Robert Fisk, Pity the Nation

Het Holiday Inn-hotel toont nog altijd de sporen van de gevechten uit de jaren tachtig.

De laatste weken heb ik gelezen in Pity the Nation. Lebanon at War, het persoonlijke verslag van de Libanese burgeroorlogen van de Britse journalist Robert Fisk. Ik verwees er al naar toen ik zijn beschrijving van de functie van de Groene Lijn citeerde, toen ik schreef over de inauguratie van Elias Sarkis en toen ik inging op de twee gezichten van de Hezbollah. Zoals te verwachten viel, is Pity the Nation een nogal schokkend boek.

Fisk heeft niet de ambitie een geschiedenis te schrijven van de diverse burgeroorlogen die Libanon tussen 1975 en 1990 verscheurden. Het meervoud “burgeroorlogen” is belangrijk, want er zijn in feite verschillende conflicten geweest:

  1. De burgeroorlog van de maronitische christenen tegen de soennieten, die, toen de laatsten de steun kregen van de PLO, in 1976 leidde tot de Syrische bezetting;
  2. De korte Israëlische invasie van 1978;
  3. De grootschalige Israëlische invasie in 1982;
  4. De burgeroorlog tussen de maronitische christenen en de druzen (1983-1990);
  5. De oorlog van de sji’ieten tegen Israël (vanaf 1983);
  6. De burgeroorlog om de vluchtelingenkampen (1984-1988);
  7. De burgeroorlog tussen de twee regeringen, die uiteindelijk leidde tot de Taif-akkoorden (1988-1990).

In een tweetal hoofdstukken dat later aan het boek is toegevoegd, gaat Fisk nog in op de periode na de Taif-akkoorden, waarin de wederopbouw begon en die een Israëlische actie zag tegen de Hezbollah, eindigend met het drama in Qana.

In feite heeft deze operatie niet zoveel te maken met de burgeroorlogen, en het zegt iets over Fisks visie op de gebeurtenissen dat hij er aandacht aan besteedt: hij ziet de burgeroorlogen als gevolg van de interventies door buitenlandse mogendheden (de PLO, Syrië, Israël en de internationale vredesmacht die in 1983 actief was in Beiroet), en dus hoort ook de volgende buitenlandse interventie bij zijn stof. Daar wringt volgens mij iets, want waar het bovenstaande lijstje een periode van aanhoudend geweld was, is de Israëlische aanval op de Hezbollah beter te beschouwen als een gewelddadig intermezzo in een tijd van aanhoudende rust. De Taif-akkoorden maakten echt een einde aan een reeks conflicten en het is niet helemaal eerlijk een nieuw incident, hoe afschuwelijk ook, tot die reeks te rekenen.

Pity the Nation is dus eerder een relaas van Fisks persoonlijke wederwaardigheden en opvattingen dan een echt verslag van de burgeroorlogen. Dat betekent dat sommige belangrijke kwesties onderbelicht blijven. De moord op president Bashir Gemayel is een voorbeeld: Fisk vertelt hoe hij alles in het werk stelde om van zijn vakantie in Ierland terug te keren naar Libanon, maar legt niet uit wie achter de aanslag zat. Een ander voorbeeld is de vendetta tussen de families Gemayel en Franjieh: Fisk noemt haar één keer, maar beschrijft de beruchtste gevechten niet – hij was in Beiroet en niet in de Kadisha-vallei, waar de families hun oorlog uitvochten. Of nog een voorbeeld: de zesde fase, die ruim vier jaar duurde, wordt in één hoofdstuk samengevat, waarbij de aandacht geheel ligt bij het lot van de gegijzelde westerlingen. Laatste voorbeeld: Fisk geeft voortdurend aan hoe zijn verslaggeving tekortschoot. Eén hoofdstuk is zelfs speciaal gewijd aan de problemen van de oorlogsverslaggeving. Het is alsof Fisk verantwoording wil afleggen voor wat hij als ooggetuige heeft geschreven in 1975-1990.

Fisk bedoelt het eerder als ego-document dan als geschiedwerk. Daar is niks mis mee. Wat wél jammer is, is dat hij soms nogal ver gaat in het tonen van zijn persoonlijke betrokkenheid. Zo gaat hij meer dan eens in op de kritiek die hij kreeg over zijn verslaggeving en citeert hij, bij wijze van antwoord, de complimenten die hij kreeg voor zijn stukken in The Times en The Independent. Mij stoorde het een beetje: dat hij gekrenkt was door onterechte kritiek is één ding, maar onterechte kritiek hoort bij het journalistieke vak en daar moet je, althans in je publicaties, niet moeilijk over doen. Een journalist, om Nijhoff te parafraseren, schreit niet.

Dit alles laat onverlet dat Pity the Nation een heel, heel erg boeiend boek is. Fisk heeft veel strijdtonelen persoonlijk bezocht, raakte bij één gelegenheid gewond en riskeerde te worden gegijzeld, zoals zijn vriend Terry Anderson overkwam. Fisk heeft werkelijk iets te vertellen, en het siert hem dat hij niet méér pretendeert te weten dan hij heeft meegemaakt. Ik heb geen ervaring met oorlog, maar weet dat het een chaotische bedoening is. Voor echte geschiedschrijving is het nog te vroeg. Fisk concentreert zich op het weinige waarover hij zeker is: datgene wat hij persoonlijk heeft ervaren. Niet meer, niet minder.

Het resultaat is een van de schokkendste boeken die ik ooit las – minder door wát Fisk schrijft over bijvoorbeeld het bloedbad in Sabra en Shatila, dan doordat je even veel of weinig weet als iemand aan het front. Het is geen boek over de oorlog, het voert je binnen in de oorlog.

6 gedachtes over “Robert Fisk, Pity the Nation

  1. 1973 ben ik in Zuid-Libanon gaan wonen. Maar logischerwijs heb ik weinig meegenomen van de slachtpartijen en ben een jaar later de grens overgestoken naar noord-israel vanwege de minder aangename sfeer in het land. Leek me toch wel beter.

    Van de regen in de drup want daarna begon de grensoorlog en regende het katooshas. Na de 1e paar keer in een schuilkelder met krijsende babies en hysterische moeders realiseer je je dat dat erger is dan een katoosha op je hoofd en ben ik verder maar gewoon thuis gebleven.

    Na verloop van tijd slaap je dan door de sirenes heen.

    Feit blijft, dat van wat ik heb geobserveerd is dat elkaar afslachten een cultureel fenomeen is in de regio. Hoe dat zo gekomen is, ik ben geen anthropoloog, maar volgens mij is het te wijten aan de sinds mohammed het uitvondt heersende krijgsideologie ter plaatse die anderen dwingt zich hetzelfde te gedragen.

    Zolang deze ideologie prominent blijft, zal het slachten doorgaan aangezien deze niet gebaseerd is op nuchtere, beredeneerde gronden om 1 bepaald doel te bereiken, maar reflexmatige geindoctrineerde gronden.

    1. Zou de oorzaak van het probleem niet andersom kunnen zijn: iedereen mept er in principe op los, alleen in West-Europa heeft men meer geweldloze vormen van conflictbeheersing weten te ontwikkelen. Als je dan in het Midden-Oosten komt, lijkt het er daar agressiever aan toe te gaan, maar dat is niet doordat men ter plekke anders is of doet, maar dat is het algemeen menselijk patroon.

      1. Ik geloof toch wel dat er duidelijk onderscheid is te zien qua bereidheid en brutaliteit van meppen. Tuurlijk, als je ver genoeg terug gaat in de geschiedenis, maar als we over heden ten dage spreken dan is de islamitische cultuur er toch wel een van overheersing middels geweld meer dan anderen.

        Het gonst letterlijk van geweld gelieerd aan islam in de gehele wereld, van Afrika via Indonesie tot MO.

        Dat is een islam relateerd phenomeen, sinds er geen ethnische noch onderliggende culturele overeenkomsten zijn inde verschillende regios anders dan deze krijgsideologie.

  2. MNb

    “ik ben geen anthropoloog”
    Duidelijk – helemaal geen wetenschapper, zou ik zeggen. Feit is immers ook dat de Surinaamse Binnenlandse Oorlog niets met Mohammeds krijgsideologie van doen heeft. Bouterse en Brunswijk zijn beiden christenen. Nou was dat kinderspel vergeleken met Libanon, maar dat kwam alleen maar door de wapenuitrusting van beiden. Ik heb er van 1990 tot 1993 een staartje van meegekregen en vond het kinderspelletje meer dan genoeg om nooit naar welke burgeroorlog dan ook te willen.
    De redenering “bij dit geweld zijn moslims bij betrokken, dus komt het door de islam, dus is er geweld, dus zal het doorgaan zolang er islam is” is geen feit, geen observatie, maar dom vooroordeel. En daarmee zeg ik niet – want ik ken islamofobe non-logica inmiddels – dat alle moslims lieverdjes zijn.

  3. Adri Overgaauw

    Robert Fisk krijgt veel lof voor zijn boek, al worden kritische kanttekeningen gemaakt. Ik had graag gelezen dat Robert Fisk de engelse taal verrijkt heeft met het werkwoord “to fisk”, het regel voor regel uiteenrafelen van een betoog op fouten, leugens en misleidingen.
    Door mensen als Christopher Hitchens en Andrew Sullivan is Robert Fisk ontmaskerd als een onverbeterlijke leugenaar en manipulator. Daarom lees ik liever geen boek van hem, zeker niet als het (oncontroleerbare) persoonlijke belevenissen betreft.

Reacties zijn gesloten.