Antieke samenlevingen (3)

[Ik ben een paar dagen naar Libanon en geef het woord aan mijn collega Josho Brouwers, die ingaat op de typering van antieke samenlevingen. Deel een is hier en deel twee is daar.]

Ikzelf vind het zoeken naar kenmerken van een bepaald concept futiel. Onder postmoderne archeologen, antropologen en oudhistorici is er sinds de jaren negentig veelvuldig kritiek gekomen op dit zoeken naar (pseudo-Weberiaanse) archetypen. Je kunt je namelijk afvragen of het inpassen in classificatiemodellen wel recht doet aan de historische situatie. Dit heeft ertoe geleid dat er vooral veel nadruk kwam op de unieke kenmerken van samenlevingen (binnen de archeologie was dit een reactie op de zogenaamde processuele archeologie waarbij het juist ging, heel kort gezegd, om de algemene kenmerken van samenlevingen uit het verleden).

In de meest extreme vorm wordt de kritiek gekenmerkt door een zeer groot cultuurrelativisme. Je hoeft echter niet het gebruik van modellen direct van de hand te doen. Belangrijk is dat je beseft waar de modellen vandaan komen en wat de theoretische basis is voor die modellen. In het geval de Griekse polis kun je teruggaan naar de bron: polis betekent in het Grieks simpelweg gemeenschap – een oude Griek zou niet snappen waarom wij het begrip specifiek ophangen aan het woord “stadstaat” (wat is immers een stad en wat verstaan we onder een staat?).

De laatste twee decennia zijn er belangrijke boeken verschenen waarin het systeemdenken wordt bekritiseerd. Ik wil er een in meer detail bespreken, maar een ander boek wil ik toch even kort noemen. Dat is Chiefdoms and Other Archaeological Delusions (2007) van Timothy R. Pauketat, waarin de auteur de confrontatie aangaat met het gebruik van antropologische modellen in de archeologie. Zijn boek richt zich voornamelijk op de archeologische studie van Noord-Amerikaanse indianen en bevat enkele belangrijke observaties die u misschien zullen verbazen.

Maar voor een zeer goede inleiding op dit gebied raad ik u Adam T. Smith’s The Political Landscape: Constellations of Authority in Early Complex Societies (2003) aan. Dit boek is redelijk stevige kost, maar maakt het denken in typen op zorgvuldige wijze met de grond gelijk. Aan de hand van case studies laat hij zien dat het gebruik van vooral gedetailleerde modellen, zoals dat van Elman Service, vaak het juist interpreteren van archeologische gegevens in de weg zit. Belangrijker is het gebruik van relatieve termen en het maken van vergelijkingen.

Kijk maar eens goed naar de ondertitel van zijn boek, waarin melding wordt gemaakt van Early Complex Societies. Volgens Smith is het gebruik van termen als chiefdom of zelfs “staat” niet nuttig: daarmee wordt het eigen karakter van het studieobject min of meer onder het tapijt geveegd. Handiger is als we een samenleving beschouwen als meer of minder complex in relatie tot andere samenlevingen of binnen dezelfde samenleving langs een bepaald tijdspad, waarbij lokale en regionale vergelijkingen in hetzelfde tijdvak nuttiger zijn dan het streven naar universele waarden.

Op die manier hoef je dus in Egypte niet op zoek naar het chiefdom stadium. Je kunt dan volstaan door te zeggen dat langs de Nijl de samenlevingen van het vijfde tot en met het derde millennium v.Chr. zich ontwikkeld van minder complex naar meer complex, waarbij het gebruik van de term complexiteit natuurlijk moet uitleggen: het gaat daarbij om het aangeven van voor die specifieke cultuur belangrijke ijkpunten en kaders. Met andere woorden, het gebruik van redelijk ongespecificeerde terminologie maakt het noodzakelijk kritischer na te denken over de gebruikte theoretische kaders en termen. Dat kan alleen maar goed zijn.

Het boek van Smith kaart echter nog andere kwesties aan. Ik zal geen uitgebreid overzicht bieden, maar een aspect verdient toch wel wat aandacht vooraleer ik u met rust laat. We hebben hierboven gezien dat in het systeem van Service en het polis­-model dat Hansen zo aanhangig was, het vooral ging op het definiëren van oude samenlevingen aan de hand van opsommingslijstjes: chiefdoms herken je aan het bestaan van monumenten, aan proto-urbane nederzettingen, aan graven met rijke vondsten, enzovoort.

Dit zorgt er indirect voor dat archeologen en oudhistorici gaan denken aan de hand van symbolen. Een stadsmuur symboliseert de soevereiniteit van de nederzetting in kwestie; het zwaard in dit graf symboliseert dat de overledene een vooraanstaande man was. Maar Smith benadrukt dat dit te simpel is. Objecten en gebouwen zijn niet symbolisch, maar spelen een actieve rol. De soevereiniteit van die stad blijkt niet uit het feit dat het een stadsmuur heeft: de stadsmuur zelf draagt actief bij aan haar soevereiniteit. Dat zwaard in het graf symboliseert niet dat de overledene een man is en vooraanstaand was, maar droeg ongetwijfeld bij aan de weerbaarheid en vermoedelijk in relatieve zin verheven status van deze persoon (die niet eens per se een man hoeft te zijn geweest – hoewel men doorgaans botonderzoek laat zitten als er wapens gevonden worden).

Belangrijk is dat u altijd moet opletten als u een tekst leest waarin zonder blikken of blozen iets wordt getypeerd aan de hand van dit of dat model. Als u leest dat de Kelten in Gallië in chiefdoms leefden, dan zou er direct een alarmbel moeten rinkelen: de uitspraak is generaliserend. Wat vertelt het ons in feite over hoe de Galliërs leefden? Het antwoord is: weinig. Niet zelden gaat het hier om classificatiesystemen die verworden tot stereotypen, waarbij het het gebruik van modellen niet langer verklarend werkt, maar verwarrend. Het bewijsmateriaal wordt dikwijls geweld aangedaan omdat theoretisch niet goed onderlegde archeologen/historici – en dat zijn de meeste – denken dat het bewijs altijd passend moet worden gemaakt aan het model, in plaats van andersom.

Daarmee wil ik niet zeggen dat het gebruik van modellen geheel overboord moeten worden gegooid, maar we moeten er wel kritischer mee om springen. Als je al een specifiek model gebruikt, doe je dit omdat je daarmee de oude samenleving in kwestie beter kunt begrijpen, of omdat je niet beter weet?

2 gedachtes over “Antieke samenlevingen (3)

  1. mnb0

    “denken dat het bewijs altijd passend moet worden gemaakt aan het model,”
    Hier gaat elke natuurwetenschapper van steigeren.

    http://quotes.cat-v.org/science

    Richard Feynman:
    “Progress in science comes when experiments contradict theory.”
    Je bewijs aanpassen aan het model betekent stagnatie.
    Op het moment kan ik het niet terugvinden. In één van zijn lezingen zegt Feynman (ik parafraseer): “Het doet er niet toe groot je autoriteit is, het doet er niet toe hoe mooi je theorie is – als een feit je theorie weerlegt is je theorie fout.”

    Als er in Egypte dus geen chiefdoms te vinden zijn is de interessante vraag waarom niet. Van het antwoord daarop leren we iets.

    1. Josho Brouwers

      Het probleem is dat sommige geesteswetenschappers geen idee hebben hoe je eigenlijk wetenschap moet bedrijven. Diegenen die zich met de klassieke wereld bezighouden (en vooral oudhistorici in dit geval, maar zeker niet uitsluitend!) hebben in mijn ervaring het idee dat theorie niet nodig is wanneer er voldoende bewijs is (en vooral wanneer er teksten beschikbaar zijn).

      Om dan “wetenschappelijk” over te komen maakt men dan gebruik van modellen waarbij men er van uit gaat dat die modellen kloppen (die zijn immers “wetenschappelijk”) en dat de data daar dus in moet passen. Het klinkt te dom voor woorden en dat is het ook. Maar je komt het keer op keer weer tegen en aangezien de meeste van hun “peers” even onderontwikkeld zijn op theoretisch vlak valt het niemand op.

      Een enkeling maakt trouwens gebruik van antropologische parallellen, maar dáár komt gek genoeg vaak wel kritiek op: vergelijkend onderzoek is voor de klassieke oudheid iets van een faux pas — wederom gebrek aan kennis speelt hier een belangrijke rol. Men wordt niet breed genoeg opgeleid.

Reacties zijn gesloten.