Naufragium: schipbreuk bij een paardenrace?

Een “naufragium” (Palazzo Trinci, Foligno; © Wikimedia Commons | Gebruiker JoJan)

Wie moderne literatuur over paardenrennen in de Romeinse tijd leest, ziet steeds weer dat een schrijver de val van een strijdwagen een naufragium of ‘schipbreuk’ noemt. Geen enkel Latijns woordenboek vermeldt echter deze betekenis, zelfs de Thesaurus linguae Latinae niet in het lemma naufragium. Voor dit lemma heeft Marijke Ottink alle citaten van het woord naufragium uit de Oudheid gecontroleerd. Waar stoelt de bewering dat een valpartij een naufragium heette dan op?

Inscripties

In een paar inscripties staat vermeld dat iemand is omgekomen bij een schipbreuk. De volgende inscriptie gaat over een soldaat die gelegerd was in Brittannië en geen centurio meer kon worden omdat hij omkwam bij een schipbreuk (naufragio).

[ ̣ ̣ ̣]
opt[i]onis ad spem
ordinis (centuria) Lucili
Ingenui qui
naufragio perit
s(itus) e(st)

…een adjudant in de centurie van Lucilius Ingenuus in afwachting van promotie tot centurio, die omkwam bij een schipbreuk, is [hier] begraven. (RIB 544)

Lees verder “Naufragium: schipbreuk bij een paardenrace?”

Hoeveel Latijn is er nog?

Latijnse teksten zijn in Brepols’ Library of Latin Texts (klik=groot)

Latijn is oorspronkelijk de taal van de bewoners van Rome en het gebied eromheen, Latium. De oudste resten van het Latijn dateren uit de zevende en zesde eeuw v.Chr. Uit de derde eeuw v.Chr. hebben we al wat langere teksten, uit de eerste eeuw v.Chr. hebben we de teksten van Cicero, en uit dezelfde tijd of de eeuw erna de teksten van bijvoorbeeld Caesar, Vergilius, Horatius, Ovidius en Livius. Vanaf de tweede eeuw na Chr. komen de christelijke teksten, met als belangrijkste vertegenwoordiger Augustinus.

Langzamerhand ontwikkelen het geschreven Latijn en de gesproken talen zich uit elkaar, waardoor de Romaanse talen ontstaan. Vanaf ongeveer de zesde en zevende eeuw na Chr. is Latijn eigenlijk niemands moedertaal meer. Het bleef echter bestaan als het communicatiemiddel in Europa. Iedereen die lezen en schrijven geleerd had en iets mee te delen had, bleef dit in het Latijn doen. Pas eeuwen later zetten de volkstalen zich ook als schrifttalen door, maar Latijn blijft tot op de dag vandaag een taal, waarin mensen met elkaar communiceren. Een spannende vraag is, wanneer eigenlijk het meest in het Latijn geschreven werd.

Lees verder “Hoeveel Latijn is er nog?”

Welke oude taal was het grootst?

Griekse votieftekst uit Sisak (Archeologisch museum, Zagreb)

Stel, je zou iets willen weten over de oude wereld. Dat komt voor. Dan kun je een oude taal leren. Nu verwerf je die niet door even een programmaatje op te laden in je mentale computer. Het vergt jaren. Daaraan helpt geen moedertje lief, maar je kunt het rendement van de onvermijdelijke inspanning verhogen door te beginnen met een taal waarin veel is geschreven. Leespleziermaximalisering. Je begint dus niet met het piepkleine Vroeg-Elamitisch, dat we kennen uit veertig teksten in een pas-ontcijferd schrift, maar met talen die de belofte inhouden van hele boekenkasten aan leesplezier. Grieks of Latijn dus.

Voordeel van het laatste is dat het een levende taal is, waarin je bijvoorbeeld de krant of een kinderboek kunt lezen of de radio beluisteren. Dit contemporaine Latijn ontwikkelt zich en kent neologismen, waarbij er wat discussie bestaat over de vraag of die gebaseerd moeten zijn op antieke vormen of dat leenwoorden uit moderne talen zijn toegestaan. Heet een drone in het Latijn aeria navis sine gubernatore of houd je het toch maar op dronus? Deze discussie speelt natuurlijk bij alle levende talen: vervaardig je een woord uit wat al aanwezig is in de eigen woordenschat of pas je een buitenlands woord aan?

Lees verder “Welke oude taal was het grootst?”

Corona en kraaienzang

Het coronavirus dankt zijn naam aan de krans (in het Latijn: corona) rond de virusdeeltjes. Die informatie heb ik van Wikipedia dus als het niet klopt verspreid ik hierbij fake news. Erg veel wijzer word je van die omschrijving trouwens ook niet, want waar is de krans dan van gemaakt? Maar dit wordt geen medisch of biologisch verhaal, want het gaat me nu alleen om dat Latijnse woordje corona. Dat betekende in de Oudheid inderdaad ‘krans’, de hoofdtooi die bijvoorbeeld priesters  bij het offeren droegen. Pas in het middeleeuws Latijn ging corona ‘kroon’ betekenen, en veel Europese talen hebben dat woord toen in die betekenis geleend.

Korônê

Maar we kunnen ook een stap terug in de tijd zetten. Want waar hadden de Romeinen hun corona vandaan? Die hadden het uit het Grieks, waar korônê al een oeroud woord was. Een enkele keer komt het daar ook voor in de betekenis ‘krans’, en in die betekenis hebben de Romeinen het woord dus overgenomen.

Lees verder “Corona en kraaienzang”

MoM | Thesaurus linguae Latinae

Kasten vol dozen met systeemkaarten

De Thesaurus linguae Latinae is een wetenschappelijk woordenboek van het Latijn. Nu zou je kunnen denken: er bestaan toch al woordenboeken Latijn? Inderdaad, het meest bekend is voor Nederlanders het woordenboek van Pinkster, voor Engelsen de Oxford Latin Dictionary, en zo heeft elk taalgebied wel zijn Latijnwoordenboek.

Nu is er een aantal problemen met deze woordenboeken. Ten eerste zijn ze gemaakt op basis van maar een beperkt aantal teksten, meestal bestaand uit werken van  “grote” auteurs als Cicero, Caesar, Vergilius, Ovidius. Ten tweede bouwen ze meestal op elkaar op: zo is Pinkster oorspronkelijk een bewerking van het Duitse woordenboek van Pons, dat weer een bewerking is van Taschen-Heinichen. Op deze manier krijgen we steeds dezelfde lemmata met dezelfde betekenissen, en soms zelfs dezelfde fouten.

Lees verder “MoM | Thesaurus linguae Latinae”

MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen

In 1987 publiceerde de Britse archeoloog Colin Renfrew, de grondlegger van de cognitieve archeologie, het bovenstaande boek over de verspreiding van de Indo-Europese talen. Ik herinner het me nog goed; mijn docent Marten Stol, die ons tijdens een college eigenlijk iets spijkerschrifterigs had moeten vertellen, weidde breed uit waarom dit allemaal niet kon kloppen.

Taalverspreiding en archeologie

Het was dan ook niet gering wat Renfrew claimde. Eén: taalverspreiding is archeologisch te herkennen. Weliswaar kun je geluid niet opgraven, maar de mechanismen die leiden tot intensieve taalverandering, zijn zelf ook intensief. Ze laten sporen na in het bodemarchief. Als bijvoorbeeld een gemeenschap een nieuwe elite krijgt die een andere taal spreekt, moet je dat aan materiële artefacten herkennen. De Latijnsprekende elite die zich aan het begin van de jaartelling vestigde aan de Rijn, is herkenbaar aan militaire nederzettingen, steden en een hele batterij andere zaken.

Lees verder “MoM | Archeologie en de Indo-Europese talen”

Misverstand: Via Belgica

Misverstand: De weg van Bavay naar Keulen heette Via Belgica

De romanisering van de Lage Landen hield ook in dat er wegen werden aangelegd. De Romeinen betoonden zich daarin nogal traditioneel. De belangrijkste weg was althans al eeuwenoud toen ze hem in gebruik namen. Al in de Bronstijd reisden mensen vanuit het huidige Amiens naar Bavay, Tongeren en Keulen. Die steden waren er toen vanzelfsprekend nog niet, maar het bestaan van een weg kan worden afgeleid uit het feit dat er grafheuvels uit de Brons- en IJzertijd liggen, parallel aan het tracé van de Romeinse straat. Caesar rukte hierover in 57 v.Chr. op tegen de Nerviërs (meer), het Veertiende Legioen Gemina gebruikte de weg in 70 na Chr. om een grote opstand neer te slaan, en duizenden kooplieden benutten de straat om graan te brengen naar de Rijnlegers. Dit was de hoofdverkeersader van de Romeinse provincie Gallia Belgica, van letterlijk vitaal belang voor de duizenden legionairs die het imperium beschermden tegen aanvallen uit het Overrijnse.

Sinds mensenheugenis wordt de route in Noord-Frankrijk en Wallonië aangeduid als Chaussée Brunehaut (naar een Frankische koningin die de straat in de Vroege Middeleeuwen zou hebben laten repareren) en in Duitsland spreekt men wel van de Römerstraße en Agrippa-Straße, naar de Romeinse generaal die vermoedelijk bevel heeft gegeven de weg te plaveien. In Nederland en Vlaanderen kennen we geen naam die werkelijk ingeburgerd is geraakt. Een in 1987 gehouden expositie heette gewoon “Langs de weg”.

Lees verder “Misverstand: Via Belgica”

Circus

(Amsterdam, Zeedijk)

Het televisieprogramma Het Klokhuis zou eind maart in het Amsterdamse museum Nemo een vragendag hebben georganiseerd, waarbij wetenschappers kindervragen zouden hebben beantwoord. Mijn vriendinnetje E. had inderdaad een vraag: waarom is de letter C in het woord “circus” de ene keer een /s/ en de andere keer een /k/? De redactie vond het leuk genoeg om E. en haar moeder uit te nodigen die vraag in de uitzending te komen stellen.

Door de corona is die uitzending niet doorgegaan maar omdat ik wilde dat E. een antwoord kreeg, ben ik het zelf gaan uitzoeken. Kinderen die nieuwsgierig genoeg zijn om vragen te stellen verdienen serieuze uitleg.

Lees verder “Circus”

Computer reconstrueert het Latijn

Zomaar een Latijnse inscriptie met mooie letters (Timgad)

Het idee dat de taalkunde een exacte wetenschap kan zijn, is een negentiende-eeuwse gedachte. Taalkundigen ontdekten toen dat de verschillen tussen talen systematisch kunnen zijn: waar Romaanse talen een p hebben, hebben Germaanse een of een vpater correspondeert met vader, pied met voet, pellis met vel. Zulke regelmatigheden noemen we een wet. In dit geval is de voorouder van de Germaanse talen waarschijnlijk ooit gaan afwijken: de p werd een f (en later in het Nederlands een v).

Dat gold voor iedere p: de wet is even hard als willekeurig welke wet uit de natuurkunde, zo meende men. Het blijkt ook, zeker op de langere termijn, voor iedere taalverandering gelden. In ieder geval als je rekening houdt met het feit dat allerlei gebeurtenissen het beeld op het eerste gezicht kunnen verstoren. Behalve vel heeft het Nederlands ook pels, maar dat blijkt een woord te zijn dat we ná die verandering alsnog hebben geleend van het Latijn.

Lees verder “Computer reconstrueert het Latijn”

Bellus Imago

Zomaar een Latijnse inscriptie uit Timgad, vooral omdat ik de letters zo elegant vind.

Marc van Oostendorp had gisteren een aardig stukje over Nederlands Latijn. Er zijn mensen die vinden dat we bij het gebruik van Latijnse woorden in onze eigen taal ook de Latijnse regels moeten volgen. Van Oostendorp citeert iemand die de moeite nam een Nederlandse fotografieclub te schrijven dat ze zich beter geen Bellus Imago (“mooi plaatje”) konden noemen, omdat imago een vrouwelijk woord is en het eigenlijk bella zou moeten zijn. Wat een Romein overigens nog steeds vreemd zou vinden. Het lijkt een latinisering van het Franse belle image.

Maar het volgen van de Latijnse regels is geen wet van Meden en Perzen. Je kunt ook beargumenteren dat een leenwoord, als het eenmaal uit de uitlenende taal is vertrokken, zijn grammaticale regels achterlaat en zich aanpast aan de lenende taal. We zeggen ook dat iets is gehypet, waarbij we het Engelse hype gebruiken als een Nederlands woord. Er is geen bindende reden waarom wij ons zouden moeten houden aan de Latijnse regels.

Net als u en de classici die ik weleens spreek lig ik niet werkelijk wakker van deze kwestie. Ook Van Oostendorp lijkt het eerder curieus dan problematisch te vinden dat iemand die zichzelf typeert als een ooit volijverige gymnasiast zózeer aanstoot neemt van Bellus Imago dat hij de fotoclub een brief schrijft en zelfs een psychologisch profiel opstelt van de fotografen, die zouden hechten aan het prestige van het Latijn maar die taal in feite minachten.

Lees verder “Bellus Imago”