Het beeld van Zeus in Olympia

Het beeld van Zeus in Olympia (Bode-Museum, Berlijn)

We zijn geneigd om bij de zeven wereldwonderen te denken aan grote constructies: de piramiden in Egypte (het enige wereldwonder dat we nog kunnen zien), het mausoleum in Halikarnassos (tegenwoordig weinig meer dan een kuil in de grond), de (verzonnen) hangende tuinen van Babylon, de vuurtoren van Alexandrië (gereduceerd tot kasteel). Het oudste lijstje met wonderbaarlijke bijzonderheden, opgesteld door Antipatros van Sidon,noot Palatijnse Anthologie (9.58). bevat echter ook een standbeeld: de Zeus van Olympia. Ook van dit wereldwonder is niets over, al weten we in welke tempel het wereldwonder heeft gestaan. In de tempel van Zeus dus.

Het enorme beeld van de Griekse oppergod is gemaakt door de Atheense beeldhouwer Feidias. Die had, dankzij twee beelden van Athena op de Akropolis in Athene, al een grote reputatie toen hij en zijn collega’s Kolotes en Panainos zich in 437 v.Chr. in Olympia vestigden om het beeld te maken van de god ter wiens ere de Olympische Spelen werden gevierd. Hun werkplaats is geïdentificeerd en opgegraven.

Lees verder “Het beeld van Zeus in Olympia”

Het Concilie van Nikaia

Een achttiende-eeuwse weergave van het Concilie van Nikaia (325) in het Rila-klooster in Bulgarije.

In het vorige blogje legde ik uit hoe het denken over de Timaios, waarin Plato schetst hoe de wereld is geschapen, een model vormde voor de discussies over Christus. Die was immers ook geschapen – of toch niet?

Origenes

De christelijke geleerde Origenes (c.185-c.253) betwijfelde niet dat God de Vader hemel en aarde had geschapen. Daarbij stuitte hij op het probleem dat ook speelde bij Plato’s Timaios: een scheppende God zou van mening zijn veranderd en niet volmaakt zijn geweest. Origines loste het op dezelfde wijze op als de symbolische uitleggers van Plato hadden gedaan: hij vatte de schepping op als een gebeurtenis buiten de tijd. Het universum kon dus geen begin in de tijd hebben. De buiten-de-tijd-staande God was ook om een andere reden logisch: God kon immers alleen almachtig zijn als er iets was waarover hij macht kon uitoefenen. Er moest noodzakelijkerwijs voortdurend minimaal één schepsel zijn waarover God heersen kon.

Lees verder “Het Concilie van Nikaia”

C13 | Constantijn als christelijke keizer

Constantijn de Grote (Metropolitan Museum, New York)

[Dertiende van zeventien blogjes over Constantijn de Grote (r.306-337). Het eerste was hier.]

We hebben al een groot deel van de regering van keizer Constantijn gevolgd: de jaren 306-325. Hij zou nog twaalf jaar aan de macht zijn, die gekenmerkt worden door degelijk beleid en steeds christelijker beleid. Dit is het moment om eens een balans op te maken van wat we weten over Constantijns bekering.

Zekerheid valt niet te krijgen, maar hij kan heel goed in Grand iets hebben waargenomen dat hem de indruk gaf de uitverkorene te zijn van Apollo Grannus, de genezende zonnegod. Dat visioen kwam op het perfecte moment, toen hij wist dat hij niets meer van Galerius en de andere tetrarchen mocht verwachten. Sindsdien stapelde het ene succes zich op het andere, te beginnen met de bliksemcampagne tegen Maxentius. In de daaropvolgende jaren raakte Constantijn steeds meer bij het christendom betrokken, deels doordat christenen als Lactantius hem beschouwden als geestverwant, deels door de Synode van Arles en andere vragen die hij te beantwoorden kreeg.

Lees verder “C13 | Constantijn als christelijke keizer”

Godwording

Petrus met een boekrol. (Catacombe van Domitilla, Rome)

De tekst die bekendstaat als de Tweede Brief van Petrus is vermoedelijk geen echte brief. Wie in de Oudheid een brief schreef en een dure bode in dienst nam, nam doorgaans de gelegenheid te baat ook anderen dan de geadresseerde de groeten te doen. Dit standaardonderdeel van een brief ontbreekt in 2 Petrus. Het is eigenlijk meer een essay waarin de auteur, die zijn einde voelt naderen,noot2 Petrus 1.14. zijn visie geeft op wat het christelijke geloof inhoudt. Misschien is de tekst wel ontstaan als preek.

Gevallen wereld

Aan het begin van de brief vertelt de auteur, die we gemakshalve maar Petrus zullen noemen, dat de gelovigen alles bezitten om vroom te leven. Dat wordt gepreciseerd als kennis (gnosis) van Christus – de toegesprokenen wisten wel wat daarmee was bedoeld. Het is in elk geval niet de geheime leer van de gnostische christenen maar inzicht in wat nodig is voor een vroom leven en kennis van de daden van Christus. En vooral: de kennis vormt een belofte

Lees verder “Godwording”

Subordinationisme

Petrus (Catacomben van Petrus en Marcellinus, Rome)

Een nieuwe zondag, een nieuw blogje over het Nieuwe Testament. En waarom zouden we niet eens kijken naar de Handelingen van de Apostelen, Lukas’ verslag van het ontstaan van de kerk? De scène die ik uitlicht staat aan het begin. Jezus is opgenomen in de hemel, de groep die bekendstaat als de Twaalf is weer op sterkte gebracht, tijdens het Wekenfeest (Sjavoeot) daalt de Heilige Geest neer. En de joden in Jeruzalem horen de Galileeërs spreken in hun eigen taal.

Promotie

Dan neemt Simon Petrus het woord en richt zich tot de joodse bevolking van Jeruzalem. Die zouden verantwoordelijk zijn voor Jezus’ kruisdood. Over die woorden moeten we het later nog eens over hebben, maar het gaat mij vandaag om de uitsmijter:

Laat het hele volk van Israël er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot heer en messias is aangesteld. (Handelingen 2.36; NBV21)

Lees verder “Subordinationisme”

De zegels uit de Openbaring van Johannes

De vier ruiters van de Apocalyps (Troyanklooster)

Een bevriende Jehovah’s Getuige heeft me weleens geattendeerd op de manier waarop zijn geloofsgenoten teksten als de Openbaring van Johannes interpreteren. Ze lezen die, zoals generaties christenen voor hen, als voorspellingen die in de eigen tijd in vervulling gaan. Ik zal geen grappen maken over het almaar uitblijven van de Jongste Dag. Al was het maar omdat Jehovah’s Getuigen ook geen grappen maken over historici. Ik lees de Openbaring echter wel anders: het lijkt me een troostschrift voor mensen in vervolgingstijd. Maar toch. Soms is het moeilijk bij deze tekst niet te denken aan de huidige gebeurtenissen.

Vier zegels

Neem de vier ruiters uit Openbaring 6. Het Lam (Christus) verbreekt de zeven zegels van een boekrol en bij de eerste vier verschijnt steeds een paard. Om te beginnen een wit ros met een zegevierende boogschutter. Nadere toelichting ontbreekt. Het is op zichzelf niet per se negatief. Dat geldt niet voor de rest van het apocalyptisch concours hippique. Het volgende paard, vuurrood van kleur, brengt een zwaardvechter met de opdracht de vrede uit de wereld te verdrijven. Een ruiter op een zwart paard brengt graanschaarste en hongersnood. De Dood zelf berijdt een lijkbleek paard. “En het Dodenrijk vergezelde hem.”

Lees verder “De zegels uit de Openbaring van Johannes”

De Antichrist

De paus als Antichrist: wie de munt omdraait, ziet de duivel (Teylers Museum, Haarlem)

Ergens achterin uw bijbel vindt u de drie brieven van Johannes. Ze heten zo omdat ze enkele opvallende motieven delen met het Evangelie van Johannes, zoals de tegenstelling tussen licht en donker. Ook het thema van de proloog van het vierde evangelie, dat god mens is geworden, is aanwezig in de drie brieven. Wie ze heeft geschreven, is overigens onduidelijk. Er zijn stilistische verschillen tussen de evangelist en de auteur van de drie brieven, die zich ook niet identificeert als de evangelist. In plaats daarvan noemt hij zichzelf πρεσβύτερος, “oudste”.

De jodendommen van de eerste christenen

Ongeacht het auteurschap hebben we te maken met de literatuur van een aparte groep. Onder degenen die Jezus vereerden waren immers verschillende stromingen, afhankelijk van de achtergrond van de gelovigen. Zo waren er farizeeën als Paulus die Jezus erkenden als messias, waren er joden die Jezus beschouwden vanuit priesterlijk perspectief en hebben Jezus’ familieleden weleens naar de henochitische literatuur gekeken. Het dualisme van het Johannesevangelie lijkt op dat van de sekte van de Dode-Zee-rollen.

Lees verder “De Antichrist”

Het christendom van Constantijn de Grote

Constantijn de Grote en de zonnegod

Een leuke vraag van FrankB en Truus n.a.v. de recensie van het mooie boek van De Waele, Ontluikend christendom. Waarom, zo vragen ze, kozen de keizers voor het christendom? Als ik het wist, zou ik het je zeggen, maar ik denk dat een paar dingen wel duidelijk zijn. Drie observaties.

Visioen

Ten eerste. Constantijn de Grote, want over hem hebben we het, heeft persoonlijk iets ervaren. Ik zeg niet dat het Opperwezen senkrecht von oben een visioen naar hem heeft neergestraald, maar hij heeft in 310 wel iets bijzonders meegemaakt. Dit lichtvisioen vond plaats nadat hij in 308 was geschoffeerd door de andere keizers. Daarna propageerde hij de cultus van de zonnegod, zoals we weten van zijn munten. Zie boven. Dat hij rondbazuinde dat de zonnegod hem had uitverkoren, was vooral een politieke statement tegen de verering van Jupiter en Hercules, die  populair was bij zijn medekeizers. Constantijn toonde religieus dat hij politiek zijn eigen weg was gegaan.

Lees verder “Het christendom van Constantijn de Grote”

Daniël De Waele, Ontluikend christendom

Een religieuze stroming in een uithoek van het Middellandse-Zee-gebied groeit uit tot de dominante religie van een imperium: de opkomst van het christendom is een van grote verhalen uit de Oudheid. Hierbij trekken twee vernieuwingen de aandacht. De eerste is het idee dat wie Christus vereerde, niet ook andere hemelse machten mocht vereren. In een wereld waarin iedereen zelf uitmaakte welke goden (meervoud) hij of zij vereerde, was dit ongebruikelijk. Nog eind vierde eeuw waren er mensen als generaal Bacurius, die in het ene gezelschap gebeden uitsprak voor Christus en in een ander gezelschap voor de oude goden. Dat was niet hypocriet, maar zoals het altijd was gegaan.

De tweede vernieuwing is de opvatting dat er één juiste manier zou bestaan om te denken over de goddelijkheid van Christus. Voor de Romeinen waren de bovennatuurlijke krachten alomtegenwoordig. De vraag op welke wijze iets of iemand goddelijk was, kwam daardoor niet meteen op. Die was meer iets voor filosofen. De andere Romeinen bekreunden zich meer om het volbrengen van de rituelen.

Lees verder “Daniël De Waele, Ontluikend christendom”

Constantijn en de zondagsrust

Constantijn en de zonnegod

Iemand stelde me een leuke vraag: of de mensen in de Oudheid een zevendaagse week kenden, met dus een zondag als vaste rustdag.

Sabbat

Ja. In elk geval de Joden kenden een zevendaags ritme, met de zaterdag ofwel sabbat als verplichte rustdag. Omdat je als Jood dankbaar was voor de genade van God dat je behoorde tot het uitverkoren volk, probeerde je zo goed mogelijk om te gaan met de rustdag en daarover is vrij veel halachische discussie geweest.

Zoiets wordt, in elke juridische cultuur, opgehangen aan standaardvoorbeelden en in dit geval was dat de vraag of je op de sabbat iemand mocht redden uit een put. De Dode-Zee-rollen documenteren een groep die vond dat de sabbatsrust, als goddelijke instelling, ging vóór het redden van een mensenleven, terwijl de Mishna (een verzameling rabbijnse wijsheid) het farizese standpunt weergeeft dat het redden van een mensenleven gaat vóór de sabbatsrust. De auteur van het Mattheüs-evangelie laat Jezus zeggen dat als mensen een dier redden dat op de sabbat in een put is gevallen, het redden van een mens zeker is toegestaan. Kortom: de zevendaagse week bestond niet alleen maar was ook goed-doordacht.

Lees verder “Constantijn en de zondagsrust”