Ik nodigde u onlangs uit om vragen te stellen in mijn reeks “vragen rond de jaarwisseling” en ik heb de vier blogjes met antwoorden inmiddels geschreven. Morgen de eerste aflevering. Eén vraag was echter meer complex. Ze betrof de bronnen en het antwoord vergde een apart stukje, dus bij dezen.
Kan je nog eens de definities herhalen/bevestigen van een primaire en een secundaire bron?
Papyri en andere oudheden uit het museum in Malawi belandden op de zwarte markt
Volgens mij zijn de fascinerende huisregels van deze blog zó fascinerend dat iedereen ze elke dag herleest. En de fascinerendste regel is dat ik me niet wil inlaten met illegale oudheden. Desondanks blijven mensen me benaderen die blijkbaar door de huisregels niet gefascineerd genoeg zijn.
Nog onlangs was er bijvoorbeeld iemand die schreef in de Ardennen iets fantastisch te hebben gevonden en daarover mijn advies wilde. Op de suggestie contact op te nemen met de archeologische autoriteiten volgde “dan niet”, en met die onbeschoftheid beschouwde hij de correspondentie als beëindigd. Voor alle anderen die onvoldoende gefascineerd zijn door de huisregels (en zonder een kwaad woord te willen spreken over de bona fide handelaren en verzamelaars) leg ik nog één keer uit waarom je beter geen oudheden kunt kopen als je niet heel goed weet waar ze vandaan komen.
Reconstructie van de wandschildering uit de Villa van Maasbracht, nu te zien in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.
De vaste bezoekers van deze blog weten het: als er een aflevering is in de nogal onregelmatig verschijnende reeks faits divers, dan zullen het wel weer wat onsamenhangende faits divers zijn. En het is krek zo.
Woorden tellen
Het is vrij algemeen bekend – en ook niet onwaar – dat het Romeinse Rijk in de eerste en tweede eeuw na Chr. een bloeiperiode meemaakte. Maar hoe meet je zoiets? Je kunt scheepswrakken gaan tellen en die aantallen gebruiken om de groei en afname van het handelsvolume te documenteren. Je kunt jaarringen analyseren en constateren dat het klimaat in de derde eeuw veranderde. Je kunt opgegraven botten tellen en uitspraken doen over vleesconsumptie. En je kunt de bouwjaren van monumentale gebouwen in een grafiek zetten en aannemen dat elk gebouw twee eeuwen heeft gestaan, en zo constateren hoeveel monumenten er op een gegeven moment waren. Ook kun je inscripties per decennium tellen, om zo een indruk te krijgen.
En nu is er een nieuwe methode: woorden in papyri tellen. Er is een piek in de tweede eeuw. Niet onverwacht. Wel een extra argument.
De papyri van Herculaneum, waarvan u er in 2007 enkele gezien kunt hebben in het Nijmeegse Valkhofmuseum, moeten voor classici een tantaluskwelling zijn. De geleerden weten dat deze teksten bestaan, willen er dolgraag bij maar kunnen dat niet. De boekrollen zijn namelijk gevonden in een Romeins landhuis dat in het jaar 79 na Chr. door de Vesuvius is verwoest. De kwetsbare papyrusrollen zijn volledig verkoold.
Om ze te lezen, moeten onderzoekers de beschadigde rollen eerst afrollen, wat het gevaar met zich meebrengt dat ze verpulveren. Men is dus terughoudend en daarom zijn er nog veel onbeantwoorde vragen. We weten bijvoorbeeld nog niet om hoeveel teksten het gaat. De schattingen lopen uiteen van de 650 tot 1100 werken.
Met galinkt op perkament geschreven amulet met magische tekens; zesde of zevende eeuw. Let op het Sator Arepo op de bovenste regel: een Latijnse spreuk, geschreven in het Grieks. (Neues Museum Berlijn)
Nog even een stukje over papyri. Sinds de Green-collectie zijn gestolen papyri heeft teruggestuurd naar Egypte, hoor ik nogal wat vragen. Eén daarvan:
Hoeveel waarde hebben deze items nou nog voor het Koptische museum, zonder die gedocumenteerde provenance, afgezien van de bemoeienissen om de illegaliteit tegen te gaan?
Het antwoord is dat het ervan afhangt. Het punt is, vrij simpel, het volgende: sommige oudheden kunnen zonder gedocumenteerde provenance vals zijn, maar van andere kunnen we vaststellen dat ze echt zijn.
In een van de vitrines van de afdeling Egypte van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden ligt de Amunpapyrus, een van de beroemdste teksten uit de oude wereld. Hoewel we over de herkomst slechts vermoedens hebben, is er geen twijfel aan de echtheid. Hij is namelijk al bekend sinds 1828, toen het nog jonge museum de collectie verwierf van Giovanni d’Anastasi (1780-1860), een Griekse koopman die in Egypte was beland, het vertrouwen had gewonnen van de Ottomaanse onderkoning Mohammed Ali en allerlei oudheden had verzameld. Weliswaar kunnen we over unprovenanced oudheden niet sceptisch genoeg zijn en is het zeker denkbaar dat d’Anastasi de dupe is geweest van bedrog, maar het is niet aannemelijk dat een vervalser in het eerste kwart van de negentiende eeuw én de juiste inkt zou hebben bereid én de beschikking zou hebben gehad over een fors antiek papyrusblad én een Egyptische tekst kon schrijven waaraan egyptologen sindsdien weinig vreemds hebben herkend.
Omdat Anastasi veel voorwerpen heeft aangekocht in Thebe, is aannemelijk dat de Leidse papyrus daarvandaan komt, temeer omdat in die stad een netwerk was van Amuntempels, waarvan het complex te Karnak de voornaamste was. Vanaf de zestiende eeuw v.Chr. gold de god van Thebe als de belangrijkste in Egypte en was zijn stad hét religieuze centrum van het land. Het was een van de plaatsen die werd genoemd als locatie van de oerheuvel, waar nog voor het begin van de tijd het eerste land boven de oerwateren was verschenen.
Ik heb het al eerder verteld maar het kan geen kwaad het nog eens uit te leggen: er is geen hogere wiskunde nodig om een papyrus zo te vervalsen dat die geloofwaardig kan doorgaan voor antiek.
Methode één
Voor een eerste oefening kocht ik modern papyrus. Bij Vlieger aan de Amstel was een flink blad te verkrijgen voor nog geen €8,00. Het zag er goed uit. Bij de tekenbenodigdhedenwinkel om de hoek kocht ik voor €3,87 zwarte inkt, voor €1,01 een penhouder en voor €0,70 een pen. In totaal €13,58 dus. Omdat ik zelf niet handig ben in het schrijven van Hebreeuws, combineerde een vriend Leviticus 18.22 en 20.13, de twee verzen uit de Heiligheidscode die aan het tempelpersoneel homoseksuele handelingen verbieden. In ruil voor één lunch in de Brakke Grond, bestaande uit een Westmalle Tripel en een uitsmijter (samen €11,55), zette hij de twee verzen met soepele hand op het schrijfmateriaal. Er is geen forger’s tremor waarneembaar, de aarzeling van een vervalser die niet gewend is een bepaald handschrift te schrijven.
Ik heb de laatste tijd met verbijstering gekeken hoe de papyrologie (de bestudering van antieke tekstfragmenten dus) door schandalen ten onder gaat. Het begon in 2012 met de rel rond het Evangelie van de Vrouw van Jezus: het stond meteen vast dat dit een vervalsing was maar desondanks ging de ontdekster, een Harvard-onderzoeker, ermee naar het lab, alsof dat echtheid kon bewijzen. Anderhalf jaar later waren er de Sapfo-fragmenten. De ontdekker legde rookgordijnen over de herkomst en er werden onwaarheden verspreid over zogenaamd dateerbare inkt. Het enige wat we tot op heden weten is dat de ontdekker, een Oxford-geleerde, inmiddels geldt als dief (wat hij via zijn advocaten tegenspreekt). Verder zijn er vier gevallen waar vervalsingen voor echt zijn aangezien. De financiële schade van dit oudheidkundige gestuntel loopt in de miljoenen en de werkelijke schade aan onze kennis valt niet te begroten.
En ik snap het gewoon niet. U verdient tien punten als u mij kunt vertellen hoe weinig je hoeft te weten om een baan te krijgen in Harvard. U verdient ook tien punten als u me vertelt wat een medewerker in Oxford (onafhankelijk, goed loon, pensioenopbouw…) beweegt papyri te gaan stelen. U verdient vijf bonuspunten als u me zegt waarom het keurige Zeitschrift für Papyrologie und Epigraphik materiaal uitgaf waarvan wordt vermoed dat het is gestolen. En ik heb zaterdagavond zitten piekeren over nog een andere vraag: waarom hebben we deze problemen wel bij antieke teksten en niet ook bij middeleeuwse?
Een maand of wat geleden kreeg ik een vriendelijke brief van iemand die oudheden verzamelde en deze blog volgt. De keuze voor een ouderwets medium vond ik leuk en volgers vind ik ook altijd leuk, dus ik was meteen in een goed humeur. Hij noemde een gemeenschappelijke kennis uit de kunsthandel, wat ik een leuke introductie vond, en wilde me zijn collectie eens tonen, wat ik ook al leuk vond. Meer specifiek vroeg hij alvast mijn aandacht voor enkele papyri die hij lang geleden had aangekocht. Hij wist dat ik daarin geïnteresseerd zou zijn – inpapyrologiezitmomenteelimmersnogalveeloudheidkundignieuws – en wilde er eens met me over praten.
Zoals te verwachten werd het een aangename middag. Het is altijd fijn als een verzamelaar vertelt, want zo iemand heeft zijn hart erin liggen. Herinneringen hoe hij meteen verliefd was geworden op een mooi Romeins beeldje. Reisverhalen. Een anekdote over een vervalsing. Foto’s van voorwerpen die hij ooit had bezeten maar weer had verkocht.
Zomaar een mooie papyrus met een fragment van Euripides’Melanippe (Neues Museum, Berlijn)
Stel, archeologen graven in Egypte een kleine verzameling papyri op waarop Griekse teksten blijken te staan. Een classicus die de papyri krijgt te zien, herkent iets raars: het is onmiskenbaar poëzie, want de teksten zijn metrisch, maar ze rijmen ook, wat in de antieke dichtkunst ongebruikelijk is. De oudheidkundigen van ons voorbeeld hebben vanaf nu meer vragen dan antwoorden, maar nog voor ze de eigenlijke vraag hebben kunnen stellen (“wat bracht de dichter op het idee van deze poëtische innovatie?”), moet ze weten wanneer die innovatie plaatsvond. Kortom: hoe oud is een papyrus?
Dagtekeningen
In dit geval weten we zeker dat de papyri antiek zijn, want ze komen uit een opgraving. Onze onderzoekers willen echter specifieker zijn. Het liefst hebben ze natuurlijk dat de datum er gewoon op staat. Dit is ook een redelijk gebruikelijke methode om antieke teksten te dateren, aangezien de kalender die in Egypte werd gehanteerd, weinig geheimen kent. Helaas zijn literaire teksten, zoals die in ons voorbeeld, niet vaak voorzien van een dagtekening. Dat is meer iets voor ambtelijke stukken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.