Misverstand: Via Belgica

De Duitsers hebben het over de Römerstrasse

Misverstand: De weg van Bavay naar Keulen heette Via Belgica

De romanisering van de Lage Landen hield ook in dat er wegen werden aangelegd. De Romeinen betoonden zich daarin nogal traditioneel. De belangrijkste weg was althans al eeuwenoud toen ze hem in gebruik namen. Al in de Bronstijd reisden mensen vanuit het huidige Amiens naar Bavay, Tongeren en Keulen. Die steden waren er toen vanzelfsprekend nog niet, maar het bestaan van een weg kan worden afgeleid uit het feit dat er grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd liggen, parallel aan het tracé van de Romeinse straat. Caesar rukte hierover in 57 v.Chr. op tegen de Nerviërs (meer), het Veertiende Legioen Gemina gebruikte de weg in 70 n.Chr. om een grote opstand neer te slaan, en duizenden kooplieden benutten de straat om graan te brengen naar de Rijnlegers. Dit was de hoofdverkeersader van de Romeinse provincie Gallia Belgica, van letterlijk vitaal belang voor de duizenden legionairs die het imperium beschermden tegen aanvallen uit het Overrijnse.

Sinds mensenheugenis wordt de route in Noord-Frankrijk en Wallonië aangeduid als Chaussée Brunehaut (naar een Frankische koningin die de straat in de Vroege Middeleeuwen zou hebben laten repareren) en in Duitsland spreekt men wel van de Römerstraße en Agrippa-Straße, naar de Romeinse generaal die vermoedelijk bevel heeft gegeven de weg te plaveien. In Nederland en Vlaanderen kennen we geen naam die werkelijk ingeburgerd is geraakt. Een in 1987 gehouden expositie heette gewoon “Langs de weg”.

Lees verder “Misverstand: Via Belgica”

Circus

(foto Needpix)

Het televisieprogramma Het Klokhuis zou eind maart in het Amsterdamse museum Nemo een vragendag hebben georganiseerd, waarbij wetenschappers kindervragen zouden hebben beantwoord. Mijn vriendinnetje E. had inderdaad een vraag: waarom is de letter C in het woord “circus” de ene keer een /s/ en de andere keer een /k/? De redactie vond het leuk genoeg om E. en haar moeder uit te nodigen die vraag in de uitzending te komen stellen.

Door de corona is die uitzending niet doorgegaan maar omdat ik wilde dat E. een antwoord kreeg, ben ik het zelf gaan uitzoeken. Kinderen die nieuwsgierig genoeg zijn om vragen te stellen verdienen serieuze uitleg.

Lees verder “Circus”

Computer reconstrueert het Latijn

Zomaar een Latijnse inscriptie met mooie letters (Timgad)

Het idee dat de taalkunde een exacte wetenschap kan zijn, is een negentiende-eeuwse gedachte. Taalkundigen ontdekten toen dat de verschillen tussen talen systematisch kunnen zijn: waar Romaanse talen een p hebben, hebben Germaanse een of een vpater correspondeert met vader, pied met voet, pellis met vel. Zulke regelmatigheden noemen we een wet. In dit geval is de voorouder van de Germaanse talen waarschijnlijk ooit gaan afwijken: de p werd een f (en later in het Nederlands een v).

Dat gold voor iedere p: de wet is even hard als willekeurig welke wet uit de natuurkunde, zo meende men. Het blijkt ook, zeker op de langere termijn, voor iedere taalverandering gelden. In ieder geval als je rekening houdt met het feit dat allerlei gebeurtenissen het beeld op het eerste gezicht kunnen verstoren. Behalve vel heeft het Nederlands ook pels, maar dat blijkt een woord te zijn dat we ná die verandering alsnog hebben geleend van het Latijn.

Lees verder “Computer reconstrueert het Latijn”

Bellus Imago

Zomaar een Latijnse inscriptie uit Timgad, vooral omdat ik de letters zo elegant vind.

Marc van Oostendorp had gisteren een aardig stukje over Nederlands Latijn. Er zijn mensen die vinden dat we bij het gebruik van Latijnse woorden in onze eigen taal ook de Latijnse regels moeten volgen. Van Oostendorp citeert iemand die de moeite nam een Nederlandse fotografieclub te schrijven dat ze zich beter geen Bellus Imago (“mooi plaatje”) konden noemen, omdat imago een vrouwelijk woord is en het eigenlijk bella zou moeten zijn. Wat een Romein overigens nog steeds vreemd zou vinden. Het lijkt een latinisering van het Franse belle image.

Maar het volgen van de Latijnse regels is geen wet van Meden en Perzen. Je kunt ook beargumenteren dat een leenwoord, als het eenmaal uit de uitlenende taal is vertrokken, zijn grammaticale regels achterlaat en zich aanpast aan de lenende taal. We zeggen ook dat iets is gehypet, waarbij we het Engelse hype gebruiken als een Nederlands woord. Er is geen bindende reden waarom wij ons zouden moeten houden aan de Latijnse regels.

Net als u en de classici die ik weleens spreek lig ik niet werkelijk wakker van deze kwestie. Ook Van Oostendorp lijkt het eerder curieus dan problematisch te vinden dat iemand die zichzelf typeert als een ooit volijverige gymnasiast zózeer aanstoot neemt van Bellus Imago dat hij de fotoclub een brief schrijft en zelfs een psychologisch profiel opstelt van de fotografen, die zouden hechten aan het prestige van het Latijn maar die taal in feite minachten.

Lees verder “Bellus Imago”

Klassieke literatuur (8): welsprekendheid

Een Romeinse redenaar (Museum van Apollonia, Bulgarije)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke literatuur over de welsprekendheid.]

Voor veel Grieks-Romeinse genres zijn parallellen te vinden in de oosterse literatuur, maar de welsprekendheid is een Griekse uitvinding. Er is weleens geopperd dat het democratische bestel in Syracuse en Athene de verklaring is voor het ontstaan van de retorica maar mij lijkt dat wat overdreven. Dat een man een rol behoorde te spelen in het openbare leven, is een in de oude wereld algemeen verbreid idee en ik zie geen reden waarom in niet-democratische gebieden niet eveneens kan zijn nagedacht over de wijze waarop je je zaken het effectiefst bepleitte.

Lees verder “Klassieke literatuur (8): welsprekendheid”

De uitspraak van het Latijn

Afgietsel van een inscriptie uit Delfi met de Griekse spelling van de Latijnse titel “Caesar” (Museo nazionale della civiltà romana, Rome)

In de reeks video’s waarin ik mensen spreek over de vraag hoe oudheidkundigen weten wat ze weten, is inmiddels ook – na het filmpje waarin Hein van Dolen de Lachmannmethode uitlegt – de tweede aflevering online: Casper Porton van Addisco legt uit hoe classici weten hoe het Latijn vroeger uitgesproken is geweest. Als u meer wil weten, leest u hier meer.

MoM | De uitspraak van Latijnse woorden

Het standbeeld van Ambiorix in Tongeren. Ik zeg dit er voor de zekerheid even bij: dit is dus een negentiende-eeuwse reconstructie. De held der Belgae zal in het echt niet hebben geleken op een pakje Gauloises of zijn gaan staan op een hunebed uit de tijd van de Trechterbekercultuur.

Een kort blogstukje vandaag, ingegeven door een lezersvraag: hoe weet je eigenlijk hoe je antieke naam uitspreekt? Het gaat nu niet om zaken als de uitspraak van de Latijnse letter C, die in de klassieke periode klonk als /k/. Cicero heette dus Kikero. Het gaat vandaag om iets anders, om het accent, dus de lettergreep die je (althans als Nederlanders Latijnse woorden uitspreken) iets harder uitspreekt dan de andere.

Eén van de voornaamste methoden om vast te stellen waar het accent ligt, is het metrum van gedichten. Maar de twee namen waar het om gaat, Noviomagus en Ambiorix, komen niet voor in antieke poëzie. Gelukkig hebben we voldoende Latijnse gedichten om de hoofdregels vast te stellen: als een woord meer dan twee lettergrepen heeft, wordt de voorlaatste lettergreep benadrukt als die een lange klinker heeft, en anders schuift het accent naar de voorvoorlaatste lettergreep. (Lange lettergrepen zijn het simpelst te herkennen aan het feit dat je ze schrijft met twee letters, zoals ae, of doordat ze worden gevolgd door twee medeklinkers.)

Lees verder “MoM | De uitspraak van Latijnse woorden”

Heel oud Latijn

Inscriptie, gevonden onder de Zwarte Steen (Nationaal Museum, Rome)

Het Romeinse forum is een van de interessantste opgravingen die ik ken. De vondsten dateren vanuit de IJzertijd tot en met de huidige dag en de opgraver moet er rekening mee houden dat er – zoals overal natuurlijk – ook nog moedwillig dingen zijn weggehaald. Het Senaatsgebouw, dat er tegenwoordig uitziet als een bakstenen schoenendoos, had een eeuw geleden nog een decoratie van marmer en stucwerk die in opdracht van Mussolini is verwijderd: hij wilde een zakelijk gebouw, passend bij de geest van het fascisme.

Een andere complicatie is dat er allerlei teksten zijn, die enerzijds waardevolle informatie bieden, maar die we anderzijds niet kunnen evalueren. Aan het begin van de jaartelling wisten de Romeinen dat bepaalde huizen stonden op de plek waar ooit het koninklijke paleis had gestaan en archeologen hebben op die plek grote, oeroude woningen gevonden uit de Koningstijd (zevende tot en met zesde eeuw v.Chr.), maar we hebben geen idee of de herinnering een half millennium later correct was. Was dit een paleis? We weten het niet.

Lees verder “Heel oud Latijn”

Land van Latijn

Twee nagebouwde lectrijnen

Franeker telt drie stinsen: de huizen waar ooit de voornaamste Friese families woonden. In een ervan zit tegenwoordig een bakkerij, een tweede wordt verbouwd en in de derde, de van rond 1500 daterende stins van de familie Martena, vindt u het stadsmuseum. Het is drie minuten lopen van het planetarium en bezit een aardige collectie schilderijen, een halve zolder gewijd aan de zeventiende-eeuwse geleerde Anna Maria van Schurman, een zaal met “Franeker verhalen”, een zeventiende-eeuwse keuken, een zaal met achttiende-eeuwse wandschilderingen, een mooie tuin en een halve zolder met mechanische meesterwerken.

Momenteel is in het Martenamuseum de expositie “Land van Latijn”, gewijd aan de Latijnse wereld die ooit in Franeker heeft bestaan, toen de stad nog een universiteit bezat. Opgericht in 1585 was het de op één na oudste van Nederland. Er was een befaamde protestantse theologische opleiding die studenten trok vanuit heel Europa – het filmpje waarmee de tentoonstelling begint noemt bijvoorbeeld de Hongaren. Docenten en studenten spraken onderling Latijn, dat in de zeventiende en vroege achttiende eeuw de positie had die het Frans, het Duits en het Engels daarna zouden bezitten: dé academische voertaal die internationale uitwisseling van ideeën mogelijk maakte.

Lees verder “Land van Latijn”

Filmen in Leiden

Ruim een jaar geleden kondigde ik aan dat Livius (de vennootschap waar ik lid van ben) een reeks korte filmpjes wilde maken om uit te leggen hoe oudheidkundigen weten wat ze weten. Een soort “Methode op maandag” dus, maar dan in een ander medium. Een wetenschap die haar methoden niet uitlegt, lijkt immers geen methode te hebben, trekt dus amateurs aan, is niet in staat een overtuigend weerwoord te bieden aan kwakhistorici en kan niet langer spreken met het gezag dat nodig is om de samenleving adequaat te informeren. We hebben al twee draaidagen gehad en gisteren was de derde.

En zo zat ik – letterlijk, zie boven – zondag in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden voor een interview met Casper Porton van Addisco. Hij legde uit hoe taalkundigen de klanken van het oude Latijn reconstrueren. Ik heb zelden een zó gemakkelijk interview afgenomen. Handig was dat er een inscriptie aan de muur hing waar een spelfout in zat: het soort dingen dat helpt bij de reconstructie van de uitspraak.

Lees verder “Filmen in Leiden”