Khalchayan

Portret uit Khalchayan (Nationaal Museum. Tasjkent)

Eerst even wat aardrijkskunde. Baktrië is de oude naam van het grensgebied tussen Oezbekistan en Afghanistan. De voornaamste stad is tegenwoordig Termez, waar de Vriendschapsbrug de twee landen verbindt. De rivier onder die brug heet Amurdar’ya maar is in Europa bekender onder de antieke naam Oxus, een gelatiniseerde versie van de Griekse vorm van het Sogdische Waxš, “wild”. Het is een vruchtbaar gebied, deels door irrigatie, deels door de aanvoer van water uit bergrivieren, en een daarvan is de Surkhandar’ya, die zich bij Termez met de Oxus verenigt. Het stroomdal is al even vruchtbaar.

Rond 135 v.Chr. vestigden zich hier de Yuehzi-nomaden, die afkomstig waren uit wat ik gemakshalve China zal noemen. Hun migratie is een van de vele voorbeelden van de quasi-eeuwige beweging van nomadische groepen van Manchurije naar het westen. In Baktrië woonden de nieuwkomers te midden van Sogdiërs, Saken en de afstammelingen van Perzische kolonisten en de Griekse huurlingen die Alexander de Grote hier had achtergelaten, met daartussen nog wat verdwaalde Indiërs. Een volgend, in Baktrië geformeerd leger trok later, in de eerste decennia van onze jaartelling, verder naar het zuiden en vestigde het Kushana-rijk in de Punjab.

Lees verder “Khalchayan”

Een bijl uit Margiana

Een bijl uit Margiana (Louvre, Parijs)

In de afdeling Nabije Oosten in het Louvre in Parijs is momenteel een kleine expositie van voorwerpen die normaal gesproken in het Metropolitan Museum in New York zijn. Er zijn duizend redenen om naar het Louvre te gaan, maar deze tentoonstelling behoort er niet toe: het gaat namelijk om zegge en schrijve tien objecten. Die liggen dan naast voorwerpen uit het Louvre die er enigszins op lijken, wat in museale koeterwaals dan heet dat ze een dialoog aangaan.

Een van de Amerikaanse voorwerpen is bovenstaande bijl. Het voorwerp komt – en eigenlijk klinkt dit verdacht – uit een na de Iraanse Revolutie van 1979 naar de Verenigde Staten overgebrachte collectie van een Iraanse verzamelaar. Ik heb niet kunnen achterhalen waar die verzamelaar de bijl heeft verworven, maar het voorwerpje behoort tot het zogeheten Bactria-Margiana Archaeological Complex (BMAC). Dat is een bronstijdcultuur uit het zuiden van Turkmenistan en Oezbekistan en het noorden van Afghanistan, die u moet plaatsen tussen 2200 en 1700 v.Chr. Ze kenmerkt zich door opvallend grote burchten – ik heb Gonur Deppe weleens genoemd – en handelscontacten met India, de (Indo-Europese) Andronovo-cultuur en Mesopotamië.

Lees verder “Een bijl uit Margiana”

Dood paard

Paardenskelet uit Gonur Deppe
Skelet van een paard, Gonur Deppe

Misschien wel de grootste ontdekking van de geesteswetenschappen:

  • eerst ontdekking van de Indo-Europese taalfamilie,
  • vervolgens het proces van reconstructie van deze oertaal,
  • daarna het leggen van een verband met de archeologische resten van de Yamnaya-cultuur (Yamna-cultuur, kurgan-cultuur, putgrafcultuur…) die tussen 3600 en 2300 v.Chr. heeft bestaan in Oekraïne/Zuid-Rusland
  • tot slot de bevestiging daarvan door het DNA-onderzoek.

Taalkundigen, historici, archeologen, DNA-onderzoekers: in de geesteswetenschappen bereik je vooral resultaat als je je niet beperkt tot kleine specialismen. De impact van de ontdekking is ondertussen immens: we zijn volken gaan definiëren aan de hand van taal, wat eigenlijk een heel rare innovatie is geweest, met vérstrekkende politieke gevolgen, zoals iedere Belg u kan uitleggen.

Op de achtergrond speelt dan nog een andere, even interessante kwestie: de verklaring waarom de Indo-Europese taalfamilie zich van Ierland tot India en van Spanje tot Siberië heeft kunnen verspreiden. Er zijn diverse factoren te noemen, zoals de genetische mutatie die een deel van het afweersysteem onklaar maakte, waardoor mensen met wat ik maar even “Indo-Europees DNA” zal noemen (u mag de benodigde slagen om de arm zelf invoegen) niet langer allergisch reageerden op melk van andere diersoorten. Normaal gesproken zou je ziek worden van koeien- of geitenmelk, maar Indo-Europeanen hebben daar minder last van en dat gaf ze in een koud klimaat een extra bron van voedingsstoffen. Een andere verklaring, mijns inziens belangrijker, is dat ze beschikten over paarden.

Lees verder “Dood paard”