Middeleeuws Dordrecht

Wie het boek De oudste stad van Holland van mediëvist Henk ’t Jong ter hand neemt, ziet in één oogopslag waarom het onderstaande stukje geen recensie is. Ik sta namelijk vrij prominent op de achterflap omdat ik vrij enthousiast heb geschreven over het vorige boek van ’t Jong, De dageraad van Holland. Maar ook als ik niet positief vooringenomen zou zijn over zijn nieuwste geesteskind, ook als ik Henk niet persoonlijk zou kennen, ook als Henk niet een vaste bezoeker was van deze blog, zou ik nu een mooi stuk schrijven. De oudste stad van Holland is namelijk opnieuw een aanrader.

Die oudste stad is Dordrecht. En laat ik meteen het voornaamste enige minpunt noemen aan ’t Jongs boek: de auteur is er nogal op gebeten dat de burgemeester van Geertruidenberg het in 2011 heeft bestaan te beweren dat niet Dordt maar D’n Bèrrig de oudste stad van Holland zou zijn. Ik begrijp dat er een patat-en-frietse twist tussen de twee gemeentes bestaat, en ik weet dat het ’t Jong echt dwars zit, maar disputen over de schaduw van een ezel zijn oninteressant. En dan ga ik nu de loftrompet steken.

Oppidum

Het motief “oudste stad” is immers ook een fijne kapstok om een verhaal aan op te hangen. ’t Jong gaat uit van de kenmerken die in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden zijn gebruikt: een oppidum, zoals de middeleeuwers het noemden, had (1) een stedelijk uiterlijk (lees: een muur) met daar achter (2) een relatief dichte bebouwing, zodat er (3) een substantieel aantal mensen kan wonen, wat weer mogelijk maakt dat er ook (4) andere beroepen zijn dan boer, wat op zijn beurt weer noodzakelijk maakt dat er (5) een markt is en (6) recht wordt gesproken. De laatste twee kenmerken konden worden vastgelegd in officiële akten.

Dat wil overigens niet zeggen dat de codificatie altijd op schrift stond. In een samenleving waarin slechts een minderheid kon lezen en schrijven, zullen zeker de oudste overeenkomsten tussen een graaf en een oppidum mondeling zijn overeengekomen en met eden bekrachtigd, ongeveer zoals de leenverhoudingen werden vastgelegd doordat een leenman een leeneed aflegde tegenover zijn leenheer. Vier pagina’s in De oudste stad van Holland zijn gewijd aan nog ongepubliceerd onderzoek van Eef Dijkhof, die uiteenzet dat aan het oudst-overgeleverde privilege van Dordrecht (1220) eerdere stadsrechtverleningen vooraf zijn gegaan.

De oudste stad van Holland is in feite te lezen als het verhaal van de ontplooiing van de zes genoemde kenmerken. Het zijn motieven die steeds terugkeren nadat Dordrecht eenmaal is ontstaan als een lintdorp langs een waterloop die Thuredrith heette, wat zoiets als “doorvaart” betekent. Het gaat om de huidige Voorstraathaven en Wijnhaven.

Apud Thuredrech

’t Jong vertelt de algemene geschiedenis van de regio – de Karolingische tijd, de tijd van de ontginningen, het ontstaan van het graafschap Holland – en  geeft dan aan hoe bepaalde bronnen in dat grotere kader kunnen worden geplaatst. We lezen dus over de ontginningen ten tijde van de graven Dirk III en Dirk IV en de daaruit voortvloeiende conflicten met de bisschop van Utrecht, die escaleerden tot oorlog en leidden tot de dood van Dirk IV apud Thuredrech, zoals stad in 1049 heet als ze voor het eerst wordt vermeld.

Thuredrith

Het beste hoofdstuk gaat over de tweede vermelding, een uit 1145 of 1146 stammende tekst die een kleine eeuw is geantedateerd, namelijk tot 1064. Het verhaal is te complex om hier samen te vatten, maar komt erop neer het gebied rond Dordrecht door diverse partijen werd opgeëist – op zich een teken dat het al een belangrijke nederzetting was – en dat men desnoods bereid was bezitsbewijzen te vervalsen. In een voorbeeldige les “hoe ga ik om met bronnen?” toont ’t Jong dat ook een vervalsing waardevolle informatie kan bevatten. Om geloofwaardig te zijn, moet minimaal de beschreven geografie kloppen – en zo leren we dat Thuredrith de naam was van zowel een waterloop als een nederzetting en dat er in die nederzetting een kerkje stond.

Stormrampen maakten dat parallel aan de Thuredrith de Oude Maas ontstond, een aftakking van de Merwede. Rond 1200 was Durdrecht via de Striene verbonden met het Scheldegebied, via de Merwede en de Waal met het Rijnland, via de Dubbel met het Maasland en via wat nu de Noord heet met de rest van het graafschap Holland. Daarmee was de basis voor de welvaart gelegd, die aanhield tot in de vijftiende eeuw.

De voornaamste troef van De oudste stad van Holland is de persoonlijke betrokkenheid van de auteur bij het Dordtse wel en wee. ’t Jong bromt:

Het wordt eigenlijk tijd dat het belang dat de grafelijke broers Dirk VII en Willem I met de door hen geschonken voorrechten voor Dordrecht gehad hebben eens erkend wordt. Zij hebben vele malen meer een stedelijk monument verdiend dan anderen die zo bedeeld zijn.

Hij verwijst hier naar een Dordts relletje van een jaar of drie geleden. Maar ’t Jongs liefde voor zijn stad spat van elke bladzijde, wat De oudste stad van Holland aangename lectuur maakt. Aanbevolen, ook als u niet woont in Dordrecht, ja zelfs als u woont in Geertruidenberg.

8 gedachtes over “Middeleeuws Dordrecht

  1. Jeroen

    Mij is nooit helemaal duidelijk geworden waarom het falsum nu per se over zowel een rivier- als een plaatsnaam praat.
    Wanneer we het lezen met een plaatsnaam in het achterhoofd, volgt er nergens in de tekst een contradictie, mijns inziens.

    Volgens mij schuilt de verwarring in het suffix -drecht. Osta maakt dit ook duidelijk bij Sliedrecht, Papendrecht of Barendrecht (-drechten over moeilijk begaanbare stukken water waar “getrokken” moet worden respectievelijk door Slijk, door of van Papen en door Beer/modder): Thuredriht is hierin wellicht een uitzondering omdat mogelijk een “-trek” in een water met de naam “Thure” kan betreffen.

    Weliswaar geeft Osta de suggestie “Door”-trek voor “Thure”, maar dit is niet meer dan dit; een suggestie. Hij kan “Thure” niet verder verklaren.

    Ik blijf “Thuredriht” een plausibele naam vinden voor een gedeelte (de “trek”) in het riviertje de Thure, wat dan later zou kunnen zijn overgegaan op de nederzetting; maar de hele rivier die zo heet, lijkt me onwaarschijnlijk. Leuke zelftest: noem eens vijf Nederlandse, niet-samengestelde (dus niet “Nieuwe Waterweg” of zo) riviernamen met drie lettergrepen !?
    En ook een plaats aan een rivier met beide dezelfde naam is zeldzaam.

    Het verdwijnen of vernevelen van de riviernaam Thure kan wellicht ook liggen in het feit dat dit water geheel opgeslokt zou worden door de stad; de haast mythisch geworden verbinding met de Dubbel is er niet en moeten we vergeten… waardoor dus ook zijn naam niet doorleefde: het watertje is simpelweg te kort/klein voor een “Thuredam” of “Thuremonde”, maar werd zoals gezegd al gauw opgeslokt door de nederzetting (!) Thuredriht, waarmee de eigenlijke naam van het riviertje (Thure, dus) al snel vervaagde…

  2. FrankB

    kWeenie hoor – iemand die “stierf in 1558” aanvoert voor “Willempie de Niet Zo Spraakzame heeft papa Karel Vijfje niet geëerd” (Willempie werd 25 jaar eerder geboren) en dan “geef Flipje Twee dat standbeeld” concludeert komt op mij niet over op een betrouwbaar historisch onderzoeker.
    Maar dat ben ikke maar.

    1. Jeroen

      Volgens mij was dat een reactie -met een duidelijke knipoog- op iemand die een standbeeld voor Balthasar Gerards wilde; nee, pak dan zijn opdrachtgever, Philips II.

      Wie de “Koning van Hispanje” nu exact is, blijft open voor discussie; Willems oude koning Karel, of toch de nieuwe vorst Philips (het lied werd immers rond 1570 geschreven).

      Daarbij komt dat het uiteraard niet uit de lezersreacties te halen valt of iemand een goed historicus is.
      Stel; er zou iemand zijn die steeds bozige en chagrijnige reacties neerpent, stel… dan kan die persoon in het echt best vriendelijk en schappelijk zijn.

      1. FransL

        Het lijkt me duidelijk dat de “Koning van Hispanje” Philips was. Karel was ook keizer en bovendien van de Lage Landen afkomstig. Het is pas bij Philips dat de hier de indruk ontstond vanuit Spanje bestuurd te worden.

Reacties zijn gesloten.