Tacitus’ Germanen (4)

[Onder de onheilspellende titel In moerassen en donkere wouden heeft de Nijmeegse classicus Vincent Hunink vertalingen samengebracht van alle teksten die de Romeinse historicus Tacitus wijdde aan de Germanen.

Daarover valt een hoop te zeggen. Dit is het vierde van zeven à acht stukjes, waarmee ik u wil verleiden dat boek te lezen. Het is namelijk echt interessante materie. En nee, ik krijg voor deze blogstukjes – net als voor mijn reeksen over de Historia Augusta en Het leven van Apollonius – geen commissie.]

Publius Cornelius Tacitus – over zijn voornaam bestaat onduidelijkheid – stamde uit een rijke familie, misschien uit het zuiden van Frankrijk. Hij werd geboren rond 55 n.Chr. en ontving de scholing die destijds paste bij iemand van zijn stand: een redenaarsopleiding. Een heer nam zijn verantwoordelijkheid voor de gemeenschap en speelde een rol in het bestuur van zijn stad of provincie, en moest dus kunnen spreken in het openbaar, zeker als hij hogerop ging en een positie kreeg in het rijksbestuur. De beste scholen waren in Rome en misschien heeft de jonge Tacitus, zo’n veertien jaar oud, het Vierkeizerjaar meegemaakt in de hoofdstad, zodat hij uit ervaring wist wat het betekent als het overheidsgezag instort.

Hij dankte zijn loopbaan aan de winnaar van de burgeroorlog, Vespasianus (r. 69-79), en bekleedde verschillende ambten onder diens zoons Titus (r. 79-81) en Domitianus (r. 81-96). Als oud-magistraat was hij lid van de Senaat, een college dat weliswaar veel van zijn traditionele macht had verloren, maar een bolwerk was van oude tradities en ideeën: het imperium behoorde te groeien, barbaren dienden te worden onderworpen,  de beschaving moest zich kunnen verspreiden. Veroveraars als Drusus en Germanicus hadden zich daaraan gehouden, maar de genoemde idealen waren niet langer in de mode. Ervaren generaals als Tiberius en Vespasianus wisten dat niet elke verovering lonend was en begrepen dat dreiging alleen uitgaat van levende soldaten. Met  afschrikking en diplomatieke middelen viel meer te bereiken. Tacitus lijkt dit nooit
echt te hebben begrepen.

Zijn carrière leed niet onder zijn gebrekkige strategische inzicht. In 88 bekleedde hij het prestigieuze ambt van praetor en hij zal, zoals na een praetorschap gebruikelijk was, een legioen hebben gecommandeerd of een provincie hebben bestuurd. Sommige onderzoekers menen dat hij gouverneur was van Belgica en dat hij daar belangstelling kreeg voor de Germanen, maar bewezen is dit niet.

Misschien was hij blij uit Rome weg te zijn, want de relatie tussen Domitianus en de Senaat verslechterde met de dag. Tacitus hield de keizer echter te vriend en werd voor het jaar 97 benoemd tot consul: het hoogste ambt in het Romeinse Rijk.

Toen hij aantrad, was zijn beschermheer al niet meer in leven. Domitianus was in 96 vermoord, en de Senaat had als keizer de oude Nerva aangewezen. Even dreigde een burgeroorlog zoals in 69, maar de wil om die te vermijden overheerste. Nerva wees de commandant van een van de Rijnlegers, Trajanus, aan als zijn opvolger. Het imperium was aan een ramp ontsnapt, maar dat laat onverlet dat de carrières van Domitianus’ zichtbaarste protegés stagneerden. Tacitus bekleedde na zijn consulaat lange tijd geen hoge ambten meer.

Tegen deze achtergrond publiceerde Tacitus in 98 of 99 zijn eerste tekst: een biografie van zijn schoonvader Gnaeus Julius Agricola, de veldheer die de Romeinse macht over vrijwel heel Brittannië had weten te verbreiden, maar door Domitianus was teruggeroepen voordat hij – zo meende Tacitus – ook het laatste stuk had kunnen veroveren.

Behalve een levensbeschrijving van een net-niet-succesvolle commandant is de Agricola ook Tacitus’ apologie. Een heer van stand had maatschappelijke verplichtingen die hij niet kon ontlopen, is zijn boodschap, ook niet als hij daarmee een tiran leek te dienen. Agricola (lees: Tacitus) had zijn verantwoordelijkheid genomen. We vinden een soortgelijk portret in Tacitus’ Annalen, waarin we lezen hoe Germanicus zijn plicht met ere vervulde en op het punt stond Germanië opnieuw te onderwerpen toen de door Tacitus als tiran getypeerde Tiberius hem terugriep.

Germania Capta
Germania capta

Tacitus’ tweede publicatie was de Germania. Opnieuw probeert de auteur zich van Domitianus te distantiëren. Op het eerste gezicht is het een etnografische schets van de bewoners van het “vrije” deel van Germanië, die worden getypeerd als barbaren die genieten van een aan chaos grenzende vrijheid. Elke Romeinse lezer moet hebben begrepen dat het voor hun eigen bestwil was als deze woestelingen werden onderworpen. Diezelfde lezer zal zich hebben herinnerd dat Domitianus een oorlog tegen de Chatti had gevoerd en moet de munten hebben gekend waarmee de overwinning werd herdacht: Germania capta, stond erop te lezen, “Germanië onderworpen”. Door te benadrukken dat de Germaanse stammen nog altijd vrij waren, toonde Tacitus aan dat Domitianus een leugenaar was geweest.

Het lijkt er niet op dat Tacitus zo de sympathie van keizer Trajanus won, want voor zover bekend heeft hij vijftien jaar lang geen openbare ambten bekleed. Deze loopbaanstagnatie kan ook andere oorzaken hebben, maar de lacune is opvallend. Wel publiceerde hij rond 105 een Dialoog over de welsprekendheid, waarin hij betoogde dat de bloei van deze vaardigheid duidde op grote politieke onrust, terwijl haar neergang wees op bestuurlijke stabiliteit, die de bloei van andere kunsten mogelijk maakte.

Tacitus' grafsteen (Thermenmuseum, Rome)
Tacitus’ grafsteen (Thermenmuseum, Rome)

Rond 110 verscheen Tacitus’ eerste grote werk, de Historiën. De overgeleverde vijf boeken bieden een bloedstollend verslag van het Vierkeizerjaar, de Bataafse Opstand, de Joodse Opstand en Vespasianus’ coup; de verloren negen volgende boeken moeten een overzicht hebben geboden van de regering van deze keizer en zijn twee zonen Titus en Domitianus.

Het overgeleverde gedeelte maakt duidelijk dat ook in dit werk de vraag aan de orde kwam hoe een man van eer moest handelen. De vier belangrijkste personages uit het verslag van de Bataafse Opstand zijn zorgvuldig geportretteerd: de Bataafse leider Civilis is de nobele wilde die in opstand komt tegen een tiranniek imperium, de Romeinse veldheer Hordeonius Flaccus belichaamt de Romeinse decadentie, legioencommandant Vocula representeert standvastigheid en generaal Cerialis toont hoe, als het Romeinse Rijk eenmaal solide wordt bestuurd, zelfs een excentriekeling in staat is tot grootse daden. We mogen aannemen dat Tacitus in de ontbrekende boeken een soortgelijke troupe heeft opgesteld toen hij schreef over Domitianus’ Chattische veldtocht.

In 112 of 113 was Tacitus gouverneur van Asia, een provincie waarover hij in zijn Agricola had opgemerkt dat ze zich makkelijk liet uitpersen. Na terugkeer zette hij zich aan het schrijven van de Annalen, die hij kort voor zijn dood publiceerde, zo rond het jaar 120. In zestien boeken, waarvan er acht volledig en vier gedeeltelijk zijn overgeleverd, beschrijft hij de regering van Tiberius, Caligula, Claudius en Nero, alsmede het begin van de heerschappij van Galba. Opnieuw ontmoeten we senatoren die tegenover tirannen staan, zoals de filosoof Seneca en Nero. En opnieuw is het Rijngebied een van de voornaamste tonelen van het historisch drama.

[wordt ook morgen weer vervolgd]