Pity the Nation

Pity the nation that is full of beliefs and empty of religion.
Pity the nation that wears a cloth it does not weave
and eats a bread it does not harvest.

Pity the nation that acclaims the bully as hero,
and that deems the glittering conqueror bountiful.

Pity a nation that despises a passion in its dream,
yet submits in its awakening.

Pity the nation that raises not its voice
save when it walks in a funeral,
boasts not except among its ruins,
and will rebel not save when its neck is laid
between the sword and the block.

Pity the nation whose statesman is a fox,
whose philosopher is a juggler,
and whose art is the art of patching and mimicking

Pity the nation that welcomes its new ruler with trumpeting,
and farewells him with hooting,
only to welcome another with trumpeting again.

Pity the nation whose sages are dumb with years
and whose strongmen are yet in the cradle.

Pity the nation divided into fragments,
each fragment deeming itself a nation.

Lees verder “Pity the Nation”

Kahlil Gibran, De profeet

De Qadisha-vallei.

Ik schrijf dit in Bsharri, aan het einde van de Qadisha-vallei in noordelijk Libanon. Even verderop ligt, aan de voet van een heuvel waarop een Fenicisch graf staat, de schrijver Kahlil Gibran (1883-1931) begraven, de auteur van een boekje dat tijdens mijn jeugd door iedere volwassene leek te worden gelezen: De profeet. Er werd destijds hoog van opgegeven, en om die reden dacht ik dat ik het toch eens moest lezen voordat ik door dit stadje zou reizen.

Ik weet niet goed wat ik ervan denken. In elk geval is het een toegankelijke tekst: een profeet neemt afscheid van de mensen met wie hij een tijd heeft samengewoond en spreekt over een aantal onderwerpen: liefde, eten en drinken, misdaad en straf, vrijheid, vriendschap en aan het einde – goh, wat verrassend – de dood. In de vertaling van Aleid Swierenga en M. Desorgher worden deze declamaties, die zijn geschreven in een poëtisch soort proza, weergegeven in een statig Nederlands:

Lees verder “Kahlil Gibran, De profeet”