Tyfus in Athene

Schedel van Myrtis (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

Als de republikein Garibaldi het kon opbrengen koning Victor Emanuel te erkennen als soeverein van het eengeworden Italië, dan moet ik over mijn voorkeuren kunnen stappen en ingaan op een vier keer gedaan verzoek: kan ik niet eens bloggen over epidemieën in de Oudheid?

Natuurlijk kan dat. Eerst de klassieke bron: Thoukydides, die een beroemde beschrijving heeft gegeven van wat – zo is een paar jaar geleden vastgesteld – een uitbraak is geweest van tyfus. Na die “longread” nog wat links, inclusief uitleg van het plaatje hierboven. Morgen zal ik dan uitleggen waarom ik dit soort blogs niet te vaak wil doen.

Maar eerst een van de aangrijpendste teksten uit de Oudheid. Het is 430 v.Chr. en de Archidamische Oorlog, waarin de Spartanen probeerden de macht van Athene te breken, is het tweede jaar ingegaan. Thoukydides heeft net een redevoering gepresenteerd die de politicus Perikles zou hebben gehouden bij de uitvaart van de eerstgevallenen. In feite is dat helemaal geen grafrede maar een lofrede op Athene. Des te harder is het contrast met wat volgt: de beschrijving van een epidemie waarin de Atheners, de zelfbenoemde “school van Hellas”, zich bepaald niet van hun beste zijde laten zien. De vertaling van De Peloponnesische Oorlog 2.47-54 is van M.A. Schwartz.

De Spartanen waren nog niet veel dagen in Attika toen de ziekte voor het eerst uitbrak onder de Atheners. Men zegt dat al eerder Lemnos en andere plaatsen daardoor werden getroffen, maar men herinnerde zich niet dat ergens anders een zo hevige pest voorgekomen is en zovelen ten grave heeft gesleept. Aanvankelijk waren de dokters, die de ziekte niet kenden, niet in staat haar te behandelen, maar zij stierven zelf het meest omdat zij het meest met de zieken in aanraking kwamen. Geen andere menselijke kunst bracht enig baat. Even nutteloos waren gebeden in de tempels, het raadplegen van de orakels en dergelijke dingen; tenslotte zagen de Atheners daarvan af en gaven zij zich gewonnen aan hun ellende.

De ziekte begon – zo zegt men – in Ethiopië, ten zuiden van Egypte en verbreidde zich daarna over Egypte en Libië en het grootste gedeelte van het gebied van de Perzische koning. In de stad Athene brak ze plotseling uit en greep ze eerst de bewoners van Piraeus aan, zodat door hen beweerd werd dat de Peloponnesiërs de waterreservoirs hadden vergiftigd … Later drong ze door tot de bovenstad en nam het aantal sterfgevallen aanzienlijk toe.

Laat nu een ieder, dokter of leek, zeggen wat naar zijn mening waarschijnlijk de oorsprong van de ziekte was en welke oorzaken een zo ingrijpende invloed konden uitoefenen. Ik zal beschrijven hoe het verloop van de ziekte was en die symptomen meedelen, waaraan men, als zij opnieuw mocht uitbreken, … haar het best zou kunnen herkennen, ik die zelf de ziekte heb gehad en er anderen aan heb zien lijden.

Dat jaar was – daarover waren allen het eens – merkwaardig vrij van andere ziekten, maar als iemand van te voren ziek was, liep die kwaal steeds op deze ziekte uit. Maar de anderen, volkomen gezond, zonder enige aanwijsbare oorzaak, werden plotseling aangegrepen eerst door brandende hitte in het hoofd, door roodheid en ontsteking van de ogen en inwendig werden terstond keel en tong bloedig en de adem werd onnatuurlijk en kwalijk riekend. De volgende symptomen waren niesbuien en heesheid en dan duurde het niet lang of de ziekte daalde af naar de borst, gepaard met hevig hoesten. Wanneer zij de maag aantastte keerde ze die binnenste buiten met galbrakingen van elke soort waarvoor de dokters een naam hebben, die hevige pijn veroorzaakten. Loze brakingen overvielen de meesten, die heftige krampen meebrachten, die bij sommigen spoedig ophielden, maar bij anderen eerst veel later. Van buiten voelde het lichaam niet al te warm aan en het was niet bleek, maar de huid was roodachtig en loodkleurig, uitslaande met kleine blaren en zweren. Maar van binnen gloeide het zo, dat men zelfs de dunste kleren en bedekking van linnen niet kon verdragen en slechts naakt wenste te zijn; het liefst zou men zich in koud water werpen. Velen van hen die geen verzorging hadden deden dat en dompelden zich in putten, door onlesbare dorst gekweld. Of zij veel of weinig dronken, de dorst bleef dezelfde. En doorlopend teisterde hen de ellende van onrust en slapeloosheid.

Zolang de ziekte op haar hevigst was vermagerde het lichaam niet, maar boven verwachting weerstond het de ellende, zodat de meesten, wanneer zij op de negende of zevende dag door de inwendige koortshitte stierven, nog niet geheel verzwakt waren. Als zij die crisis overleefden, daalde de ziekte af naar de buik en veroorzaakte hevige ettering en dunne diarree, waaraan de meesten later door uitputting stierven. Want de ziekte, die eerst post vatte in het hoofd, van boven af beginnend tastte het gehele lichaam geleidelijk aan en wanneer iemand het ergste had overleefd, liet zij de sporen van haar aanval achter op de extremiteiten; want schaamdelen, vingers en tenen werden aangetast en velen van hen die herstelden werden daarvan beroofd, anderen weer van hun ogen. Sommigen ook, zodra de genezing intrad, leden aan een totaal verlies van geheugen, zodat zij noch zichzelf noch hun vrienden herkenden.

Deze vorm van ziekte, die geen woorden kunnen beschrijven, overviel een ieder met een groter geweld dan de menselijke natuur kon verdragen en bleek onder meer van gewone ziekten vooral in het volgend opzicht te verschillen: de vogels en dieren die lijken eten, hoewel er vele doden onbegraven lagen, kwamen er niet op af, of als zij er van hadden gegeten, stierven zij. Een bewijs hiervan was de opvallende afwezigheid van zulke vogels, die noch bij de lijken noch elders te zien waren. Maar de honden, die met de mensen samenleven, gaven meer gelegenheid om deze uitwerking van de ziekte waar te nemen.

Zo dan was het algemene beeld van de ziekte, hoewel ik vele andere merkwaardige verschijnselen heb achterwege gelaten, die zich op verschillende wijze bij de verschillende zieken voordeden. Aan andere gewone ziekten leed men gedurende deze tijd niet en als er een voorkwam, liep deze hierop uit.

Sommigen stierven door verwaarlozing, anderen ondanks de beste verpleging. Om zo te zeggen geen enkel geneesmiddel werd gevonden, waarbij zij die het aanwendden baat hadden moeten vinden; wat de een baatte, schaadde de ander. Geen enkel gestel, sterk of zwak, bleek bestand tegen de ziekte die allen meesleepte, ook hen die met de grootste zorg werden behandeld.

Het verschrikkelijkste van alles was de moedeloosheid die iemand aangreep, wanneer hij bemerkte dat hij ziek was; zij lieten dadelijk alle hoop varen en zij verloren te snel hun geestkracht en weerstand. Vreselijk ook de aanblik van hen die als schapen stierven, omdat de een door verpleging van de ander besmet was. Dit veroorzaakte de grootste sterfte. Want wanneer zij uit vrees elkander niet wilden bezoeken, stierven de zieken in verlatenheid en vele families stierven uit door gemis aan iemand die hen verpleegde. Indien zij naar de zieken toegingen, stierven zij zelf, vooral zij die aanspraak maakten op moed. Uit eergevoel gingen zij zonder zich te sparen bij hun vrienden binnen op een ogenblik waarop zelfs de familieleden tenslotte overmand door de vele ellende hun weeklachten om hen die stierven niet hadden volgehouden. Meer nog hadden medelijden met de zieken en de stervenden zij die van de ziekte hersteld waren; zij wisten wat het was en voelden zich zelf veilig; want voor de tweede maal greep de ziekte niemand aan, althans niet met dodelijke afloop. Zij werden door de anderen gelukgewenst en zelf in hun ogenblikkelijke vreugde koesterden zij de lichtvaardige hoop in de toekomst nooit meer aan een andere ziekte te zullen sterven.

Wat hun ellende nog vergrootte was de verhuizing van de mensen uit de akkers naar de stad en wel het meest voor de binnenkomenden. Huizen waren er niet, maar zij woonden in het heetst van de zomer in benauwde hutten, waar zij bij massa’s stierven. De lijken lagen opeengestapeld en meer dood dan levend sleepten de zieken zich voort op de straten en bij de bronnen, snakkend naar water; de tempels waarin zij onderdak hadden gezocht lagen vol lijken van hen die daar stierven.

Want door leed overweldigd bekommerden de mensen, die niet wisten wat er van hen worden moest, zich niet meer om godsdienst en vroomheid. Alle gebruiken, die zij vroeger in acht namen bij de begrafenissen, werden nu veronachtzaamd; ieder begroef zijn doden zo goed als hij kon. Velen, uit gebrek aan het benodigde wegens de steeds talrijke sterfgevallen in hun familie, veroorloofden zich de meest schaamteloze middelen. Want als zij eerder kwamen bij een brandstapel die door anderen was opgericht legden zij hun eigen dode daarop en staken die aan. Of als zij een andere brandstapel aantroffen die reeds brandde, wierpen zij het lijk dat zij droegen er bovenop en gingen heen.

De ziekte gaf ook voor het eerst in andere opzichten aanleiding aan de stad tot grotere wetteloosheid. De mensen durfden nu gemakkelijker te doen waarop zij hun zinnen hadden gezet, wat zij vroeger verborgen plachten te houden, omdat zij zagen hoe onverwacht het lot kon omslaan, hoe de rijken plotseling stierven en de vroeger bezitslozen dadelijk hun rijkdom erfden. Het leven en het geld achtten zij zo vergankelijk, dat zij er snel van wilden genieten en het voor hun plezier besteden. Zich in te spannen voor een schoon doel, daartoe was niemand bereid, omdat het onzeker was of hij niet vóór het bereiken ervan van het leven zou worden beroofd. Al wat voor het ogenblik aangenaam was en wat hoe dan ook daartoe kon bijdragen gold voor schoon en nuttig.

Door geen vrees voor de goden, geen menselijke wetten liet iemand zich weerhouden; zij meenden dat het op hetzelfde neerkwam de goden wel of niet te vereren, daar zij allen zonder onderscheid zagen sterven en niemand verwachtte lang genoeg te zullen leven om voor zijn vergrijpen terecht te staan en gestraft te worden. Zij voelden dat een veel zwaarder vonnis over hen geveld was en hun boven het hoofd hing, zodat het begrijpelijk was, dat zij vóór de voltrekking daarvan nog iets van het leven wilden genieten.

Zo was de ramp die de Atheners trof en groot leed bracht; binnen de muren stierven de mensen en daarbuiten werd het land verwoest. In deze ellende was het begrijpelijk, dat zij zich de volgende versregel herinnerden, volgens de ouderen een vroegere voorspelling: “Eens komt een Dorische oorlog en de pest vergezelt hem.” De mensen werden het er niet over eens of in deze oude versregel gesproken was van loimos (pest) of van limos (honger), maar natuurlijk behaalde in de gegeven omstandigheden het woord loimos de overwinning; want de mensen  pasten hun herinnering aan aan het leed dat hen trof. Maar … als ooit een andere Dorische oorlog, later dan deze, mocht uitbreken en gepaard gaat met honger, dan zullen zij vermoedelijk de andere lezing verkondigen.

***

Tot zover. Een andere beschrijving van een epidemie is te vinden in Lucretius’ Over de aard van de dingen 6.1090-1286 en wordt u hier voorgelezen door Piet Schrijvers, emeritus hoogleraar Latijn in Groningen en Leiden.

Epidemieën waren een paar jaar geleden, toen het DNA-bewijs begon te komen, een tijdje nogal hip. Niet zo vreemd natuurlijk want over de Emerging Infectious Diseases was toen veel te doen: ziekten als HIV, SARS, Zika en nu dus Corona. Genetici en historici hebben drie grote ziekte-uitbraken geïdentificeerd, te weten de pest in de zesde eeuw n.Chr., een ebola-achige ziekte rond het midden van de derde eeuw en pokken ten tijde van keizer Marcus Aurelius. Ik heb er al eens over geblogd en verwijs daarnaar.

De epidemie die Athene trof en waarover Thoukydides schreef, is eveneens geïdentificeerd: het gaat om tyfus. Ook daarover leest u hier meer. Een van de slachtoffers was Myrtis, wier schedel u hierboven zag. Ze werd begraven op het Kerameikosgrafveld voor de poorten van Athene. Er is een gezichtsreconstructie waarmee ik afrond. Morgen meer.

Gezichtsreconstructie van Myrtis (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

13 gedachtes over “Tyfus in Athene

  1. Eén van de oudste teksten uit Nederland over epidemieën is te vinden in de kroniek van Wittewierum. Na de fatale overstromingen van 1250/51 in Frisia werden velen getroffen door een ziekte met gezwellen in de nek. Uitbranden met een gloeiende pook wordt daar als enige werkende therapie beschreven. Ook bezweert abt Menko om vooral alle dode runderen (er was tegelijk ook een veepest) diep te begraven.

    Overigens leidde de prijsverhoging van het graan in de stad Groningen als reactie op de hongernood tot zo’n woede bij de Friese Ommelanders, dat dezen een dertigjarige interne oorlog over het bezit van een nieuwe kwelder in de Waddenzee bijlegden, samen optrokken tegen de stad, en voorgoed de macht van de feodale ridders daar braken. Voortaan zou de zwaardmacht bij de gemeenteraad liggen, en werd de feodale Prefect tot pro forma zegelaar gedegradeerd.

    1. FrankB

      “Friese Ommelanders”
      Het is niet zo duidelijk in hoeverre de Ommelanders rond 1250 CE nog wel Fries waren. Het Gorecht en Westerwolde waarschijnlijk niet. De Veenkoloniën bestonden uiteraard nog niet.
      Groningen Stad was vanaf het begin een koopmansstad en dus bepaald niet feodaal. De Ommelanden waren dat wel; zie de borgen. De Fraeylemaborg staat bv. in Slochteren.
      Dat Stad en Ommelanden in de tweede helft van de Middeleeuwen net zo zinderden van de politieke tegenstellingen als de rest van het land staat vast.
      Dus ik ben wel nieuwsgierig naar uw bron(nen).

      1. Altijd tegen de keer in, Frank.

        ‘Ommelander’ is hier de anachronistische term, want de Friezen boven Groningen voelden zich bepaald nog geen satelliet van de Stad in 1250, en zij identificeerden zich volop als Fries, zoals die kroniek, die je echt eens zou moeten lezen, overduidelijk aantoont.

        Gorecht en Westerwolde waren geen Ommelanden. Gorecht viel onder de prefect van Groningen, Westerwolde was in de 13e eeuw helemaal niet in beeld vanuit de stad.

        Groningen was in de 12e eeuw wel degelijk een echt feodaal bezit van de Utrechtse kerk, met een prefect (burggraaf), ridders in kastelen en domaniale bedrijven met horigen. De koop- en ambachtslieden woonden daar op uit voormalig koningsgoed uitgegeven percelen.

        1. FrankB

          Dank u wel.
          Is die kroniek op internet te vinden?
          Want ik kan mij niet veroorloven alles aan te schaffen wat mij op internet door (halve) onbekenden wordt aangeboden.

          1. De Latijnse tekst is wel ergens te vinden op het internet, maar er is een mooie vertaling (inclusief Latijnse bron)

            https://verloren.nl/boeken/2086/235/370/kronieken/kroniek-van-het-klooster-bloemhof-te-wittewierum

            Het is prijzig, maar een fantastische bron die heel veel aspecten van de 13e eeuwse samenleving bevat. Ook wereldpolitiek komt ter sprake: een reisverslag van de zeiltocht in een kogge van de Hunze naar Palestina door een kruisvaarder, een verslag van de komst van de Mongolen in Mesopotamië, de eerste buitenlandse student in Oxford (dat was de eerste abt). Overstromingen, een voettocht naar Rome, op kerstdag de Bernhardpas over, het beleg van Aken waar de Friezen de stad onder water zetten, om maar een paar dingen te noemen.

            Ik heb het zelf tweedehands gekocht.

            1. FrankB

              “Het is prijzig,”
              Sorry, dan nee, ook niet tweedehands.
              Ik moet nu eenmaal strenge financiële prioriteiten stellen.

  2. Arnold den Teuling

    Groningen maakte als oorspronkelijke “villa in pago Drentiae” (of welke spelling dan ook) deel uit van het wereldlijk en het kerkelijk gebied van de bisschop van Utrecht. Om het wat ingewikkelder te maken waren het Gorecht, inclusief Selwerd (al heel lang stadswijk van Groningen) onderdeel van het bisdom Munster, en Westerwolde van Osnabrück. Dat heeft geduurd tot de kerkelijke herindeling van 1556.

    1. > waren het Gorecht, inclusief Selwerd (al heel lang stadswijk van Groningen) onderdeel van het bisdom Munster.

      Unjuist,

      Het Gorecht – oorspronkelijk het gebied tussen Hunze en Aa ten Noorden van de Besloten Venen – viel met heel Drenthe onder het Bisdom Utrecht. Het was de immuniteit van het koningsgoed rond Groningen.

      De kerk in Groningen is aan het bisdom Utrecht gegeven, het missiebisdom waar Liudger lang voor werkte. Waarschijnlijk voor de stichting van het bisdom Münster. Het was de moederkerk van heel Gorecht.

      Sinds wanneer Selwerd – het gebiedje langs de Hunze tussen de oude monding van de Aa en die van de Hunsinge – daarbij hoorde is niet bekend. In ieder geval hebben de feodale heren van Groningen daar een kasteel gevestigd. Dit kan een daad van agressie tegen de Friese buren geweest zijn.

      Alle Friese landen van de Hunze tot Eems monding zijn aan Münster gekomen. Van Achtkarspelen in Friesland tot delen van Oost Friesland.

      Er zijn natuurlijk ook samenzweringstheorieën dat Utrecht zich hier gebieden heeft toegeëigend met behulp van valse documenten, maar die wil ik hier niet aanraden, al is het meeste van wat ik boven schreef een indirecte reconstructie.

  3. Arnold den Teuling

    Wat het Gorecht ( ten oosten van de stad Groningen) betreft zal ik me vergissen (dat krijg je als je het uit je hoofd denkt te weten) maar Selwerd (noordelijk van de stad) wordt expliciet betiteld als diocesis Monasteriensis (bron niet paraat).

    1. Selwerd hoorde bij het bisdom Utrecht, maar er kwam daar een klooster dat uitgebreide bezittingen had in de omringende Friese landen, die onder Münster vielen. Daarom had dat klooster nauwe banden met Münster, dat in die landen bij gebrek aan een landsheer ook een belangrijke algemeen bestuurlijke taak had.

      Er is overigens nooit een parochiekerk in Selwerd geweest, zodat het ook een beetje theoretisch was: de weinige mensen die daar woonden gingen naar de kerk in Groningen.

      Wat de uitbreidingen van het Gorecht door veenontginningen betreft: Drenterwolde – de streek ten Oosten van de Hunze van Noorddijk tot Wolfsbarge, het Wold van ‘Go en Wold’ zoals het Gorecht ook wel genoemd werd – viel ook geheel onder Utrecht, terwijl de meer Oostelijke ontginningen richting Sappemeer pas plaatsvonden na de Reformatie.

      Tot welk bisdom een onbewoonde veenvlakte behoorde is een tamelijk theoretische zaak.

Reacties zijn gesloten.