Land van Latijn

Twee nagebouwde lectrijnen

Franeker telt drie stinsen: de huizen waar ooit de voornaamste Friese families woonden. In een ervan zit tegenwoordig een bakkerij, een tweede wordt verbouwd en in de derde, de van rond 1500 daterende stins van de familie Martena, vindt u het stadsmuseum. Het is drie minuten lopen van het planetarium en bezit een aardige collectie schilderijen, een halve zolder gewijd aan de zeventiende-eeuwse geleerde Anna Maria van Schurman, een zaal met “Franeker verhalen”, een zeventiende-eeuwse keuken, een zaal met achttiende-eeuwse wandschilderingen, een mooie tuin en een halve zolder met mechanische meesterwerken.

Momenteel is in het Martenamuseum de expositie “Land van Latijn”, gewijd aan de Latijnse wereld die ooit in Franeker heeft bestaan, toen de stad nog een universiteit bezat. Opgericht in 1585 was het de op één na oudste van Nederland. Er was een befaamde protestantse theologische opleiding die studenten trok vanuit heel Europa – het filmpje waarmee de tentoonstelling begint noemt bijvoorbeeld de Hongaren. Docenten en studenten spraken onderling Latijn, dat in de zeventiende en vroege achttiende eeuw de positie had die het Frans, het Duits en het Engels daarna zouden bezitten: dé academische voertaal die internationale uitwisseling van ideeën mogelijk maakte.

Hoewel, spraken de geleerde heren – voor dames was nog lange tijd weinig plaats, al was de zojuist genoemde Anna Maria van Schurman toegelaten tot de universiteit in Utrecht – spraken de geleerden wel hetzelfde Latijn? Een gouden vondst in de expositie is dat je kunt beluisteren hoe mensen uit verschillende landen Latijn uitspreken. Ik hoorde wel enige verschillen, maar het zal niet wezenlijk anders zijn geweest dan het verschil tussen een Engelssprekende Spanjaard en een Engelssprekende Zweed.

Interessant vond ik dat de Franekers het Latijn aanpasten aan hun tijd. Wat doe je immers als er een uitvinding wordt gedaan waarvoor de oude Romeinen geen woord hadden? Dan verzin je natuurlijk nieuwe woorden. In een van de vitrines lag het natuurwetenschappelijk proefschrift van de jong overleden Aegidius de Wit, gewijd aan de machina atmica, de ademende machine ofwel de stoommachine. Het is een ietwat misleidend object in deze leuke tentoonstelling, want het is weliswaar afkomstig uit de bibliotheek van Franeker, maar het is een Utrechts proefschrift.

Descartes’ verzameld werk

De organisatoren hebben een gelukkige hand gehad bij het kiezen van de boeken. Er is een eerste druk van de Meditationes de prima philosophia en de Dissertatio de methodo van de vermoedelijk beroemdste student in Franeker, René Descartes, meteen na zijn dood in 1650 gepubliceerd apud Ludovicum Elzevirium. Eenentwintig jaar eerder had Descartes zich ingeschreven als Renatus Descartes Gallus, philosophus.

De twaalfde Sura, vertaald in het Latijn

Ik zag een Latijnse vertaling van de twaalfde Sura uit de Koran, het verhaal van Jozef. In een speciaal voor dit doel vervaardigde kast lagen de delen van de Atlas Maior van Joan Bleau. Er was een exemplaar van Copernicus’ De revolutionibus met aantekeningen van Gemma Frisius, een van de pioniers in de geografie.

Copernicus’ “De Revolutionibus”, met aantekeningen van Gemma Frisius

In een verloren hoekje lag in een vitrine het handschrift – dus geen gedrukt boek – waarvoor ik was gekomen: de oudste tekst van de Noctes Atticae van Aulus Gellius, een Romeinse essaybundel uit de tweede eeuw.

Aulus Gellius, Noctes Atticae 15.9.5ff.

De boeken stonden aanvankelijk in zogenaamde lectrijnen: lage boekenkasten waarvan de bovenzijde gebruikt kon worden als lessenaar. Men las staand en ik merkte bij mijn bezoek aan de tentoonstelling dat ik dat comfortabeler vond dan ik had verwacht. Zie de foto helemaal bovenaan. De wandkasten die wij kennen, worden pas in 1691 voor het eerst genoemd.

Oceanus Iuris

Eén ervan was nagebouwd en daarin zagen de banden van het Corpus Iuris en een uitwerking daarvan, de Oceanus Iuris. Even verderop de Acta Sanctorum, een beroemde reeks wetenschappelijke studies over heiligenlevens, geschreven door een groep Jezuïeten die bekendstaat als de “Bollandisten”. Franeker mocht dan een protestantse theologische opleiding verzorgen, eenkennig was men er niet, zoals ook wel bleek uit de genoemde Koran. Het was overigens ietwat wreed dat bij deze boekenkast een bordje stond dat men liever niet had dat bezoekers boeken uit de kast haalden.

Eerlijk is eerlijk: met drie kwartier heb je het allemaal wel bekeken. Een vierde kwartiertje kun je doorbrengen in een zaal die is gewijd aan de universiteit zelf, gedomineerd door prachtige portretten van de grootste hoogleraren. Eén ervan, Johannes Makowsky, heeft een dichtgeslagen oog en lijkt een geduchte vechtersbaas te zijn geweest. “Hij deed niet voor zijn studenten onder in drinken en vechten”, is de uitleg.

(Bibliotheekreglement van de voormalige Universiteit van Franeker, 1799)

Wat het Martenamuseum niet toont, is welke inzichten die geleerden nu eigenlijk hebben verworven. De expositie “Land van Latijn” toont iets anders: het avontuur van een door taal verbonden groep wetenschappers, die de grondslagen legde voor onze tijd. Combineer een bezoek met het planetarium van Eise Eisinga, de man die de inzichten doorgaf aan het publiek, en u hebt een mooi beeld van het avontuur en het maatschappelijk functioneren van de wetenschap in de zeventiende en achttiende eeuw. Aanbevolen.

De “Atlas Maior” van Bleau

18 gedachtes over “Land van Latijn

  1. Oh….. ben ooit wel in het planetarium geweest, maar niet in het stadsmuseum. Dat daar werk ligt van Rene Descartes en Copernicus moet ik nog snel eens gaan bekijken! Leuke tip. Dank.

  2. FrankB

    “Eise Eisinga”
    Als ik de Friese trots mag strelen: de man die het oudste nog functionerende planetarium ter wereld bouwde.

  3. A. Harmens

    Benieuwd wat er in die glosse staat in het handschrift van Attische Nachten. Def???delgitus a gelli dulcissime quid dicis, o.i.d.?

      1. A. Harmens

        Dank! Het lijkt erop dat de glossator een vraag bij de tekst stelt (hoewel misschien ook de glosse samen met de tekst uit de legger overgenomen kan zijn).

      2. Remco

        Staat er niet eerder: “de fronde igitur, A. Gelli, dulcissime quid dicis”. Dus met een vocativus? In de tekst zelf is ook sprake van een discussie over “frons”.
        Ik weet niet genoeg van Latijnse paleografie om te zien of “igitur” inderdaad zo afgekort wordt, maar daarbij kunnen misschien anderen helpen.

  4. Erik Bouwknegt

    “het zal niet wezenlijk anders zijn geweest dan het verschil tussen een Engelssprekende Spanjaard en een Engelssprekende Zweed.”

    Er was wel een iets groter verschil. In de Middeleeuwen waren een aantal regionale uitspraaktradities ontstaan voor het Latijn (ruwweg een westelijke, ‘Franse’, een oostelijke, ‘Duitse’ en ook nog een Italiaanse), en die tradities evolueerden mee met de talen die in die gebieden omgangstaal waren. Zo was er de Franse traditie, en die werd ook in Engeland gevolgd, alleen groeiden die twee uitspraaktradities uiteen toen in het Frans /ch/ en /g/ (voor e, i, y) van [tsj], [dzj] naar [sj], [zj] veranderden en in het Engels niet, terwijl in de Engelse uitspraaktraditie juist de klinkers enorm veranderden door de Great Vowel Shift in het Engels zelf. Dit soort verschillen heeft ervoor gezorgd dat Latijnse leenwoorden daardoor soms ook flink van elkaar verschillen (Engels ‘chart’, Nederlands ‘kaart’).

    Andere verschillen waren er bijvoorbeeld in het effect van geminaten (dubbele medeklinkers) op de uitspraak. In de Italiaanse uitspraak bleven dat lange medeklinkers (die kende het Italiaans zelf ook), in de Duitse (en Nederlandse) traditie kregen die hetzelfde effect op voorafgaande klinkers als er in de Duitse en Nederlandse spelling aan was gekoppeld, de oorspronkelijke lengte van die klinkers in het Klassiek Latijn was volkomen irrelevant geworden (al probeerden humanisten als Erasmus wel die oorspronkelijke uitspraak te reconstrueren en te promoten). In de Duitse uitspraaktraditie rijmt ‘stella’ op de naam Bella en hebben ‘metrum’ en ‘decem’ dan weer een lange e.

    In de westelijke traditie vielen /g/ (voor e, i, y) en /j/ samen, in de Italiaanse en Duitse bleven het twee verschillende klanken. In de Duitse traditie maakte het niet uit of een /g/ voor e,i,y stond, in de Franse en Italiaanse wel. Bij de /c/ maakte ook de Duitse traditie daar onderscheid.

    Al met al vast niet genoeg om tot complete onverstaanbaarheid te leiden, maar het zal voor beginnende studenten toch zeker wennen zijn geweest als ze voor hert eerst Latijn spraken met mensen uit een andere hoek van Europa dan waar zij Latijn hadden geleerd.

  5. Martijn Spruit

    Geheel terzijde, maar wordt het niet eens tijd dat er een goede moderne vertaling van de Noctes Atticae van Aulus Gellius in het Nederlands verschijnt?

Reacties zijn gesloten.