De Germanen (6) Religie

Metalen godsbeeldje edelsmeedwerk  (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

[Dit is het laatste van zes blogjes over de oude Germanen. Het eerste was hier.]

Er zijn nog twee met elkaar verwante onderwerpen die ik ter afronding van deze reeks blogjes wil bespreken: de Germaanse religie en de “archaic survivals”. Over het eerste weten we te weinig en dus roepen wetenschappers het tweede in, maar ook daarmee zijn problemen. En om het helemaal complex te maken zijn er allerlei versteende theorieën die inmiddels niet meer als hypothese worden herkend en gelden als feit. Zo werd ooit gedacht dat alle religie was ontstaan als de verering van natuurkrachten, hoewel dat ten dele christelijke polemiek is (“alleen het monotheïsme is een zuivere religie, de heidenen vereerden valse goden zoals natuurverschijnselen”). De notie blijft echter terugkomen, en niet alleen in de germanistiek.

Ter zake nu. Wat weten we wel? Ik denk het volgende.

De Germaanse religie

We hebben wat geschreven bronnen en zoals altijd zijn dat Griekse en Romeinse teksten, die vreemde culten op hun eigen wijze interpreteren. Publius Cornelius Tacitus noemt de Germaanse goden dus Hercules, Mars, Mercurius en Isis, al kent hij ook wat Germaanse namen (bijv. Baduhenna). Auteurs als hij presenteerden bovendien een selectie die aansloot bij thema’s die zij belangrijk vonden. Het viel hun bijvoorbeeld op dat monumentale tempels, die rond de Middellandse Zee normaal waren, in Germanië ontbraken. Archeologen hebben dit in zoverre bevestigd dat ze  alleen weinig opvallende heilige ruimtes hebben geïdentificeerd; een enkele keer is de herinnering aan een Germaanse cultusplek bewaard als plaatsnaam, zoals in het Gelderse Herwen, *Harh-wiha, “heilige ruimte”. Archeologen hebben die heilige ruimte een paar jaar geleden teruggevonden.

Nauwelijks herkenbaar: een godsbeeldje (Landesmuseum, Bonn)

Een volk zonder tempels: dat was voor de Grieken en Romeinen het bewijs voor absolute barbarij. Dat precies dit gegeven is opgeschreven, dient dus de portrettering van de Germanen als anti-Romein. Om diezelfde reden is er veel aandacht voor mensenoffers: aan het begin van onze jaartelling citeert Strabon van Amaseia een oudere beschrijving (Poseidonios van Apameia?) en Tacitus doet het nog eens dunnetjes over. Tot de slachtoffers behoorden krijgsgevangenen. Veenlijken bevestigen de realiteit van zulke offers, maar wat onduidelijk blijft is hoe ze functioneerden, welke kosmische orde erdoor moest worden bewaard of hersteld.

We kennen de namen van enkele goden, maar weten weinig méér: het is als een christelijke heiligenkalender zonder legendes. De oppergod was in elk geval Wodan (Odin), die in de Romeinse bronnen werd gelijkgesteld aan Mercurius. We zouden Jupiter hebben verwacht, maar als dondergod was die gelijk aan Donar (Thor). Tîw was de Germaanse Mars, dus de god van vruchtbaarheid en oorlog. Nerthus was de naam van de aardgodin. Tacitus is er stellig over dat Isis werd vereerd en geleerden hebben haar gelijkgesteld aan de natuurgodin Freya, maar het is niet volledig uit te sluiten dat de Germanen via Griekse of Italische contacten de verering hebben overgenomen van deze van oorsprong Egyptische godin.

Wijding aan Hludana (Museum van Xanten)

Uit het Romeinse Rijnland – dus uit de marge van de Germaanse wereld – kennen we ongeveer 3000 inscripties met namen van Germaanse goden en godinnen, soms dubbel, zoals Mars Thingsus. Ze dateren merendeels uit de tweede en derde eeuw, en de goden die ik zojuist noemde (Wodan, Freya, Donar…), staan in de inscripties nergens vermeld. Een van de interessantere wél vermelde godheden is Hludana, waarvan Jacob Grimm opperde dat het de antieke voorganger is van het personage van Vrouw Holle. Die theorie is uit de mode geraakt.

Archaic survivals

Daarmee zijn we echter aangekomen bij het recentere bewijs: namelijk dat van de middeleeuwse bronnen en de archaic survivals in de latere volkscultuur. Wat betreft het laatste: er zijn in de negentiende eeuw nogal fantastische theorieën opgesteld, zoals dat Sinterklaas die te paard over de besneeuwde daken rijdt, eigenlijk Wodan is die op de achtbenige Sleipnir rijdt over de wolken. Merendeels zijn die theorieën verwezen naar het rijk der fabelen, maar misschien is men daar iets te snel mee geweest.

De Germaanse oppergod Wodan/Odin op zijn paard Sleipnir, op een steen uit Ardre (Zweden)

De middeleeuwse bronnen bieden ook wél solide informatie. Er zijn christelijke teksten, zoals de Utrechtse Doopbelofte, waarin de demonen staan opgesomd die dienen te worden afgezworen, en zo kennen we namen als Wodan en Donar. Dit zijn dus goden die pas in de Late Oudheid, toen Elbe-Germanen en andere oostelijke groepen westwaarts trokken, in onze contreien zijn aangekomen. Daarom staan ze niet in de oudere inscripties.

Een belangrijkste verzameling teksten komt van IJsland: de Edda. Een van de voornaamste auteurs is Snorri Sturluson, die rond 1200 allerlei oude verhalen heeft naverteld. Daarbij presenteerde hij de goden van weleer, zoals Wodan/Odin en Donar/Thor, alsof het mensen waren geweest, een vorm van presentatie die oudheidkundigen aanduiden als euhemerisme. Aan de Edda-teksten (en de Scandinavische sculptuur) danken we een groot deel van de Noordse mythologie.

Hoewel de Noordse goden dus niet corresponderen met die uit de inscripties, is de Edda-mythologie relevant. De Scandinavische talen zijn namelijk al heel vroeg los komen staan van de andere Germaanse talen, en enkele oeroude verhalen zijn in het hoge noorden bewaard gebleven. Weliswaar aangepast en bewerkt, maar het wereldbeeld dat we tegenkomen in de Scandinavische teksten, past bij wat we denken te weten over de continentale Germaanse samenleving. Ik stel me voor dat als een Nebisgast, om eens een Chamaaf te noemen, een verhaal over Odin zou hebben gehoord, hij het zou hebben herkend als onderdeel van zijn eigen cultuur. Uiteraard is dit speculatie mijnerzijds.

Ons verdwenen verleden

Sinds men rond 1500 in het hertogdom Gelre parallellen ging trekken tussen de Bataven en Gelre (en waarschijnlijk al eerder) zijn de Germanen “ons” verleden. Op Java verrees Batavia, we hebben een Bataafse Republiek gehad, Batavus Droogstoppel is ons nationale alter ego en ik rijd op een Batavusfiets. Er bestaat een krant die Tubantia heet en een noordelijke provincie associeert zich met de Friezen. Ik kom uit Apeldoorn, waar straten zijn vernoemd naar Germaanse volken. Onze overgrootouders hebben weliswaar nooit een Hermannsdenkmal opgericht, maar tot voor kort begon het geschiedenisonderwijs met de Bataven, Chamaven,  Chauken, Eburonen, Franken, Friezen, Nerviërs en Saksen.

Ze zijn de afgelopen kwart eeuw gereduceerd tot bijzaak in het canonvenster limes. En dat betreur ik. Weliswaar ligt mijn eigen belangstelling meer bij de culturen rond de Middellandse Zee, maar dat maakt me niet blind voor het onloochenbare feit dat voor Nederlanders en Vlamingen het allervoornaamste erfgoed Germaans is: onze taal. Dat kun je niet zomaar opgeven, want dan geef je een stuk weg van je eigen identiteit. Ik heb het idee dat we, door de eenzijdige nadruk die de laatste kwart eeuw is gelegd op het pan-Europese, Romeinse verleden, iets te veel van onszelf hebben prijsgegeven.

PS

Een schatkamer aan informatie over de Germaanse taal is Taaldacht. Samensteller Olivier van Renswoude plaatste daar ook een vertaling van de Beowulf. Wie meer wil weten over de Germaanse wereld, kan het beste met dat gedicht beginnen.


Saturnus Africanus (1)

augustus 8, 2025

Commodus

december 31, 2013
Deel dit:

12 gedachtes over “De Germanen (6) Religie

  1. FrankB

    “ons allervoornaamste erfgoed Germaans is: onze taal. ”
    Onze talen. Het zijn er vier, recente importtalen niet meegerekend.

    1. Erger nog: we hebben er in Nederland nog veel meer. Nederlands is de taal van de overheid, Fries en gebarentaal zijn erkende talen, en elders in het koninkrijk Papiaments en Engels. Binnen Nederland dan nog Limburgs en Saksisch, Romanes en Jiddisch. Minstens zes gaan terug op het Germaans.

      Hoe het in Vlaanderen precies zit, weet ik niet, maar ik kan West-Vlaams niet verstaan. En ik las ooit een interessant stuk over de vraag of de taal die in Noord-Frankrijk wordt gesproken, moet worden beschouwd als de eigen taal (maar die is dan marginaal) of als Vlaams (en dan legt die taal meer gewicht in de politieke schaal, maar is het de eigen taal niet meer).

      Het blijft politiek.

      1. Dirk Zwysen

        Dat is meteen ook de reden waarom Vlaanderen als officiële taal Nederlands heeft en niet Vlaams.

        In elk dialect zijn ook gradaties en sprekers schuiven op een spectrum afhankelijk van de context. Wanneer twee oudere West-Vlamingen met elkaar converseren, kan ik ook niet altijd volgen.
        Andersom, toen ik met mijn broers praatte aan een Amsterdamse tramhalte, fezelden twee dames naast ons:
        – “Weet jij welke taal dat is?”
        – “Ik denk Deens of Zweeds.”
        Ik snap het, Antwerpenaren herkennen heel wat klanken en woorden in Scandinavische crimi’s of in het Kölsch.

  2. Egbert B.

    Algemene vraag: enige tijd geleden stond hier in de Mainzer een oproep om 10 geliefde museumstukken (d.w.z. door de lezer geliefd) te noemen, die dan aandacht zouden kunnen krijgen.

    Als er nog gelegenheid is in te zenden, dan graag de link herhalen.

  3. Het is al met al bitter weinig wat we zo over de Germanen te weten komen. Middelen van bestaan, nederzettingspatronen, opvattingen, oorlog en vrede. De geschreven bronnen zijn kennelijk volstrekt ontoereikend, Maar hoe zit het met de archeologie? Het is toch redelijk goed bekend hoe in Europa de nadruk van jagen/verzamelen verschoof naar landbouw/veeteelt. Hoe vaste vestigingsplaatsen ontstonden. Johan Hendriks schrijft hier heel veel over. Of ze exo- of enogaam waren moet je met DNA-onderzoek kunnen nagaan, evenals hun verdere bewegeijkheid. Ik heb altijd gadcht dat germanen landbouwers waren die in kleine dorpjes leefden, en dan moet je kunnen terugvinden wat ze verbouwden. En zo voort.

    1. Ik lees op dit moment “ancestral journies” van Jean Manco. Dat gaat hierover. De Germanen komen ook aan bod, maar aan dat hoofdstuk ben ik nog niet toe. Ik zal erop terugkomen (tenzij Jona me voor is).

    2. Daar is best iets over te zeggen ja, maar eigenlijk vond ik dat niet zo interessant. Ik wilde vooral tonen dat het bewijsmateriaal asymmetrisch was en wat de problemen ermee waren.

      Er is ook het een en ander te vertellen over bijvoorbeeld de poëzie (stafrijm e.d.) en de naamgeving, maar het wordt allemaal zo gedetailleerd. Misschien een andere keer. Ik wil nog een paar jaar verder bloggen.

  4. Ben Spaans

    Natuurverschijnselen willen verklaren is nog steeds niet uit te sluiten als één van de factoren bij de evolutie van religie. Eén Van de factoren dus.
    (Een mij bekende cultureel antropoloog zei een keer dat goden aanvankelijk niet zo belangrijk waren ten opzichte van voorouders.)

    De Amerikaan Jackson Crawford heeft een kanaal voor Oudnoors en Oudnoorse religies en culturen en waaiert daarbij best uit, negen jaar aan video’s inmiddels, rustige niet-sensationele verteller, die ook nog opgeleid is in de materie https://youtube.com/@jacksoncrawford?si=Xfc6HHbMq64EWWin

    Het ontbreken van ‘duidelijke’ Germaanse goden in onze streken tot de ‘Volksverhuizingen’ roept de vraag op ‘Hoe Germaans was de bevolking hier eig…?’
    Hercules Magasanus=wie?

Reacties zijn gesloten.