De Germanen (5) Cultuur

Een gereconstrueerde Germaanse boerderij (Archäologisches Freilichtmuseum, Oerlinghausen)

[Dit is voorlaatste van zes blogjes over de Germanen. Het eerste was hier.]

Het moge na de vorige stukjes duidelijk zijn dat “de” Germanen vooral hebben bestaan in de fantasie van de Romeinen. Zij spraken over een onbeschaafde krijgerscultuur, terwijl ze in de praktijk wisten dat degenen met wie ze vochten, verdragen sloten en handel dreven, niet één volk vormden, maar een verzameling van verschillende stammen met verschillende levenswijzen. De Germanen tussen Rijn en Weser hadden een veel gevarieerder cultuur dan de Elbe-Germanen, terwijl de Germaanse talen uit het oosten (zoals het Gotisch) verschilden van het noordelijke Germaans. In het zuiden hadden Germaanse groepen zich gevestigd tussen de eerdere, Keltische groepen.

Het is dus gevaarlijk bloggen over “de” Germaanse cultuur. Daar komt nog bij dat er tussen de Jastorf-cultuur en de Late Oudheid volop veranderingen zijn opgetreden: wat bij de Germanen (ietwat misleidend) bekendstaat als de Romeinse IJzertijd, is feitelijk een proces, een ontwikkeling van een egalitaire naar een meer hiërarchische samenleving.

Een model van een Germaanse rivierboot (Museum für die Geschichte der Binnenschifffahrt, Duisburg)

De Germaanse cultuur

Eerst maar even dit: dat het Heilige Roomse Rijk een middeleeuwse supermacht was, heeft een simpele verklaring. Duitsland is agrarisch rijk en bezit ook nogal wat bodemschatten. Vanouds exporteerden de Germanen erts en barnsteen. Dat betekent tegelijk dat het ingeburgerde beeld van Germanië als een armzalig gebied van zompige moerassen en ondoordringbare wouden, onjuist is. Het gaat terug op Publius Cornelius Tacitus, die zo’n landschap nodig heeft om te “bewijzen” dat niemand naar dit land zou willen migreren en dat de bewoners dus autochtoon zijn.

Wat wél zo is, is dat de Romeinen de eerste Germanen die ze ontmoetten (de Kimbren en Teutonen dus) beschouwden als primitiever dan de Kelten, en dat correspondeert heel goed met het archeologisch bestand. Germanië kende toen een eenvoudige, egalitaire cultuur. De Tollundman, een veenlijk dat behoort tot de Jastorf-cultuur, droeg eenvoudige kleren en zijn laatste maaltijd kende weinig luxe, zelfs geen hapje jachtbuit. De Germaanse dorpen waren zo eenvoudig dat er geen palissade nodig was om rijkdommen te beschermen. Het omliggende land was collectief bezit, zoals in eigenlijk alle antieke samenlevingen.

Het hoofd van de Tollundman (Museum Silkeborg)

Romeinse auteurs waren verbaasd dat de Germaanse leiders, die min of meer ad hoc werden aangewezen als de nood aan de man was, werden beschouwd als koningen. Informele heerschappij was in Romeinse ogen namelijk geen echte machtsoefening. Het is pas later dat grotere nederzettingen ontstonden, zoals het tweede-eeuwse dorp dat onlangs in de omgeving van Bielefeld is opgegraven: dertig boerderijen van acht meter breed en dertig meter lang. Maar ook dat dorp, dat een zekere welvaart kende, had geen palissade nodig.

De enige écht grote Germaanse nederzetting was de hoofdstad die de Marcomannen aan het begin van onze jaartelling inrichtten in Bohemen. Maar juist dat is een gebied met een oorspronkelijk Keltische bevolking.

Reconstructie van een (vroege) Germaanse krijger (Landesmuseum, Bonn)

Oorlog

De geschiedenis van de Romeins-Germaanse betrekkingen is er, als we op de bronnen mogen afgaan, vooral een van oorlog en geweld. Dat de Germanen plundertochten organiseerden, zowel tegen Germaanse buurvolken als tegen de Romeinen, staat vast, en dat het er bloedig aan toe kon gaan, is eveneens een gegeven. Maar het beeld verdient nuance. Zoals in het vorige blogje aangegeven, dienden veel Romeinse oorlogen vooral om de keizer in staat te stellen zich te presenteren als veldheer en om bondgenootschappen te sluiten, waarmee het Romeinse leger bondgenoten verwierf.

Dat laatste werd belangrijker naarmate de tijd vorderde en ook de aard van de Germaanse troepen veranderde. Aanvankelijk waren ze uitgerust met weinig meer dan een speer. Pas later leerden de Germaanse smeden hoe ze zwaarden moesten maken en latere sagen maken wel duidelijk hoeveel prestige deze wapens hadden: ze hadden namen als Balmung, Dainsleif, Eckesachs, Gram en Mimung. De smid had bij de Germanen een speciale status – zie de sage van Wieland – en maakte niet alleen wapens maar ook edelsmeedwerk dat, naarmate de tijd vorderde, steeds complexer werd.

Reconstructie van een laatantieke Germaanse ruiter met Gefolgschaft (Landesmuseum, Bonn)

De Germaanse ruiterij die al ten tijde van Julius Caesar diende naast de Romeinse legioenen, was vermoedelijk gerekruteerd op de westelijke Rijnoever, waar later Germania Inferior en Germania Superior zouden worden ingericht. In het eigenlijke kerngebied lijkt de cavalerie pas later ontwikkeld te zijn, toen er ook verschil ontstond tussen een paardrijdende *kuningaz en zijn voetvolk. Zo’n Gefolgschaft was al georganiseerd en kon dus vrij makkelijk in Romeinse dienst treden. Deze huurlingen zullen, net als kooplieden, de noodzaak hebben ervaren zaken op schrift te stellen. In de tweede eeuw na Chr. ontstond zo het runenschrift.

[Wordt vervolgd]

PS

Als u zondag niets te doen hebt: in Museumpark Orientalis (bij Nijmegen) vindt het Laat-Romeinse Festival plaats, het oudste en gezelligste Romeinse festival van Nederland. Demonstraties van ambachten + re-enactors. Zaterdag was het gezellig.


Het teken van Jona (1)

februari 5, 2023

Caesar in Tarsos

mei 5, 2023
Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.