Kinder-Lyck

Vondel (Vondelpark)
Vondel (Vondelpark)

Het eerste gedicht dat ik uit mijn hoofd leerde, was het “Kinder-lyck” van Joost van den Vondel: het grafschrift dat hij in 1632 of 1633 schreef na de dood van zijn zoontje. Thematisch is het niet heel bijzonder: de dichter troost zijn echtgenote door haar te zeggen dat het kind nu in de hemel is. Een door-en-door christelijk idee dat niet bepaald de originaliteitsprijs verdient – iets wat de dichter ook niet nastreefde.

Het knappe zit ‘m in het virtuoze taalgebruik: het gedichtje zit vol sprankelende binnenrijmen, die lijken te zijn geïnspireerd door een soortgelijk gedicht: “Animula vagula blandula” van keizer Hadrianus.

Constantijntje, ’t zaligh kijntje
Cherubijntje, van omhoogh,
D’ydelheden, hier beneden,
Vitlacht met een lodderoogh.

Moeder, zeit hy, waarom schreit ghy?
Waarom greit ghy op mijn lijck?
Boven leef ick, boven zweef ick,
Engeltje van ’t hemelrijck:

En ick blinck er, en ick drinck er
’t Geen de schincker alles goets
Schenckt de zielen die daar krielen,
Dertel van veel overvloets.

Leer dan reizen met gepeizen
Naar pallaizen, uit het slick
Dezer werrelt, die zoo dwerrelt.
Eeuwigh gaat voor oogenblick.

De oneven regels zijn een simpele afwisseling van beklemde en onbeklemde lettergrepen: vier trocheeën, om het in dichtersjargon te zeggen. Deze versmaat heeft een sterke cadans en maakt een snelle indruk. De even regels zitten anders in elkaar. Ze beginnen opnieuw met een trochee maar eindigen op een jambe, met daartussen een drielettergrepige versvoet, namelijk een dactylus in de tweede regel of een anapest in de vierde regel. In schema:

/∪   /∪   /∪   /∪
/∪   /∪∪   ∪/
/∪   /∪   /∪   /∪
/∪   ∪∪/   ∪/

De invoeging van een drielettergrepige versvoet jaagt het tempo nog verder op, wat het gedicht al met al een vrolijke toon geeft, en de lezer bijna dwingend meevoert naar de slotregel en conclusie.

[wordt vervolgd]

2 gedachtes over “Kinder-Lyck

  1. Johan De Wael

    Volgens mij gaat u het wat te ver zoeken: de even regels zijn mijns inziens eenvoudigweg gelijk aan de oneven, met één lettergreep minder:
    /∪ /∪ /∪ /∪
    /∪ /∪ /∪ /
    /∪ /∪ /∪ /∪
    /∪ /∪ /∪ /

    Op de woorden
    cherubíjntje, greit, schínker, paleízen, (2de regels)
    lódderoog, hémelrijk, óvervloeds, ógenblik (4de regels)
    moet duidelijk een zware klemtoon vallen, die in uw analyse ontbreekt.

  2. Ik beken dat ik onzeker was over dit stuk en deze reactie verwachtte. Nu ik er inderdaad mee wordt geconfronteerd, zie ik dan toch mijn fout: ik heb in de beschrijving van de tweede en vierde regel de typering van de drielettergrepige voet verwisseld (het staat er nu goed).

    Het punt is dat de nadrukken niet allemaal even hard zijn: het is niet helemaal een trocheïsch metrum, want in bijvoorbeeld “Cherubijntje, van omhoogh” zijn de eerste, derde en zevende lettergreep zwaarder benadrukt dan de vijfde. Dit geldt ook voor de corresponderende regels in de drie andere coupletjes. Mutatis mutandis hetzelfde voor de vierde regels… behalve de allerlaatste, die volmaakt trocheïsch is en dus de aandacht trekt.

    Kortom u heeft gelijk: het is te lezen als een trocheïsch metrum, maar er is met de even regels iets aan de hand dat ook beschreven kan worden door middel van een drielettergrepige voet. Ongetwijfeld zijn er metriek-professionals die dat beter kunnen beschrijven dan ik.

Reacties zijn gesloten.