Sprookjes, gecatalogiseerd

Na lang intensief speuren ben ik dankzij een antiquariaat in Niesky (Saksen) voor een schappelijk bedrag in het bezit gekomen van een exemplaar van de catalogus uit 1943 van J.R.W. Sinninghe (1904-1988): Katalog der niederländische Märchen-, Ursprungssagen-, Sagen- und Legendenvarianten. Deze rubriceringscatalogus inclusief literatuurverwijzingen is na de index van Aarne-Thompson-Uther (ATU) zo’n beetje de belangrijkste indexering op dit gebied. Hij wordt bij gebrek aan een alternatief nog steeds gebruikt.

Richt de ATU zich in principe op sprookjes, Sinninghe richt zich meer op sagen en legenden. Beginnen de rubriceringen uit de Aarne-Thompson-Uther-index met de letters ATU, gevolgd door een doorlopend volgnummer, de rubriceringen uit Sinninghe worden gecodificeerd met de letters SIN gevolgd door

  • AT voor sprookjes (deze zijn namelijk een toevoeging aan de toenmalige Aarne-Thompson-index – Uther kwam er pas later aan te pas),
  • SAG voor sagen,
  • UR voor oorsprongssagen (Ursprungssagen) en
  • LEG voor legenden.

SINAT, SINSAG, SINUR en SINLEG worden telkens gevolgd door een volgnummer. Zo verwijst SINSAG 0689 op p.98 naar het motief van de rattenvanger (b.v. van Hamelen).

De vier hoofdgroepen worden verder onderverdeeld. Zo kent Sagen de volgende onderverdeling:

  • A. Dämonensagen:
    • Wasserdämonen, nrs 1-50
    • Erddämonen, 51-180
    • Feuerdämonen, 181-220
    • Luftdämonen, 221-500
  • B. Zaubersagen:
    • Hexen, 501-660
    • Zauberer, 661-780
    • Mahren, 781-800 (M. = nachtmerrie)
    • Wehrwölfen, 801-850
  • C. Teufelsagen, 851-980
  • D. Historische Sagen, 981-1400

Zo zijn de Wasserdämonen weer onderverdeeld in Neck, Nixe, Meerweib en Andere Wasserdämonen. Verder dan de vier hoofdgroepen, subgroepen en nadere subgroepen gaat de onderverdeling niet. De type-codificatie van de Belgische volksverhalenbank (niet te verwarren met die van het Meertens Instituut) is gebaseerd op de indeling van Sinninghe.

Er zitten wel een paar haken en ogen aan de deze catalogus.

  1. Hij dateert van 1943, is eenmalig gedrukt en nooit gewijzigd, dus de informatie strekt niet verder dan 1943. Daarnaast is Sinninghe met zijn indeling wel erg georiënteerd op het (vermeende) Germaanse erfgoed.
  2. Een Nederlander die in 1943 een boek laat uitgeven in het Duits, dat kan geen toeval zijn. Inderdaad is het oorlogsverleden van Sinninghe niet smetteloos, hoewel anderzijds gezegd moet worden dat hij niet echt heulde met de nazi’s maar ‘gewoon’ zijn werk als volkskundige wilde voortzetten, zoals Mengelberg ‘gewoon’ muziek wilde blijven maken en derhalve compromissen met de bezetter sloot. Om die reden wilde de bekende Voskuil na de oorlog de catalogus niet gebruiken en was hij van mening een beter systeem te hebben bedacht, maar dat is vooral een veredeld trefwoordensysteem en het is bij mijn weten nooit standaard geworden.
  3. De catalogus van Sinninghe is niet echt gebruiksvriendelijk en dat is vooral te wijten aan het missen van een inhoudsopgave, hetgeen het zoeken nogal vertraagt. Nu heb ik van een bereidwillige senior wetenschappelijk medewerker van het Meertens Instituut een digitaal zelfvervaardigde uitgebreide inhoudsopgave met typenummers voor wat betreft de Sagen en de Ursprungssagen ontvangen en dat scheelt een paar slokken op een borrel, maar het ontbreken hiervan in de oorspronkelijke uitgave blijft een gemis.

Zou het niet zinvol zijn – en dat is de eigenlijke reden van dit stukje – als een paar tikfanaten van de DBNL of andere geroepenen de catalogus digitaal zouden overtypen en zo dit werk niet alleen voor alle volkskundigen, literatuurwetenschappers, antropologen, folkloristen en historici gemakkelijk bereikbaar zouden maken maar bovenal digitaal doorzoekbaar? En dat er van de gelegenheid gebruikt gemaakt wordt er een fatsoenlijke inleiding en eventueel inhoudsopgave bij te vervaardigen?

Ik stel voor dat we zo’n digitale uitgave de ‘Corona-editie 2020’ gaan noemen. Ik heb vernomen dat de pionier op digitaliseringsgebied, dr Nicoline van der Sijs, zich opgeworpen heeft als een soort coördinerende bezigheidstherapeute voor personen die momenteel noodgedwongen thuis zitten te niksen en zich eigenlijk als zodanig best nuttig zouden willen maken.

(Met dank aan Theo Meder voor informatie over de huidige status van de catalogus van Sinninghe.)

[Op mijn uitnodiging om met enkele gastbijdragen dit tot een coronavrije ontmoetingsplaats te maken, ging ook Hans Overduin in. Dank! Meer gastbijdragen zijn welkom.]

11 gedachtes over “Sprookjes, gecatalogiseerd

  1. Pek van Andel

    Diligente Jona,
    In dezelfde serie, nummer 98, vond ik indertijd, ter plekke geholpen door een even kundige als ge-interesseerde bibliothecaris, een Duitstalige versie, ook in een Finse uitgave, van het sprookje over De omzwervingen van de drie Prinsen van Serendip, in de UB in Groningen! Totus tuus,
    Pek van Andel.

  2. Henk Ras

    Het is een geweldig leuke vondst van zo’n catalogus en ik wil best vijf bladzijden per week overtypen, maar ik heb toch wel een paar vragen.
    – wat vinden sprookjesdeskundige neerlandici van je voorstel?
    – en de directie van het Meertens Instituut?
    – en is het in dit computertijdperk niet eenvoudiger alle bladzijden te scannen en zo elektronisch de wereld in te sturen?

  3. Christo Thanos

    Scannen en OCR gebruiken? Hoef je alleen de opmaak te doen en de foutjes eruit te halen. Iemand van je trouwe lezers weet via haar/zijn netwerk wel iemand die daar meer van weet.

    1. Klaas

      En de huidige redacteur van FFC (Folklore Fellows Communications) heet Doctor Kikker…. (zie de website).

  4. kees huyser

    Scannen, en dan de scans invoeren in een volledige versie van Adobe Acrobat. Daar de OCR doen. Je kunt dan in Acrobat zoeken en de originele tekst op je scherm zien 🙂

  5. Bert Schijf

    Ouderwets overtypen zou beteken dat het twee keer overgetypt moet worden om de typefouten eruit te halen. Scannen lijkt me de eerste stap. Dat kost geld. Daarna op zoek naar een goede OCR die al die Duitse umlauten aankan. Dat levert altijd wel foutjes op dus daarna nog eens interactief controleren. Het Amsterdamse Stadsarchief doet dat soort werk via de website Vele Handen.

    1. Bert Schijf

      Ik krijg zo langzamerhand de indruk dat die bijzondere ontdekking helemaal niet zo bijzonder is, maar iemand niet goed gezocht heeft. 1943 is een nogal dubieus jaar overigens.

Reacties zijn gesloten.