Petrus in Rome (2)

Petrus krijgt van Christus de sleutels (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In het vorige blogje heb ik het literaire bewijs voor Petrus’ aanwezigheid in Rome uiteengezet. Het was ambigu. In dit blogje behandel ik het archeologische bewijs.

In 1950 kondigde de paus aan dat tijdens de Tweede Wereldoorlog in het geheim onder de Sint-Pietersbasiliek opgravingen waren verricht en dat een graf was gevonden dat wellicht van Petrus was geweest. Er waren bij dat graf ook botten gevonden, maar die waren op dat moment slechts oppervlakkig onderzocht. Dat de paus erover zweeg, was verstandig, want ze bleken afkomstig van twee mannen, een vrouw, een varken en een paard.

Een rode muur

Dit was echter niet het einde van het verhaal. Achter het graf hadden de opgravers een roodkleurige muur met een nis en een klein altaartje gevonden. Dit kon niet anders zijn dan het door Eusebios van Caesarea op gezag van Gaius genoemde tropaion. Op en rond die muur waren graffiti aangebracht die Petrus vermeldden. De opgravers haalden Margherita Guarducci erbij, een specialiste die al eerder de Wet van Gortyn had uitgegeven. Aan de hand van de graffiti concludeerde zij dat hier toch ergens het graf van Petrus moest zijn. Toen ze een van de arbeiders vroeg of er weleens botten bij die muur waren gevonden, antwoordde die van wel. Elke avond, als de opgravers naar huis gingen, was een Vaticaanse functionaris langs gekomen om de menselijke resten weg te nemen, aangezien die nou eenmaal netjes dienden te worden herbegraven.

Lees verder “Petrus in Rome (2)”

Petrus in Rome (1)

Petrus (Agoramuseum, Athene)

Ik merkte vorige week terloops op dat we feitelijk niet weten wat er is geworden van Petrus na zijn verblijf in Antiochië. Ik kreeg de terechte opmerking dat allerlei antieke bronnen vertellen dat Petrus was in Rome, waar ook zijn graf wordt aangewezen in (of beter: onder) de Sint-Pietersbasiliek. Dit is interessante materie, en dit blogje groeide als vanzelf.

De bronnen

De informatie over Petrus’ optreden na de kruisiging komt erop neer dat hij als een van de eersten verkondigde dat Jezus was opgestaannoot 1 Korintiërs 15.5; Lukas 24.34; Johannes 21.1-14. en dat hij een rol speelde in de jonge kerknoot Galaten 1.18; Galaten 2.7-9. of daar zelfs leiding aan gaf. noot Handelingen 1.15-12.18. Ik verklap geen geloofsgeheim als ik vertel dat Petrus in Antiochië ruzie kreeg met Paulus.noot Galaten 2.11-14. De rotskerk die in Antiochië wordt toegeschreven aan Petrus, is als gebouw jonger, en de toeschrijving zelf is nog veel jonger.

Lees verder “Petrus in Rome (1)”

Simon de Magiër

Simon de Magiër en Petrus (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel). Ik illustreer de Oudheid liever niet met niet-antieke plaatjes, maar deze vind ik te mooi om niet te gebruiken.

Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament. We gaan het hebben over een zekere Simon, van wie de auteur van de Handelingen 8.9-25 van de Apostelen weet dat hij bedreven was in magie en grote populariteit had verworven in de stad Samaria (het huidige Nablus).

Hoezo magie?

Wat daarmee is bedoeld, is minder duidelijk dan het lijkt. De tekst bevat eenmaal het werkwoord μαγεύω, dat zoiets betekent als “geschoold zijn in de magische vaardigheden” en eenmaal het zelfstandig naamwoord μαγεία, “de kunst van de magiërs”.

Er liggen hier twee probleem. Het eerste is dat magiërs oorspronkelijk Perzische religieuze specialisten waren. In die betekenis, de oudste en gebruikelijkste, komt het woord voor in het evangelie van Matteüs, als hij de wijzen uit het oosten zo aanduidt.noot Matteüs 2.1. Een Griek die de tekst las, zou in eerste instantie denken dat Simon een oosterling was met innovatieve godsdienstige opvattingen. Er is ook weinig dat daar tegen pleit.

Lees verder “Simon de Magiër”

De Petrus van Fik Meijer (1)

Wie via een boek van Fik Meijer kennismaakt met de Oudheid, herkent misschien dat de auteur een karikatuur biedt van wat wetenschap is. Dat is een probleem. Hij kan zich namelijk ook presenteren als lid van de academische gemeenschap, waardoor (ten onrechte) de indruk ontstaat dat oudhistorici wetenschappelijk niet meekomen, wat er op zijn beurt toe leidt dat bona fide oudheidkundigen niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

Meijers vorige boek, Jezus en de vijfde evangelist, illustreerde het mechanisme. Het bood Jezusmythicisten op een presenteerblaadje de argumenten om te concluderen dat de emeritus-hoogleraar, en dus de wetenschap waarin hij een leerstoel bekleedde, het spoor volkomen bijster is. Helemaal onterecht is die conclusie niet: vijfendertig jaar academisch wanbeleid trekken hun sporen. Desondanks is oude geschiedenis nog altijd een serieuze activiteit. Dat wil ik tonen aan de hand van Meijers Petrus. Leerling, leraar, mythe.

Het gaat me daarbij niet om Meijers o zo zichtbare slordigheden. Ook gaat het niet om het feit dat hij (zoals wel meer oudhistorici) het grote publiek denkt te kunnen informeren op een wijze die al een kwart eeuw verouderd is. Ik wil me in plaats daarvan concentreren op fouten die voortkomen uit het onvoldoende toepassen van de historische methoden. Daardoor is Petrus, net als Jezus en de vijfde evangelist, geen geschiedenisboek zoals je van een historicus verwacht maar in feite een boek met een christelijke agenda.

Lees verder “De Petrus van Fik Meijer (1)”