De jacht op papyri

Dodenboek van Takerheb (Nationaal Museum, Kopenhagen)

Nog even, bij wijze van vervolg op het stukje over de vervalste Dode Zee-rollen van gisteren, een krabbel over antieke teksten. Die worden meestal gevonden in Egypte, waar het droge klimaat ervoor zorgt dat papyri goed bewaard blijven en waar de overheid onmogelijk alle vindplaatsen kan beschermen. Wat er tijdens de Arabische Lente is gebeurd met de met veel bravoure aangekondigde “Vallei van de Gouden Mummies”, weet geen mens. Althans geen enkele wetenschapper.

Het helpt ook niet dat in Egypte een traditie is ontstaan die echt kan worden aangeduid als het jagen op papyri. Westerse geleerden reisden naar de Nijlvallei om papyri te bemachtigen, waren bereid daarvoor te betalen en boden de bevolking zo een kans om goed geld te verdienen. Terugblikkend op zijn reizen in 1909-1911 schreef Ernest Alfred Wallis Budge (1857-1934) dat hij “urged the natives to search for more unopened graves in ancient Coptic cemeteries, and to try to find me more ancient texts”.

Het is overigens een misverstand dat veel teksten in graven zouden worden gevonden, al is het weleens gebeurd, zoals met het Evangelie van Petrus.

In de dagen van Wallis Budge werd er overigens ook al schande van gesproken. Berucht is het conflict tussen de Zwitserse opgraver Édouard Naville (1844-1926), die alleen maar teksten wilde hebben, en William Flinders Petrie (1853-1942), die ook wilde weten waar ze vandaan kwamen. Hij begreep dat een tekst die niet uit een gecontroleerde opgraving kwam, een vervalsing kon zijn. Hij wist bovendien dat papyri ook als voorwerp belangrijk zijn. Het maakte uit waar in een dorp ze werden gevonden – dat was blijkbaar het archief en het gemeentehuis. Naville was verbijsterd: “You might as well make a plan of the position of raisins in a plum-pudding”.

In veel discussies zijn er twee kanten. Maar niet in dit geval. Alleen Flinders Petrie had gelijk.

Wie ook gelijk hebben, zijn de archeologen die hun woede verbijten als er weer classici zijn die denken dat ze unprovenanced papyri of perkamentsnippers kunnen uitgeven. Je moet er gewoon met je tengels van afblijven. Niet alleen kunnen ze vals zijn en hebben ze wetenschappelijk geen waarde, je stimuleert er de plundering van erfgoed mee. Voor elke unprovenanced papyrus die wordt uitgegeven, gaan er meer verloren. Meer valt er niet over te zeggen.

Maar ja, het is voor wetenschappers soms zo verleidelijk wél iets te doen met unprovenanced voorwerpen. Een tijdje geleden herinnerde een medewerker van de Vrije Universiteit er in De Volkskrant aan dat er op de zwarte markt weleens een kleitablet was gevonden met een fragment van het Gilgamesh-epos. Zonde toch om zoiets te laten liggen? Ja, maar door er toch iets mee te doen, begaat de wetenschapper een nog grotere zonde: hij bevordert dat er nog meer waardevolle teksten verloren gaan. Ik vraag me weleens af of De Volkskrant het normaal vindt dat ze een oproep tot heling heeft geplaatst.

5 gedachtes over “De jacht op papyri

  1. FrankB

    “Zonde toch om zoiets te laten liggen?”
    Nee, geen zonde. Het ding is waardeloos geworden (in de kunstwereld hebben ze dat blijkbaar beter begrepen) en het kan dus net zo goed (met enige overdrijving) in de plaatselijke souvenir winkel uitgestald worden. De enige reden waarom het zonde is om zoiets te laten liggen is omdat domoren als die medewerker (van mij had je die best met naam en toenaam mogen vermelden – zijn ze in de kunstwereld ook niet terughoudend mee) en hun goedgelovige klanten bereid zijn er een hoop geld voor uit te trekken.

    1. jan kroeze

      @frankb: wat begrijpen ze in de kunstwereld beter? Het is er in het algemeen een rommeltje naar mijn mening.

  2. Wim Raven

    Door de verandering van het klimaat regent het daar tegenwoordig vaker. Ik hoop niet dat de nog te ontdekken papyri gaan rotten.

Reacties zijn gesloten.