Stel, je spreekt met de pers…

[Afgelopen maandag sprak ik in Gent over wetenschapsscepsis, de Oudheid en voorlichting. Ik legde uit wat ik op deze kleine blog al vaker heb verteld: de oudheidkunde moet zich professioneel, dus op drie niveaus, uitleggen. Zolang ze dat niet doet, zal ze zichzelf verder marginaliseren. Aan het einde van mijn praatje had ik nog wat tips voor oudheidkundigen die met de pers te maken krijgen. Misschien heeft ook iemand anders er wat aan: vijf dingen om te doen en vijf dingen om te laten.]

***

Wel doen 1. Zorg dat je in de telefoon staat van goede wetenschapsjournalisten

De pers is weliswaar kritisch (althans, dat zou zo moeten zijn) maar heeft hetzelfde doel als de wetenschap: zo snel mogelijk zo veel mogelijk mensen zo accuraat mogelijk informeren. Die journalist heeft soms wat rare grillen, stelt vaak onverwachte vragen en legt altijd andere accenten dan jij als onderzoeker, maar is ook in staat een vertaalslag te maken naar het grote publiek. Als je iets nieuws te melden hebt, kan hij ervoor zorgen dat het snel bekend wordt; als er problemen zijn, kan hij nuance terugbrengen in de beeldvorming.

Er is weinig méér nodig dan het uitwisselen van mailadressen, af en toe een babbel bij een biertje en telefonische bereikbaarheid – mobiele telefonische bereikbaarheid wel te verstaan. (Wetenschappers beseffen vaak niet half hoe snel journalisten soms moeten zijn.)

Wel doen 2. Ken je verhaal, medium, journalist en doelgroep

Zorg dat je weet wat je wil vertellen. Als je een interview voorbereidt, zorg dan dat je de cijfers klaar hebt liggen, wijd alvast een gedachte aan goed beeldmateriaal, bedenk welke vragen je kunt verwachten, selecteer drie of vier onderwerpen die je belangrijk vindt en geneer je niet die vooraf hardop te repeteren. Je kunt niet elke vraag voorspellen en zult niet alles kwijt kunnen, maar je zorgt ervoor dat je je verhaal gestructureerd overbrengt.

Ken je medium: De Telegraaf heeft een andere benadering dan De Volkskrant en Het Laatste Nieuws zal stof anders presenteren dan De Standaard. Denk verder aan de doelgroep: is die hoogopgeleid, leg dan ook uit hoe je een resultaat hebt bereikt. Bedenk dat er een verschil is tussen een algemene journalist en een vakjournalist. Voel je overigens altijd vrij een slechte vraag onbeantwoord te laten, mits je uitlegt waarom het niet klopt. En o ja, je bespaart jezelf dubbel werk als je de journalist wat vakliteratuur meegeeft, zodat hij dingen zelf kan uitzoeken.

Wel doen 3. Deel zelf nieuws

Voel je niet verplicht en doe dit alleen als je je er gemakkelijk bij voelt, maar blog van tijd tot tijd, zodat mensen kunnen lezen waarmee je bezig bent. Het voornaamste voordeel is dat mensen in je enthousiasme kunnen delen, maar het helpt om je onderzoek bij zowel het publiek als de pers in beeld te krijgen. Goede voorbeelden zijn de groepblogs van de politicologen en neerlandici, Stukroodvlees.nl en Neerlandistiek.nl.

Wel doen 4. Wees je bewust van je beperkingen

Wetenschap is in toenemende mate specialistisch. Naast de archeoloog staat de classicus, die zijn collega kan vertellen dat hij deze of gene bron te letterlijk neemt. Naast de oudhistoricus staat de sociaal-wetenschapper, die zijn collega kan uitleggen dat zijn claims beter moeten worden onderbouwd. Wie in de media komt, kan terechte kritiek ontvangen. Dat is misschien onprettig, maar je kunt van de nood een deugd maken, het verschil aan perspectief in de voorlichting centraal stellen en uitleggen dat wetenschap pas begint waar dit soort tegenstellingen worden besproken.

Wel doen 5. Accepteer dat je niet het laatste woord hebt

Het wetenschappelijk zoeken naar de waarheid is een mooi ideaal maar niet het enige belang. Accepteer dat je niet altijd zeggenschap hebt over de wijze waarop je in het nieuws komt: academische titels, de naam van het instituut waarmee je samenwerkt, de lijsten van buitenlandse collega’s en de sponsors zullen er gelijk uitvliegen omdat de journalist zijn beperkte aantal woorden (of: de beperkte zendtijd) reserveert voor de kern van het betoog. Als er één ding is waaraan een journalist een broertje dood heeft, is het de wetenschapper die de journalist (meestal vlak voor de deadline) gaat voorschrijven hoe het moet. Dat verziekt de werkrelatie en leidt vaker tot onleesbare dan tot goede artikelen.

Niet doen 1. Vertrouwen op handboekenkennis

Een wetenschapper die buiten zijn eigenlijke specialisme treedt, wat onvermijdelijk is bij een typische generalistenactiviteit als voorlichting, zal over andere onderwerpen dan zijn eigen onderwerp al snel terugvallen op wat hij denkt te weten. Dat is vaak handboekenkennis uit de eigen studietijd en die is in de regel verouderd. De kans is reëel dat mensen dat herkennen en het eigenlijke verhaal gaan wantrouwen. Aarzel niet bij de voorbereiding van bijvoorbeeld een interview nog even contact op te nemen met een collega.

Niet doen 2. Zwammen

Wie in de media komt, is controleerbaar. Gebruik dus argumenten die écht kloppen, ook als dat betekent dat het ingewikkeld wordt; de wetenschapsjournalist kan altijd besluiten het weg te laten of een verantwoorde vereenvoudiging aanbrengen. Overdrijf niet. Wees verder niet bang te erkennen dat je dingen niet weet. Bedenk dat je méér wetenschappelijkheid toont door in het openbaar even hard te twijfelen als in gezelschap van je collega’s, dan door iets te zeggen over iets waar je weinig van weet. Geef in plaats daarvan het telefoonnummer van de collega die er wél verstand van heeft. (Het mobiele nummer dus.)

Niet doen 3. Conflicten uitvechten

Het is je eer te na kritiek onweersproken te laten, maar laat je niet verleiden tot openbare discussies met wetenschapssceptici. In gezelschap van hun achterban kunnen sceptici hun ongelijk immers nooit toegeven, zodat je de discussie niet winnen kunt. Wél bereik je ermee dat wetenschappelijke inzichten voortaan verdacht klinken – ze zijn immers naar voren gebracht in een polemische context. Als je dit backfire-effect wil vermijden, kies dan na het verstrijken van enige tijd voor een persoonlijk gesprek en maak daarin onderscheid tussen de wetenschap en de bezorgdheid die de scepticus ervan weerhoudt zich te laten overtuigen.

Niet doen 4. Onverdiend respect eisen

Respect verwerf je, je hebt er geen recht op. De snelste manier om krediet te verliezen, is niet alle argumenten op tafel leggen, maar je presenteren als wetenschapper en dáárvoor respect veronderstellen. Toon waarom je gelijk hebt, claim het niet.

Niet doen 5. De media oneigenlijk gebruiken

Gebruik de media niet om via het publiek je gelijk te halen als je een discussie met je collega’s hebt verloren. Gebruik ze evenmin om reclame te maken voor je subsidiënt – het interesseert de lezer echt niet of je net een prestigieuze beurs hebt gekregen (tenzij er belangenverstrengeling is). Gebruik de pers zéker niet om reclame te maken of naar fondsen te hengelen. Diverse media hebben een zwarte lijst van wetenschappers die publiciteit zochten voor een ander doel dan waartoe de media dienen: mensen informeren en enthousiasmeren.

Bonusadvies: Negeer elk van de bovenstaande adviezen als je zo sneller meer mensen accurater kunt informeren.

[Met dank aan Maarten Keulemans.]

Een gedachte over “Stel, je spreekt met de pers…

  1. Nummer 2 vind ik erg belangrijk. Journalisten zijn vooral onder betaald. Zij hebben en/of krijgen erg weinig tijd om zich te verdiepen in een onderwerp. Om onzin te voorkomen is een goede voorbereiding en een duidelijk verhaal van de geinterviewde dus noodzaak voor een goed artikel van een journalist.

    Zonnige groet,

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s