En het Woord was…

De Drie-eenheid op een zeventiende-eeuwse muurschildering uit Arbanasi (Bulgarije)

[Onlangs gaf ik hier ruimte aan Alexander Smarius, die schreef over de nieuwe Bijbelvertaling van de Jehovah’s Getuigen. Elke vertaling is keuzes maken en sommige daarvan vertellen nogal wat over de vertaler zelf. Zo is er de kwestie van de openingszin van het Johannesevangelie, die Smarius hieronder toelicht, want Jehovah’s Getuigen maken daar een significant andere keuze dan andere christenen. Ik kom er later vandaag ook nog op terug in “Methode op Maandag”.]

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

In de meeste Nederlandstalige Bijbels is dat de openingszin van het Evangelie van Johannes (Johannes 1:1). Verderop in de tekst wordt duidelijk dat met “het Woord” de Zoon van God wordt bedoeld, Christus. Minder duidelijk is hoe de lezer moet begrijpen dat degene die “bij God” was zelf ook “God” was. Volgens de gangbare Bijbelverklaring zijn de Vader en de Zoon samen één God, zoals twee lucifers één vlam kunnen delen.

Er zijn andere manieren om Johannes 1:1 te vertalen:

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was een god.

Het verschil zit in de laatste woorden. Als het Grieks zo wordt weergegeven is er sprake van een afzonderlijke god die zich in het begin bij God bevond. Deze alternatieve interpretatie vindt onder Bijbelgeleerden niet of nauwelijks weerklank. Toch is het interessant te onderzoeken of er iets voor te zeggen valt, want in deze afwijkende weergave is er geen sprake van iemand die tegelijk bij God is én zelf God is. In plaats daarvan zijn er ineens twee goddelijke wezens waarvan de één groter is dan de ander, zoals een vader ook groter is dan een zoon.

Taalkundig gezien is “het Woord was een god” in elk geval verdedigbaar. Johannes 1:1 laat zich vergelijken met 4:9. In de vrij letterlijke Herziene Statenvertaling (HSV) staat daar:

Hoe vraagt U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben?

Terecht voegt de HSV aan de woorden “jood” en “samaritaanse vrouw” het onbepaalde lidwoord “een” toe, want dat bestaat niet in het Grieks. In 1:1 staat het woord “God”/“god” op een vergelijkbare plaats ten opzichte van het koppelwerkwoord “zijn”. Daarom is het mogelijk het als “een god” te vertalen.

Belangrijker is de vraag of de Bijbelschrijver over een andere god kan schrijven als hij zelf maar één God vereerde. Een passage in Johannes 10 laat zien dat het woord theos (“God” of “god”) niet alleen wordt gebruikt voor de enige God die verering verdient. Jezus citeert een Psalm waarin God zelf anderen “goden” noemt, terwijl dat niets afdoet aan het gegeven dat alleen Hij vereerd mag worden (10:34). Als God in de Psalmen en zijn Zoon in Johannes laten zien dat het woord theos niet exclusief voor de Allerhoogste wordt gebruikt, neemt dat een belangrijk bezwaar weg: de Zoon kan een afzonderlijke god zijn terwijl de Vader nog steeds als enige vereerd wordt. Dat laatste wordt door Jezus zelf ook keer op keer benadrukt. Hij zegt bijvoorbeeld dat “de ware aanbidders de Vader (…) zullen aanbidden” en dat de Vader “de enige ware God” is (4:24, 17:3).

Natuurlijk is er wel een reden dat de Zoon al eeuwenlang wordt gezien als God samen met de Vader. Heel bekend zijn Jezus’ woorden: “Ik en de Vader zijn één” (10:30). Toch heeft Jezus het hier niet per se over een letterlijke eenheid. Later zegt hij namelijk tegen de Vader dat hij wil dat zijn volgelingen “één zijn zoals wij één zijn” (17:22). Daarmee doelt Jezus natuurlijk op gelijkgezindheid, want zijn volgelingen moesten niet letterlijk aaneengroeien. Omdat Jezus veel vaker spreekt over Vader en Zoon als afzonderlijke personen en de Zoon de Vader altijd gehoorzaamt, kunnen we concluderen dat het “één zijn” ook in hun geval niet meer betekent dan eensgezindheid. Vader en Zoon zijn twee zielen, één gedachte. Dat is niet hetzelfde als samen één God.

Ook een andere passage kan helpen te bepalen welke interpretatie van Johannes 1:1 het beste past bij de rest van dit Bijbelboek. Verderop in het eerste hoofdstuk wordt de Zoon volgens de beste handschriften aangeduid als “eniggeboren theos” (1:18). De Nieuwe Bijbelvertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap vertaalt die twee woorden als “de Enige Zoon, die zelf God is”. Die weergave is ingegeven door de gedachte dat de evangelieschrijver het woord theos alleen gebruikt voor de God die hij vereert. Maar dat is zoals hierboven betoogd niet nodig. Het ligt veel meer voor de hand gewoon te vertalen wat er staat: “eniggeboren god”. Dat de Zoon enig kind is wordt ook elders in Johannes gezegd, maar de combinatie met “god” in 1:18 laat zien dat de evangelieschrijver niet doelt op Jezus’ aardse bestaan. In het begin, vóór de schepping, was de Zoon alleen met de Vader, en in die zin is “een god die enig kind is” prima te begrijpen.

Dan is er tenslotte het ontroerende moment dat Thomas met zijn neus op de feiten wordt gedrukt als Jezus is opgestaan. “Mijn Heer en mijn God,” zegt hij tegen Jezus (20:28). De meeste geleerden denken dat Thomas hier de slotconclusie van het hele Bijbelboek verwoordt en dat Jezus dus God is. Maar kort hiervoor had Jezus gezegd dat hij zou opstijgen “naar mijn Vader en jullie Vader en naar mijn God en jullie God” (20:17): de Vader is dus nog steeds de God die Jezus zelf vereert. En kort na Thomas’ uitroep zegt de Bijbelschrijver dat hij zijn werk geschreven heeft “opdat jullie geloven dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat jullie door te geloven leven hebben in zijn naam.” Het doel is dat de lezer eeuwig kan leven door te geloven wie Jezus is, en dan zouden we verwachten dat uitgerekend hier nog zou worden herhaald dat hij God is. Maar in plaats daarvan is het kennelijk genoeg te geloven dat hij de Christus is en Gods Zoon.

De evangelieschrijver maakt in elk geval duidelijk dat zijn lezers niet om de Zoon heen kunnen. In Johannes 14:6 zegt Jezus: “Niemand komt bij de Vader behalve via Mij.” Daarmee is Jezus een middelaar: boven de mens maar onder God.

[Later vandaag meer.]

23 gedachtes over “En het Woord was…

  1. Erik Hofmans

    Ik kom toch elke keer tot de conclusie dat dit soort teksten (ik bedoel het begin van Johannes, niet het stuk van Smarius) het niveau van esoterische wartaal niet te boven gaan.

      1. Jan-Mathijs Dirikx

        Beste Hans,
        Kan jij al die onzin die men godsdienst noemt nog logisch noemen?. Het is in elk geval lichtzinnig materiaal om de DOMME massa om de tuin te leiden, en sociale problemen te bedekken met de mantel der onwetendheid en ondertussen naar boven te wijzen. Alsof het antwoord op heikele problemen van daar komen. Diegenen die dat beweren zijn inderdaad, in Uw eigen woorden PRUTSERS.

        1. Charlene

          Ik meende dat dit stukje ging over onbepaalde voornaamwoorden in Johannes 1:1. Als ik iets mag zeggen: ik zou on topic willen blijven. Voor discussies over de waarde van religie zijn andere platforms.

    1. Er zit een serieuze vraag achter, namelijk hoe een bovennatuurlijk wezen de natuur kon besturen. Dat leidde tot speculaties over een goddelijk Woord dat de twee delen van de werkelijkheid verbond. Ik zou het geen wartaal willen noemen.

      1. mnb0

        Ik wel – omdat woord geluid impliceert, geluid bestaat uit trillende moleculen (bv. lucht) en bovennatuurlijke wezens die nu eenmaal per definitie niet voorhanden hebben. Anders gezegd: het antwoord op die serieuze vraag verschuift het probleem alleen maar: hoe wordt dit bovennatuurlijke wezen geacht dit woord uit te spreken?
        Dat kon men destijds niet begrijpen, uiteraard. Maar het resultaat blijft wartaal, net zoals Rowlings geesten, die niet kunnen proeven met wel kunnen spreken een warboel zijn.

        1. Nee, ik denk niet dat het wartaal is. Als ik dit uitleg aan cursisten, vertel ik altijd dat men een ambigue “logos” (Gods Woord, maar het betekent eigenlijk méér dan dat) nodig had en die ambiguïteit domweg accepteerde. Dan vertel ik dat het een beetje lijkt op de ambiguïteit in de kwantumwetenschappen: iets kan een deeltje zijn én een golf. Je moet niet proberen dat te snappen, je moet het gewoon aanvaarden.

          Het Niceense Credo was, zo bezien, een stap in de verkeerde richting: de opstellers probeerden intellectueel iets te doorgronden wat niet te doorgronden viel. De nestorianen en monofysieten deden dat eveneens. Ik denk dat ze daar niet verstandig aan hebben gedaan, maar dat wil niet zeggen dat de vraag op zich slecht is. Wartaal zou ik het niet noemen; wel zou ik het aanduiden als “taal over iets waarover men niet spreken kan”. Und wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.

          1. Ben Spaans

            Ben je nou een gelovige? (en dan nog een ketterse ook…?😯) Kwantumfysica gelijk proberen te trekken met theologie is misleidend. Doe het niet.

              1. @Aanklacht

                Onze geest is volkomen vrij en dus volledig toegesneden op het beantwoorden van alle vragen. Voor minder doet de werkelijkheid het niet. Het is ondenkbaar dat het anders zou zijn; God dobbelt niet.
                Vul voor god eens in: de werkelijkheid die uit zichzelf voortkomt en zich ONTwikkelt. Met de mens komt de werkelijkheid -met horten en stoten en veel waanzin- tot weten omtrent zichzelf. Heldere denkers, die er in elk tijdsgewricht zijn, vinden in zichzelf de waarheid. Ken U Zelve. Zij, de zieners, zien hoe die werkelijkheid, de ware werkelijkheid is en geven er zo goed mogelijk woorden aan. Zij spreken de waarheid, onbeholpen misschien en wellicht met fouten, maar toch de waarheid.
                De wetenschap kan hier uiteraard niets mee. De meeste wetenschappers, eenkennig getraind in analytisch denken, ook niet.

                Dit wou ik even ter overdenking meegeven.

              2. Ben Spaans

                Onze geest niet is toegesneden om sommige vragen te beantwoorden – bedenk wel dat die Christologie zijn eigen problemen helemaal zelf weet te creëren.

  2. Cor

    Vanwege het feit dat ik tamelijk goed bekend ben met de wetenschappelijke kant van deze kwestie, een aantal opmerkingen.

    1. “Volgens de gangbare Bijbelverklaring zijn de Vader en de Zoon samen één God, zoals twee lucifers één vlam kunnen delen.” Gangbaar bij wie? Orthodoxe christenen. Bijbelwetenschappers zullen dat niet zo snel zó zeggen. Hiermee krijgt dit verhaal het karakter van gekissebis van christenen onderling, en niet van wetenschappelijke interactie.

    2. Joh. 4:9 is atypisch omdat het gaat om eigennamen, en bovendien om participiumconstructies. Niet de beste parallel.

    3. Wat betreft 10:34. Hier wordt miskend dat het er niet om gaat dat er andere afzonderlijke goden zijn. Het gaat geheel tegen het vierde evangelie in om te zeggen dat Jezus een afzonderlijke god is.

    4. Wat betreft 10:30. Dat is wederom polemiek richting orthodoxe christenen, niet richting de wetenschap.

    5. Bij 1:18 is “gewoon vertalen wat er staat” natuurlijk een misleidende opmerking. De vraag is immers, wat er precies grammaticaal staat. Is theos hier een appositie bij een zelfstandig monogenes of is monogenes bijvoeglijk bij theos?

    Ook de motivatie van het NBG is onjuist weergegeven. Dat is jammer.

    6. 20:28 “.. dat Jezus dus God is”. Weer een onprecieze weergave van de wetenschappelijke visie(s), want zó ongenuanceerd zul je het in de beste uitleggingen niet vinden. De alternatieve uitleg is gewrongen. Het miskent bovendien de parallellen van post-mortem verschijningen waarin wie verschijnt als god(delijk) erkend wordt.

    7. Uiteraard is Jezus volgens het vierde evangelie een middelaar. Precies daarom kan de Zoon zelf God genoemd worden, omdat hij als het ware een verlengstuk van God zelf is.

    1. Alexander Smarius

      Dank je wel Cor.

      Ad 1. Gangbaar, d.w.z. bij grote Johannescommentatoren.
      C.S. Keener zegt: “Scholars from across the contemporary theological spectrum recognize that, although Father and Son are distinct in this tekst, they share deity in the same way,” The Gospel of John. A Commentary (Grand Rapids: BakerAcademic, 2003) 374. Volgens R. Schnackenburg is de Zoon “in origin and essence… equal to the Father” en “one with the Father not only in what he does, but also in his being.” The Gospel According to St. John (Crossroads: New York, 1990), 2.177 en 3.333.

      Ad 2. Dat het koppelwerkwoord hier een deelwoord is doet er niet toe. Het gaat om de plaats van het naamwoordelijk deel van het gezegde vóór het koppelwerkwoord. Een andere parallel (10:33): “omdat u, mens zijnde, uzelf maakt tot god.” Hier vertalen we “mens” als “een mens” of “menselijk.” Verder 3:4; 6:70; 8:34, 44, 48; 9:8, 17, 24/25, 28; 10:1, 13; 12:6, 36; 18:26, 35, 37.

      Ad 3.
      Het gaat er inderdaad niet om of er wel of niet andere “goden” zijn, maar om de vraag of theos voor een ander dan de Vader kan worden gebruikt.

      Ad 4.
      “Eén zijn” uitleggen door twee passages te vergelijken heeft niets te maken met polemiek tegen orthodoxe christenen. Het is gewoon filologie bedrijven.

      Ad 5.
      “Eniggeboren god” staat er letterlijk. Met de weergave “die zelf God is” interpreteer je het zelfstandig naamwoord theos als appositie bij een bijvoeglijk naamwoord. De vraag is of dat niet geforceerd is en of die interpretatie met parallellen kan worden verdedigd. Wat is de motivatie van het NBG?

      Ad 6.
      Er wordt in de commentaren in elk geval gesproken van een opzettelijke terugkeer naar Johannes 1, waar men dan meent te lezen dat het Woord God is.

      Ad 7.
      Ja, een verlengstuk, zoals een vizier of een ambassadeur die iets of iemand groters vertegenwoordigt, maar wel een individu is.

  3. Jan-Mathijs Dirikx

    Beste Jona,
    Ik hoop hiermee niet te kritisch te worden, maar de laatste blogs van U verraden een felle bewondering voor metafysische onzin. Of de dualiteit van Christus nu meer mens, dan God is, of Maria onbevlekt ontving? Het interesseert me geen bal. En nu kom ik terug op je blog van zondag, over de historische geleerdheid. Is dat muggenziften en eindeloos gemier over thema’s die je onmogelijk nog kan bewijzen niet typisch voor een bepaald soort geleerdheid: namelijk kamergeleerdheid.

    1. Nee hoor, niks bewondering. Gewoon constatering.

      Die “metafysische onzin” is een onderdeel van de wereld waarover ik schrijf. Ik zou ook kunnen schrijven over slavernij, of over kunst, of over vrouwenrechten, of over literaire teksten, of over genocide, of over mensen die nieuwe gedachten ontwikkelden. Het hoort er allemaal bij.

      1. Het is inderdaad ongelooflijk hoe goed jij je kunt inleven en de zienswijze van volledig verschillende partijen vervolgens onder woorden brengen. Bijvoorbeeld in je blog over De jonge islam bracht je het onderscheid tussen nestorianen enerzijds en Armeense en koptische christenen anderzijds buitengewoon helder over. Nu snap ik het zelfs. En dat is niet het enige. Ik begrijp niet hoe je dat allemaal kunt.

  4. Gert Knepper

    Het zwakke punt van Smarius’ redenering zit helemaal in het begin: hij wil het woordje θεός, (theos, ‘G/god’) dat in het eerste vers van het Johannesevangelie twee keer voorkomt, de tweede keer een andere betekenis (of beter ‘verwijzing’) geven dan de eerste. Dat is op z’n zachtst gezegd uiterst onwaarschijnlijk (want voor de lezer uitermate verwarrend), en er is ook geen reden voor.
    Waar het debat wél over zou kunnen of moeten gaan, is: wat is de betekenis van het koppelwerkwoord ἦν (ên, ‘was’) in dat zinnetje ‘het Woord was G/god’? Smarius’ raakt even aan die vraag door te beweren dat ‘volgens de gangbare Bijbelverklaring de Vader en de Zoon samen één God zijn, zoals twee lucifers één vlam kunnen delen’. Dat is echt flauwekul: ik ben nog nooit een nieuwtestamenticus tegengekomen die die bewering voor zijn rekening wilde nemen, en in elk geval verwoordt Smarius hier beslist niet “de gangbare Bijbelverklaring’ (wat dat ook zijn moge).

    En ceterum censeo dat deze discussie elders thuishoort.

    1. Alexander Smarius

      Dank je Gert. Je zegt: “[Smarius] wil het woordje θεός, (theos, ‘G/god’) dat in het eerste vers van het Johannesevangelie twee keer voorkomt, de tweede keer een andere betekenis (of beter ‘verwijzing’) geven dan de eerste.” De credits daarvoor gaan naar de schrijver van één van de sterkste pleidooien vóór de gedachte dat de Zoon zelf God is, M.J. Harris, “Jesus as God: The New Testament Use of Theos in Reference to Jesus” (Grand Rapids: Baker, 1992). Hij zegt dat het tweede geval van θεός begrepen moet worden als “godness” en de grote commentaren lijken die gedachte te ondersteunen. Als dat echt zou kloppen zou de evangelieschrijver met twee keer θεός overhupsen van “God” naar “Goddelijkheid”. Als je er daarentegen van uit gaat dat θεός in beide gevallen gewoon “goddelijk wezen” betekent – wat de gebruikelijke betekenis is – dan kom je uit op “de God” (de Vader) gevolgd door “god” (de Zoon), dus twee goddelijke wezens in een hiërarchische structuur.
      Wat die lucifervlam betreft: zo staat het inderdaad niet letterlijk in de literatuur, maar de (niet door mij bedachte) vergelijking maakt het punt wel duidelijk dat de Vader en Zoon gezien worden als “één in wezen”. Zie o.a. Keener en Schnackenburg, om twee grote commentaren te noemen.

      1. Gert Knepper

        Je begrijpt me verkeerd. Ik had het niet over het betekenisveld van θεός: dat omvat zowel ‘god’ als ‘goddelijk(heid)’, en voor een Griek was daar waarschijnlijk nauwelijks verschil tussen. Ik denk dat Harris daarom ook gelijk heeft, dat het tweede θεός meer in de richting van ‘goddelijk’ gaat. Dat wij dat in het Nederlands als ‘overhupsen’ (kunnen) opvatten, komt doordat het Nederlandse betekenisveld van ‘god’ aanzienlijk beperkter is dan het Griekse betekenis veld van θεός. Maar semantisch ligt daar geen probleem.
        Mijn kritiek gold het feit dat jij, voor de twee keer dat θεός in Joh. 1.1 voorkomt, (met slechts één woord daartussen!) twee verschillende referenten wilt aannemen. Dat zou pas echt ‘overhupsen’ zijn: een wel heel onlogische gedachtesprong van de schrijver. Het is verreweg het meest voor de hand liggend dat de auteur in Joh. 1.1 in beide gevallen met θεός verwijst naar God c.q. diens Goddelijkheid: voor een Griekstalige kwam dat op hetzelfde neer.

        Maar nu stop ik ermee, en wacht je artikel af.

  5. Erik Hofmans

    Ik probeer mijn opvatting toch nog even toe te lichten, al ben ik ongetwijfeld theologisch gezien een prutser. ‘In het begin was het Woord…’ OK, sterke tekst. ‘en het Woord was bij God…’ ??? Was God er dan eerder? Waarom dan niet beginnen met ‘In het begin was God…’? Of waren ze er gelijktijdig? Waarom dan niet ‘In het begin waren het Woord en God…’? En dan eindigt het met ‘…en het woord was God (of een god).’ Als ik zover ben, gaat het een beetje zoemen in mijn hoofd. Ik kan met best voorstellen dat mensen hier een diepere betekenis aan toekennen (of willen toekennen) en ik begrijp ook wel dat je rekening moet houden met subtiliteiten als de ambiguïteit van het begrip logos, maar het blijft baarlijke nonsens (net zo goed als heel veel wat Plato heeft geschreven gewoon onzin is). Maar als je het gewoon als literatuur beschouwt, is het toch wel weer onderhoudend.

        1. Gert Knepper

          Ik bedoelde eigenlijk het begin van het Johannesevangelie. Er bestaat wetenschappelijke consensus over het feit dat dat een hymne is, poëzie dus, met her en der een “verklarende” prozaregel die door de schrijver van het Johannesevangelie is ingevoegd. Met een prozaïsche blik naar die hymne kijken levert daarom weinig op: dan kun je slechts concluderen dat het ‘metafysische onzin’ is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s