaren nodig om te kunnen besturen. In zulke omstandigheden heeft de elite de neiging de oorspronkelijke taal over te nemen.
      In de Lage Landen (beneden de grote rivieren, daarboven zijn dingen altijd al ietwat anders gegaan) was er in de vierde en vijfde eeuw nauwelijks iets interessants om te besturen. Daarom trokken immers zoveel Franken naar het zuiden. Dat deden ze niet omdat de zuidelijke Lage Landen een luilekkerland waren. En wat er was (zie link hierboven) sprak al geen Latijn meer toen het Romeinse gezag verdween. Dit hangt samen met twee ontwikkelingen: de bevolkingsafname in het Rijk vanaf pakweg 250 CE en later de vestiging van foederati in leeggelopen gebieden, zoals het huidige Nederlandse taalgebied beneden de grote rivieren.
      Het is misschien pijnlijk voor bepaalde nationalistische tenen, maar in het Grote Geheel der Dingen waren de Lage Landen maar een onbelangrijke uithoek. De Romeinen hebben het gebied nooit tot economische ontwikkeling gebracht. Het was bovenal een militaire bufferzone. Dus woonde er grofweg boven de huidige taalgrens destijds geen volk dat Latijn sprak.
      Overigens zal het me een rooie rotzorg zijn of het Franse taalimperialisme wel slaagt en in de toekomst alles tm de Waddeneilanden verovert. Straks tijdens de Jeux Olympiques roep ik met evenveel liefde Allez Matthieu! Bij goud zeg ik dan: Il pourrait moins.

      1. Ben Spaans

        Er is hier een misverstand mijnerzijds. Het historische graafschap Vlaanderen bevatte het onderdeel Waals-Vlaanderen met als hoofdplaats Rijssel/Lille dat al vroeg in de Middeleeuwen Picardisch/Franstalig was (verwarrend genoeg werd er juist niet de taal Waals gesproken.) In de 17e eeuw kwam dit gebied samen met de Vlaamse Westhoek onder Frankrijk. In die Westhoek was het Nederlands de voertaal, en daar werd inderdaad steeds meer verfransing afgedwongen. Waals-Vlaanderen en de Westhoek vormen nu Frans-Vlaanderen.

  3. Roger Rymen

    Uw zienswijze over de taalontwikkeling in Vlaanderen en het oude Graafschap Vlaanderen moet gedeeltelijk herzien worden. Zo wordt bij ons de streek van Rijsel (met één “s” !) niet Waals Vlaanderen genoemd maar Frans Vlaanderen en er werd ooit Romaans gesproken. Grosso modo in het huidige arrondissement Duinkerke werd ooit algemeen een Nederlands (Vlaams) dialect gesproken. Uit ondervinding weet ik dat veel Nederlanders de ganse taalsituatie in Vlaanderen en Noord Frankrijk niet begrijpen (of er geen aandacht voor hebben). Ik geef de raad om op Wikipedia eens het artikel “Frans Vlaanderen” na te lezen, dit is niet alleen verhelderend maar geeft ook de mogelijkheid voor onze noorderburen om de term “Frans taalimperialisme” te begrijpen. Lees daarvoor dan meteen ook op Wikipedia: https://isgeschiedenis.nl/nieuws/taalstrijd-in-belgie. Weet dat ik nog als kind heb meegemaakt dat alle straatnamen in Antwerpen ook Franstalig werden aangeduid, dat de universiteit van Gent pas in 1930 werd vernederlandst en beroepsofficieren van het Belgisch leger tijdens WO I praktisch allemaal uitsluitend eentalig Franstalig waren. Hun bevelen waren in het Frans en werden aangevuld met “et pour les Flamands la même chose”.

  4. Ben Spaans

    Ik zit inderdaad volop in begripsverwarring. Ik heb wel op de Wikipedia pagina gelezen dat Waals-Vlaanderen zoals het in de 18e eeuw binnen Frankrijk lag een een synoniem is voor Rijsel-Vlaanderen, dus ik had wel ergens vandaan, maar mijn excuses aan de Vlaamse trots. Nederlanders hebben inderdaad weinig verstand van deze kwesties.

    Nou gaat dat voor deze Nederlander niet helemaal op. Ik heb me onder de toenmalige Leidse docente Sophie de Schaepdrijver wel degelijk in de moderne Belgische geschiedenis (vanaf 1830) verdiept. De Schaepdrijver had zo haar bedenkingen over de Vlaamse Beweging, zachtjes uitgedrukt, ( ook over het laat-twintigste eeuwse België in het algemeen trouwens) en ik zal daar wel wat van mee hebben gekregen.

  5. Roger Rymen

    Ja, inderdaad, 1830 is volgens mij het slechtste wat de Vlamingen is overkomen. Deze (onwettelijke) revolutie werd voornamelijk aangewakkerd door het zogenaamde Taalbesluit (Willem I), dat in 1823 het Nederlands langzamerhand als ambtstaal in de provincies West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Limburg invoerde, dit zorgde voor enige weerstand in het zuiden, waar Wallonië, de kerkelijke leiders, de adel en de bourgeoisie in Vlaanderen Frans spraken. De katholieken – de meerderheid van de bevolking – eisten enerzijds vrijheid van onderwijs en godsdienst, terwijl de nieuw-liberalen anderzijds bezwaren hadden tegen de repressieve regeerstijl van Willem I. De gewone Jan-met-de-pet-Vlaming (kon hij wel lezen en schrijven?) had in heel deze zaak niet de minste inspraak.

Reacties zijn gesloten.