Vragen die geen vragen zijn

Een tijdje geleden verzorgde ik bij een onderzoeksschool een lezing waarin ik iets uitlegde over wetenschapscommunicatie. De wetenschap wordt bekritiseerd, tegengesproken en zelfs genegeerd: wat kunnen we daartegen doen? Ik legde uit dat universiteiten de critici in elk geval zeer serieus moeten nemen, zelfs al is hun kritiek niet rationeel en voelen academici zich bij irrationaliteit nooit helemaal senang.

Een goede overdracht van wetenschappelijke inzichten heeft drie lijnen: een onderzoeker presenteert wat hij denkt dat de feiten zijn, indien er vragen resteren legt hij uit hoe hij bij tot zijn inzichten is gekomen en neemt – wanneer mensen desondanks nog niet overtuigd zijn – de tijd te onderzoeken welke bezorgdheid mensen ervan weerhoudt te aanvaarden waarom de wetenschappelijke methodes werkelijk de meest redelijke zijn. Dit laatste gebeurt aan de universiteiten zelden omdat die bezorgdheden doorgaans irrationeel zijn en academici daar, zoals aangegeven, niet goed raad mee weten. Op dit punt is verbetering mogelijk en ik ben niet optimistisch dat de wetenschap zich voldoende zal aanpassen. Ik ben althans niet bekend met een serieus voorstel van Science in Transition, De Nieuwe Universiteit of de March for Science (sympathieke clubs overigens) om de relatie tussen wetenschap en samenleving aan te passen aan de eisen van onze eenentwintigste eeuw.

Na afloop van mijn praatje waren er vragen. Een ervan kwam van iemand die vrij lang sprak en me verweet dat ik veronderstelde dat er een waarheid was en dat ik meende dat het de taak van de wetenschapscommunicator was mensen voor die waarheid te winnen. Ik legde uit dat ik, als ik een niet-overtuigde criticus meeneem naar het café om eens te kletsen, altijd zal erkennen dat “de” waarheid hooguit benaderd kan worden en dat de wetenschap niet méér is dan een methode waarvan we aannemen dat we er verder mee komen. Ik heb nog nooit een criticus meegemaakt die wetenschap als geheel afschreef, dus er is altijd een gedeeld vertrekpunt voor eerlijke discussie.

De zaal reageerde wat geërgerd op de vragensteller – na afloop had men het over postmodern relativisme als interne vijand van de wetenschap – en hoewel het niet aangaat dat ik als spreker mijn vragenstellers bekritiseer, beken ik dat ik me er ook wat aan heb gestoord. Ik ga immers niet over de wetenschappelijke methode. Je kunt me wél aanspreken op de wijze waarop ik zaken uitleg en je mag me beslist verwijten maken als ik de methoden niet of niet goed uitleg. Vergelijk mijn werk met dat van een voetbaljournalist: je mag hem verwijten maken als hij niet weet wat de buitenspelregel is, maar als je over die regel wil klagen, moet je zijn bij de KNVB. Zo moet ik beslist kunnen uitleggen wat, pakweg, de diverse hermeneutische strategieën zijn, maar is het oordeel over de waarde van dit verklaringsmodel aan anderen.

Omdat de vragensteller dus aan het verkeerde adres was, ging de gespreksleider verder naar de volgende vraag, maar ik kon de redelijkheid van de vraag op zich wel herkennen. Na afloop gaf ik de vragensteller dus mijn kaartje met een uitnodiging even af te spreken. Ik heb er echter nooit meer van gehoord.

***

Ik zou niet op dit voorval zijn teruggekomen als mijn collega Marcel Hulspas niet onlangs op Twitter refereerde aan een soortgelijke ervaring.

Waarom weigeren moslimjongeren die op Twitter met me willen discussiëren over de islam e.d. om dat gesprek via de mail voort te zetten?

Ik denk dat het antwoord al in de vraag ligt besloten: Hulspas’ moslimjongeren spreken hem aan op Twitter. Mijn vragensteller wilde zijn relativisme aan de orde hebben bij een onderzoeksschool. Ik ben er niet zeker van dat Hulspas’ jongeren en mijn vragensteller geïnteresseerd zijn in werkelijke communicatie, waarbij twee partijen zoeken naar wat het beste standpunt is. (U mag ook “waarheid” zeggen, als u de relativerende slagen om de arm maakt.) Anders gezegd: hun vragen waren geen vragen maar verklaringen.

Ik kan in deze twee voorbeelden de persoonlijke motieven niet achterhalen en zal het verder laten rusten. Waar het me om gaat is dat een aanzienlijk deel van onze discussies – of het nu gaat over wetenschap, over religie of over een ander onderwerp – geen discussie is. Het is het openbaar uitdragen van een standpunt tegenover de eigen achterban. Mijn eigen ervaringen betreffen Iraanse nationalisten die menen dat Cyrus de Grote een mensenrechtenheld is geweest (dat was hij niet), afrikanisten die menen dat de Egyptische cultuur “zwart” was (lees eens iets over DNA) , Jezusmythicisten (pas je kritiek eens algemeen toe en ontdek dat je skepsis is doorgeslagen) en nog zo wat groepen.

Dat zijn allemaal mensen met reële bezorgdheden, die een serieus antwoord van de universiteit verdienen. Het zijn echter ook mensen die leven in kringen die dezelfde bezorgdheden én informatie delen. Ze bevestigen zichzelf daardoor steeds opnieuw in het eigen wereldbeeld. Ik heb er in De klad in de klassieken het woord “informatieverzuiling” voor gemunt en je kunt het ook “filterbubbel” of “echokamer” noemen. Het echte probleem is dat het vanuit een echokamer maar een kleine stap is naar getreiter: als wij toch zo ontzettend gelijk hebben en als anderen desondanks niet naar dat enorme gelijk luisteren, moeten we ze maar overtuigen door middel van intimidatie. Ik heb inmiddels tweemaal bij de politie gezeten en heb een stalker.

Misschien maakt die persoonlijke ervaring me nodeloos sceptisch. Maar ik ben niet optimistisch over de toekomst als we niet heel, heel snel zorgen voor betere communicatie.

9 gedachtes over “Vragen die geen vragen zijn

  1. eduard

    Ik ben een beetje paranoïde, ik vermoed dat al die, in het dagelijks leven ongetwijfeld heel aardige mensen die lief zijn voor hun kinderen, ouders, vrienden of huisdieren, nooit zelf op het idee zouden zijn gekomen over deze wijsheden te getuigen, daar zit geld achter. Bijvoorbeeld olie geld (klimaatsceptici, wahabieten, eurosceptici), geld van zulke figuren als de gebroeders Koch (vaccinatie als het ultieme kwaad, want goedkope, solidaire en enorm succesvolle overheidsgezondheidszorg ipv individuele, kostbare en weinig effectieve verrijking van grote farmaciebedrijven), fundamentalistengeld (jezusmythen, creationisten, wahabieten), noem maar op. We moeten dus niet bij de ontvangers zijn, maar bij de boodschappers, en hun leugens napluizen op de manier waarop ze zo succesvol aan de angsten, vooroordelen en wensdromen van hun publiek weten te appelleren. Maar zelfs als slimme psychologen en gedragswetenschappers die zouden achterhalen vrees ik dat ze zullen concluderen dat er geen kruid tegen gewassen is.

    1. Misschien is dat inderdaad wat paranoïde. Ik denk dat de moslims die niet in discussie treden met Hulspas, oprecht gelovig zijn en het niet doen voor het geld.

      De interne discussie aan de universiteit – of beter: het gebrek daaraan – is een andere kwestie. Dat lijkt steeds meer op een kapitalistisch bedrijf, waarbij het niet draait om het verspreiden van zo betekenisvolle (of ware) inzichten naar de samenleving maar om het produceren van artikelen, ongeacht het waarheidsgehalte. Dat verklaart ook waarom archeologen heel goed weten dat ze zich niet moeten verdiepen in klassieke talen, want ze willen die bronnen zo letterlijk mogelijk kunnen nemen om snel een stukje te publiceren. Het verklaart waarom classici zich niet verdiepen in archeologie, want teksten die alleen maar literatuur zijn (ongeacht correspondentie met feiten) leveren sneller een makkelijke publicatie op.

      Ik vermoed dat mijn vragensteller – aan wie ik het niet heb kunnen navragen – in feite via de vraag “exposure” zocht voor zijn standpunten. Hij wilde zijn collega’s tonen dat hij er was.

      1. eduard

        Sorry, ik maakte mezelf niet duidelijk, ik denk echt niet dat jouw vragensteller, of de gelovigen die niet met Hulspas willen mailen, door hebzucht worden gedreven. Het zijn denk ik grotendeels lieve, goedbedoelende en oprechte mensen, die kletsverhalen verkondigen die hen door cynische intriganten zijn aangereikt. Je kan ze hoogstens verwijten niet erg kritisch te zijn en zichzelf de status van vrijdenker aan te meten door andermans gif te verspreiden.

  2. Maurits de Groot

    Goede communicatie vereist inzet van beide kanten. Als iemand jouw voordracht hoort en desondanks met zo’n vraag/verklaring komt, heeft hij dus niet geluisterd. Dan kan jij praten als Brugman, maar het komt gewoon niet binnen. Hij gaat dus ook niet in op een uitnodiging voor een vervolggesprek. Ik zie niet goed hoe ‘de wetenschap’ met zulke mensen moet ‘communiceren’.

  3. Ik denk dat uw analyse juist is. Er zit bij uw vragensteller vermoedelijk een andere motivatie achter dan zoeken naar de, toegegeven, meerdere aspecten bevattende waarheid.
    Omdat discussie, en dus het uitwisselen van standpunten en de redelijkheid van die standpunten onderzoeken, uit de weg wordt gegaan dank ik niet dat u er veel mee zult opschieten. Jammer dat hij geen contact meer heeft gezocht.
    Wat is dat trouwens over een stalker? Zijn ze helemaal gek geworden?

  4. Ben Spaans

    Schandalig dat je zo wordt lastiggevallen. Probeer ook niet teveel van jezelf te vragen. Heel veel mensen zijn alleen in hun eigen denkwereld geïnteresseerd, met wat voor motieven dan ook. Wetenschappelijke inzichten zijn dan hoogstens bijzaak.

  5. Kees Mettes

    Wetenschap is een erg ruim begrip voor het op een bepaalde manier zoeken naar ‘de waarheid’ (feiten en interpretaties ervan) op allerlei terreinen. Op het gebied van sociale wetenschappen komt dit streven in aanraking met allerlei overtuigingen, ervaringen en emoties die sommigen niet aangetast willen zien. Maar zelfs de natuurwetenschappen zijn niet vrij van manipulatie doordat er geld, carrieres of politieke belangen in het spel zijn.
    Een waarlijk wetenschappelijk geinteresserd mens moet in principe idealistisch genoeg zijn om eigen opvattingen ter dicussie te stellen en anderzijds argwanend genoeg om te kijken naar eventuele oneigenlijke belangen. Ga er maar aanstaan.

  6. De vraag die ik mij stel is of je kunt zeggen dat het alleen de universiteiten zijn die tekortschieten in hun communicatietaak. De cyclus van kennisoverdracht, uitleg van de methode, indien er twijfel bestaat, deze wegnemen en de kritiek ook op de eigen vaardigheid om iets goed te communiceren toelaten, en daarbij de terechte vaststelling dat veel mensen van tegenwoordig steeds vaker een of zelfs meer academische studies hebben gedaan heeft nodigt uit tot nadenken over de inrichting en de taken van het onderwijs. Bovendien is er gemakkelijk aan informatie te komen, zij het dat internetinformatie en mediainformatie kritisch benaderd moet worden (slechte informatie drijft goede informatie uit, zoals je steeds zegt!). Maar ik ga ervan uit dat een kritisch ingesteld hoogopgeleid iemand in staat geacht moet worden dat te doen.
    M.i. zit het probleem zowel aan de kant van de zender als aan die van de ontvanger. Er studeren tegenwoordig veel studenten aan de universiteit die niet echt geïnteresseerd zijn in wat ze studeren. Tot het eindexamen weten velen niet wat ze nou eigenlijk willen gaan doen en eerst moet er nog wat gereisd worden. De universiteiten zelf zijn er op uit om zoveel mogelijk studenten aan te trekken, liefst ook nog zoveel mogelijke buitenlandse studenten. Dat verhoogt hun plaats op de internationale rankings. De hoogleraren hebben zich met drie taken te bemoeien: fundraising voor de vakgroep, onderzoek en onderwijs, waarbij het laatste vaak het kind van de rekening is. Afgestudeerde vakgroepmedewerkers die lager in de pikorde staan, moeten publiceren (publish or perish) om zoveel mogelijk in de citation index te komen en hogerop te komen. En dan heb ik het nog niet over de toenemende tendens om aan de leiband van de industrie te lopen (dit geldt trouwens niet voor alle faculteiten in dezelfde mate). De overheid helpt ook al niet veel mee, want studies die onaantrekkelijk zijn voor de economische groei worden afgeserveerd. Er is daardoor geen plaats meer voor kennisverwerving terwille van de kennis zelf.
    Een ander debat zou ook gevoerd kunnen worden over de nog steeds verzuilde wetenschapcommunicatie. Het feit dat aan het begin van deze eeuw nog een debat gevoerd werd in de politiek over creationisme versus de evolutieleer (nog niet zo heel lang geleden werden bij de EO passages uit natuurfilms gehaald die strijdig waren met het scheppingsverhaal uit de Bijbel) spreekt in dat verband boekdelen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s