
In het vorige blogje introduceerde ik de Derde Satire van Juvenalis (ca.60 – ca.135), waarin de dichter het leven hekelt in de woonwijken van Rome. Het door Juvenalis opgevoerde personage had een hekel aan buitenlanders, maar dat was niet zijn enige bezwaar tegen de grote stad. In het vervolg beschrijft Juvenalis de rest van de stedelijke ellende, zoals het lawaai. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.
…Het volk
lijdt hier, ja sterft aan slaapgebrek, een kwaal
die gepaard gaat met slechte spijsvertering
en zuur en maagkramp, omdat huuretages
geen slaap gedogen. Nachtrust is in Rome
slechts rijkelui gegund. Vandaar die kwalen…
Het wielgeratel in de kronkelstraten,
het schelden van het opgepropt verkeer
houdt Jan en alleman wakker.
Dit is nauwelijks overdreven. Juvenalis’ tijdgenoten hebben vaak dezelfde klachten. De nachtelijke geluidshinder werd in de hand gewerkt door een wet die verkeer verbood in Rome te komen tussen zonsopkomst en de late middag. (Dat een uitzondering werd gemaakt voor het wegbrengen van afval, zegt veel over de precaire hygiënische omstandigheden.) Het voordeel van deze wet was dat de straten overdag beschikbaar waren voor andere bezigheden, hoewel ook daaraan nadelen kleefden. Dat blijkt uit het incident waar ik eerder over blogde: een slaaf die zich liet scheren werd gedood toen iemand die daar aan het ballen was, de bal per ongeluk wierp op de hand van de barbier.
Juvenalis’ personage beklaagt zich verder over de drukte in de straten. Ook al is dit satire en mogen we deze woorden niet zomaar lezen als objectieve weergave van de feiten, andere bronnen bieden weinig informatie die Juvenalis tegenspreekt:
En als een rijke vent zijn plicht moet doen,
kan hij per draagstoel gaan op hoog niveau,
ver boven het gepeupel dat wel wijkt
terwijl hij leest of schrijft of fijntjes indut,
want achter die gordijntjes slaap je zo.
Zo’n rijkaard – slaap of niet – is altijd eerder,
maar ik stuit inmijn haast steeds op een horde
pal voor me uit, en ook van achteren worden
ze lastig met hun elleboog of staak;
soms krijg ik planken naar mijn kop of emmers!
Modder spat tot mijn knieën en hoe vaak
staat iemand op mijn voet, of boort opeens
de spijker van een vechtlaars doormijn teen.
En dan die walm, wanneer een picknickclub
passeert: wel honderd man met eigen keuken;
een stakker van een slaaf rept zich met potten
in stapels op zijn hoofd en houdt bij ’t gaan
ook nog een vuurtje wakker. Dat presteert
niet iedereen.
Met de picknickclub is een begrafenisvereniging bedoeld. De meeste Romeinen waren te arm om een privébegrafenis te betalen en werden daarom lid van zo’n organisatie.
En krats! daar scheurt een jas
– pas van de naaister – want er moet een kar door
met puntig sparrenhout, en daar nog meer
met pijnboomstammen die vervaarlijk zwiepen.
Stel, dat zo’n wage nmet Ligurisch marmer
gaat kiepen en zijn vracht uitstort op ons!
Wat denk je dat er van ons wordt? Geen spoor
van armen, benen, botten, niets! Verpletterd
gaat in één zucht de kleine man teloor.
Thuis weten ze van niets, ze wassen borden,
blazen het vuur wat op, de krabbers worden
bij ’t bad gelegd met oliefles en handdoek.
Je hoort ze bezig, maar meneer vertoeft
reeds aan de Styx als jongste schim, vol huiver
voor Charons grimgelaat en ziet zich reeds
de modderige overtocht ontgaan,
omdat zijn arme ziel geen stuiver meekreeg.
Deze passage bevat een dubbele bodem. We constateerden al dat de spreker in deze satire een hekel heeft aan de Grieken in zijn stad, terwijl uit de laatste vijf regels van dit citaat blijkt dat hij geloof hecht aan de Griekse mythe dat de doden een muntje moesten betalen aan de veerman Charon, die hen de dodenrivier Styx overzette. Volgens deze opvatting zou een schim zonder geld nooit rust vinden. Afgezien van een handvol dichters die zich bedienden van de Griekse vormentaal, waren slechts weinig Romeinen in die mythe geïnteresseerd. De vreemdelingenhaat van Juvenalis’ spreker, die een Grieks religieus gebruik aanvaardt, is dus nogal hypocriet.
Maar er dreigt meer nog!
Denk maar eens, hoe ’s nachts
een dakpan van heel hoog jouw hersenpan
ontmoeten kan, hoe vaak kapotte kruiken
’t raam uitvliegen en met volle kracht
de stoep beschadigen. Je bent wel stom
of heel naïef, wanneer je gaat dineren
zonder een testament op zak, want ’s avonds
kan ieder open venster, waar nog licht is,
je noodlot zijn, als jij daar loopt te lopen!
Heus, je mag blij zijn en de hemel danken
wanneer ’t blijft bij lege schalen smijten.
Dit is een vrij accurate beschrijving van de werkelijkheid. Romeinse juristen hebben al hun vernuft aangewend bij het opstellen van regels om de hoogte van schadevergoedingen te bepalen voor degene die werd getroffen door iets wat uit het raam van een woonkazerne was geworpen. De volgende passage van de jurist Ulpianus becommentarieert het Edict van de praetor, een tekst die vergelijkbaar is met ons Wetboek van Strafrecht:
Indien iets naar beneden geworpen of gegoten is op een plaats waar gewoonlijk veel verkeer is of waar men zich pleegt op te houden, zal ik tegen de bewoner een actie verlenen voor het dubbele van de daardoor veroorzaakte of aangerichte schade. Als gesteld wordt dat door hetgeen naar beneden viel een vrij man is omgekomen, zal ik een actie voor vijftig goudstukken verlenen. Als de betrokkene het heeft overleefd, maar gesteld wordt dat hij er schade bij opgelopen heeft, zal ik een actie verlenen voor een zodanig bedrag als het de rechter billijk voorkomt.noot
In het vervolg van zijn satire noemt Juvenalis nog een straatgevecht, en ook die moeten frequent zijn voorgekomen. Suetonius schrijft dat keizer Augustus er plezier aan beleefde te kijken naar de knokpartijen in de steegjes. noot
Om de orde te handhaven, lagen in Rome enkele onderdelen van de Praetoriaans Garde (samen 4000 man) en de bereden lijfwacht (1000 overwegend Bataafse ruiters). Verder waren er 3000 nachtwakers en 3500 stadswachten. Dat wil zeggen dat één op de 85 Romeinen een politiefunctie had (in een moderne Europese stad is dat één op 200). Nog was dat niet genoeg: keizer Septimius Severus voegde er een compleet legioen van 5300 man aan toe, II Parthica.
Rome was een stad, zeg ik bij wijze van conclusie, maar wij zouden er weinig menselijks in herkennen.
Zelfde tijdvak
De tweede broodvermenigvuldigingfebruari 1, 2026
Joods monotheïsmemaart 17, 2013
Epiktetos (2): Zijn biografiedecember 25, 2023

Een Romeinse begrafenisverzekering! Nooit bij nagedacht. En dat soort informatie maakt Mainzer Beobachter zo ongelofelijk interessant.
Wat leuk! Jaren geleden alweer heb ik voor een pensumvak Latijn de derde satire van Juvenalis moeten vertalen. Hier mijn eigen teruggevonden vertaling van 3.239-277:
‘Als de plicht roept, gaat de menigte aan de kant wanneer een rijke
vervoerd wordt en voorbij gaat boven hun gezichten in een enorme Liburniër
en onderweg leest of schrijft of erin slaapt;
want een draagstoel met een gesloten raam zorgt voor slaap,
toch komt hij er vóór aan: terwijl wij ons haasten houdt een eerdere golf
ons tegen, het volk drukt op mijn onderrug met een grote stoet
die volgt; deze steekt zijn ellenboog uit, de één stoot met een harde
paal, maar de ander slaat een balk tegen mijn hoofd, hij een kruik.
mijn benen vet met modder, wordt ik spoedig overal vertrapt door een grote
zool, en de spijker van een soldaat steekt in mijn teen.
Zie je niet met hoeveel rook een uitdeling gevierd wordt?
Honderd gasten, ieder gevolgd door zijn eigen keuken.
Corbulo kan nauwelijks zoveel enorme pannen dragen, zoveel dingen
geplaatst op zijn hoofd, die het ongelukkige slaafje met rechte
kruin draagt en met zijn wandel het vuur aanwakkert,
onlangs gehechte tunieken worden gescheurd, een lange zilverspar
schudt in een aankomende kar, en meerdere anderen
vervoeren een dennenboom; ze wankelen en dreigen hoog boven het volk.
Want als de as die Ligurische rotsen draagt
buigt en een omgekeerde berg over de stoet uitstort,
wat blijft er dan over van lichamen? Wie vindt er ledematen, wie
botten? Elk zonder onderscheid geplet kadaver vergaat
naar de gewoonte van de ziel, intussen wast het huishouden reeds onbezorgd
de borden en spoort de vuurkorf aan met de wangen en laat de geoliede
strigiles klinken en vouwt de linnen bij een gevuld oliekruikje.
Te midden van deze dingen haasten de jongens zich met verschillende dingen.
Maar hij zit reeds op de oever en schrikt als nieuwkomer hevig van de
smerige veerman en hij heeft geen hoop op de els van de modderige gorgel,
de ongelukkige, aangezien hij geen triëns in zijn mond heeft om te geven.
Kijk nu naar de andere en verschillende gevaren van de nacht:
wat een ruimte is er tot de sublieme daken waarvandaan een tegel
je hoofdtop inslaat, hoe vaak vallen gebarsten en gebroken
vazen uit ramen, met hoe groot gewicht markeren en
kwetsen ze het gestoten trottoir, je kan voor onvoorzichtig gehouden worden
en onbehoedzaam voor plotselinge ongelukken, als je naar de maaltijd
gaat zonder je testament op te stellen: er zijn zozeer zoveel doodsoorzaken,
als er die nacht wakkere ramen openstaan terwijl jij voorbij gaat.
je moet dus wensen en je ongelukkige wens met je mee dragen,
opdat ze tevreden zijn hun brede kommen uit te storten.’
Weer interessant! over het leven in het mooie maar smerige oude Rome.
Maar wie wil weten hoe het nog maar kortgeleden in Nederlandse steden was, leze Koninkrijk vol sloppen – achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (Auke van der Woud).
En heden ten dage kun je nog een en ander meemaken in sloppenwijken in andere landen. De WHO stelt dat nog maar 60 % van de wereldbevolking adequate sanitaire voorzieningen heeft. Een land dat ik wat beter ken, Ghana, komt op 20 %.