De wereldondergang volgens Johannes

Alexander als kosmokrator: maansikkel, sterren, en hijzelf als zon (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, Brussel)

Om mijn wekelijkse stukje over het Nieuwe Testament maar met een gemeenplaats te beginnen: een boodschap bestaat uit een kern en een omhulsel. Als ik zeg “de zon komt op”, weet u perfect wat de boodschap is: het is licht aan het worden. Dat is de kern. Tijdens onze conversatie delen we daarnaast een omhulsel van culturele noties. U en ik weten bijvoorbeeld allebei dat het niet letterlijk de zon is die opkomt, maar de aarde die roteert onder een statische zon. Het omhulsel bevat dus de notie dat we de woorden “de zon komt op” niet letterlijk mogen nemen, ja dat het tegengestelde wordt bedoeld van wat feitelijk is gezegd.

Een van de problemen van de oudheidkunde is dat we het omhulsel niet goed kennen. Daarom is een antieke tekst nooit zomaar een antieke tekst. Daarom ook kun je nooit zomaar woord-voor-woord vertalen.

Wereldbrand

Twee weken geleden, toen ik beschreef hoe de auteur van de Tweede Brief van Petrus zich de ondergang van de wereld voorstelde, legde ik uit dat hij daar een vorm kiest die hij deelde met de stoïcijnen: de ekpyrosis, de wereldbrand. De auteur ging ervan uit dat zijn publiek dat zou begrijpen. Het was het gedeelde culturele omhulsel. En omdat we wel wat weten over de stoïcijnen, denken we dat wij het ook ruwweg begrijpen, al kan één papyrusvondst de zaken op z’n kop zetten.

Het Nieuwe Testament bevat nog meer teksten over de wereldondergang, zoals de Openbaring van Johannes. De auteur deelt een wereldbeeld met zijn publiek en wij kunnen, als we de tekst lezen, niet abstraheren van dat omhulsel. Eerst maar even wat de wereld – althans volgens Johannes – te wachten staat.

Er kwam hagel en vuur, gemengd met bloed, en dat werd op de aarde geworpen. Een derde deel van de aarde brandde af, evenals een derde deel van de bomen en al het groen.noot Openbaring 8.7; NBV21.

Het zeewater werd bloed, als het bloed van een dode, en alle wezens die in zee leefden kwamen om.noot Openbaring 16.3.

Er kwam een zware aardbeving, zo zwaar als nog niet was voorgekomen sinds er mensen op aarde waren; verschrikkelijk was die aardbeving. De grote stad viel in drie stukken uiteen en de steden van alle volken werden verwoest. Het grote Babylon moest het ontgelden.noot Openbaring 16.18-19.

Verder lezen we dat de zon verzengend gaat stralen en de mensen zal verbranden. Trouwens, ook de Eufraat valt droog, wat onvoordelig uit kan pakken voor de Romeinse rijksverdediging, want zo is “de weg vrij voor de koningen uit het oosten”.noot Openbaring 16.8, 16.12.

Een nieuwe wereld (gedeeltelijk)

Deze beelden zijn niet ongebruikelijk. In de joodse literatuur wemelt het van de pek-en-zwavel-taferelen. Logisch dus dat er overeenstemming is met 2 Petrus. Maar er is een verschil. Johannes kent na de wereldondergang een vervolg.

Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij, en de zee is er niet meer.noot Openbaring 21.1.

Ik vind dit een van de mooiste regels uit de hele antieke literatuur. Je leest immers liever dat de beproevingen van de laatste dagen op een bepaald moment voorbij zijn dan dat het voorgoed voorbij is. Johannes wijdt na deze regel nog even uit over een nieuw Jeruzalem, en ook dat is geen onbekend motief in de joodse letteren. Maar wat bedoelt Johannes?

De cruciale passage is dat de zee er niet langer is. De eerste hemel wordt vervangen door een nieuwe hemel en de eerste aarde maakt plaats voor een nieuwe, maar er is geen nieuwe zee. De zee van Johannes is dan ook geen gewone zee. Het is de oervloed, die u kent uit Genesis 1:

In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en doods, duisternis lag over de oervloed, en over het water zweefde Gods geest.noot Genesis 1.1.

Dit was destijds een gangbare culturele notie. Alle oude volken hadden ideeën over een oerzee; de Mesopotamiërs noemden die abzu, de Grieken verbasterden dat tot abyssos en noemden die toestand chaos. Die oerwereld was duister en doods. De Egyptenaren wisten de plek aan te wijzen waar het eerste land boven de oervloed was verrezen. Joodse apocalyptische teksten als Daniël wisten dat er ook monsterlijke gedrochten uit die zee konden komen, die wereldrijken symboliseerden.noot Daniël 7. Als er geen nieuwe zee is, is feitelijk gezegd dat de chaos voorbij is. De orde wordt hersteld.

Wiens orde?

Er is nog een andere culturele notie relevant om te begrijpen wat Johannes bedoelt. Al sinds Alexander de Grote zich had laten vereren als kosmokrator, “universeel heerser”, kende de Griekse wereld het concept van één wereldheerser. Het idee kan uit het Nabije Oosten zijn overgenomen, waar vorsten al langer titels voerden als “heer van de vier windstreken” en “koning van alle landen”. In Egypte gold de farao als degene die de gehele mensheid vertegenwoordigde vis-à-vis de goden. Toen Johannes de Openbaring schreef, bekleedde keizer Domitianus deze positie.

Voor een jood kon dat natuurlijk niet. De enige heerser was God. Wat Johannes en zijn publiek deelden, was het idee dat het Romeinse Rijk de macht op aarde had geüsurpeerd. Als de wereld ten onder gaat, is dat dus niet letterlijk bedoeld, maar is bedoeld dat de Romeinse orde, die dus feitelijk een wanorde is, zal ophouden te bestaan. De joden, die in 70 na Chr. hun tempel hadden verloren, hadden alle reden om te verlangen naar een nieuw Jeruzalem.

Kortom, waar 2 Petrus het echt heeft over een wereldondergang, benut Johannes een vergelijkbare beeldentaal om iets te zeggen over imperialisme. U leest meer over deze materie in het boek dat ik twee weken geleden al noemde: Hemels groen van Matthijs de Jong en Cor Hoogerwerf. Volgende week wil ik eens kijken naar een ander aspect van het wereldeinde: de komst van de Mensenzoon.

[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]


Synopsis

april 3, 2020

Romeins bestuur

mei 22, 2017

Hercules Magusanus

juli 17, 2025
Deel dit:

4 gedachtes over “De wereldondergang volgens Johannes

  1. Dirk Zwysen

    Dat is inderdaad een opvallend verschil tussen ons en de mensen uit de oudheid. Wij hebben doorgaans positieve connotatie bij al dat water: natuurpracht, vakantie. Als we er niet naast wandelen, willen we erin zwemmen, zeilen, surfen… Romeinen, hoewel bewoners van een schiereiland, hadden weinig met de zee.
    Over de connotatie zee-oerchaos: Wanneer Seneca in de Apocolocyntosis Claudius’ spraak belachelijk maakt, zegt hij dat zijn stem lijkt op geen enkel landdier, maar op het geluid van een “belua”, een beest uit de diepte. Hees en “implicata”: verward, in de knoop met zichzelf, zoals de wereld voor er orde in werd aangebracht.
    Vergelijk dat met hoe Claudius’ moeder volgens Suetonius haar zoon omschrijft:

    “portentum eum hominis dictitabat, nec absolutum a natura, sed tantum incohatum”

    “Ze noemde hem vaak een kladversie voor een mens, door de natuur begonnen maar niet afgewerkt.”

    1. Johan Thibaut

      Het boek dat de omdlag can negatief naar positief denken over zee en kust beschrijft is “Verlangen naar de kust” van Alain Corbin. Een absolute aanrader!!! Gebeurde tweede helft 18e eeuw, en wordt aanschouwelijk gemaakt door de eerste zeebadplaatsen in Europa : Brighton en Heiligendamm ( eerste continentaal Europa). Fascinerend …!

  2. Dirk Zwysen

    Verder (of hoger) op dat pad: “Hoogtekoorts” van Robert Macfarlane over hoe de bergen van woest, dreigend en te mijden evolueerden naar een oord van ontspanning waar mensen met plezier hun leven wagen.

Reacties zijn gesloten.