WvdK | De zeeslag bij Naulochus

Inscriptie van Sextus Pompeius (EDCS-14700098; Archeologisch Museum, Marsala)

[Na de moord op Julius Caesar kwam de macht in de Romeinse Republiek te liggen bij Caesars rechterhand Marcus Antonius, Caesars familielid Octavianus (de latere keizer Augustus) en hogepriester Lepidus. Niet iedereen erkende hen. Vanuit Sicilië maakte Sextus Pompeius het de drie machthebbers knap lastig. Octavianus en zijn admiraal Agrippa trokken ten strijde. Op 3 september 36 v.Chr. kwam het tot een zeeslag bij Naulochus (in het noordoosten van Sicilië), waarbij Agrippa een nieuw wapen inzette: de harpoen.]

***

Pompeius vreesde de infanterie van Octavianus, maar had groot vertrouwen in zijn eigen vloot en daarom stuurde hij bericht aan Octavianus met de vraag of hij bereid was tot een allesbepalende zeeslag. Octavianus was huiverig voor alle confrontaties op zee, omdat hij daarbij tot op dat moment geen succes had weten te behalen, maar vond het beschamend om te weigeren; hij accepteerde het voorstel. Er werd een dag vastgesteld, waarvoor aan beide zijden driehonderd schepen in gereedheid werden gebracht, voorzien van allerlei projectielen, torens en alle apparatuur die ze konden verzinnen.

Agrippa bedacht zelfs de zogenaamde “grijper”. Een vijf el lang stuk hout, dat met ijzer beslagen was, droeg aan beide uiteinden ringen; aan een van die ringen zat de ware “grijper” vast, een ijzeren haak, aan de andere veel touwen die via apparaten de “grijper” naar zich toe trokken wanneer die met behulp van een katapult aan een vijandelijk schip was vastgehaakt.

De afgesproken dag brak aan met het strijdlustige geschreeuw van beide partijen, terwijl projectielen door geschut of met de hand gelanceerd werden, zoals stenen, vuurpijlen en gewone pijlen. Daarna klapten de schepen zelf tegen elkaar, midscheeps, tegen de boeg of tegen de snebben, waar de klappen met het meeste geweld ervoor zorgen dat de schepelingen wankelen en het schip zelf onhanteerbaar wordt. Andere voeren dwars door de linies van de tegenstanders, projectielen gooiend en pijlen afschietend. Kleine bootjes pikten de mannen op die in zee vielen.

Het kwam tot gevechten van man tegen man, zeelui gebruikten hun kracht, stuurlui hun techniek, commandanten jutten hun manschappen op, alle apparatuur was in werking. Vooral de “grijper” was een succes; van veraf kwam die door zijn lichte constructie terecht op de schepen en haakte zich vast, waarna hij met de touwen achteruit werd getrokken. Het was niet gemakkelijk voor degenen die erdoor vastgeklampt werden het ding door te hakken, omdat het met ijzer beslagen was, en door zijn lengte konden degenen die de touwen wilden doorkappen daar niet bij komen. Het apparaat was daarvoor nog niet bekend, dus beschikte men nog niet over stokken waaraan een sikkel was bevestigd. …

Nu de schepen dan dicht tegen elkaar aan lagen, werd er op allerlei manieren gestreden en sprong men over op het schip van de tegenstanders. De vijand was niet meer gemakkelijk te onderscheiden; want beide partijen gebruikten grotendeels dezelfde wapens en spraken vrijwel allemaal Latijn, en in de mengeling van manschappen bleven de wachtwoorden ook niet meer geheim voor de anderen. Vooral daardoor kwam het ook vaak aan beide kanten tot allerlei vormen van misleiding en wantrouwen tegenover degenen die ze gebruikten. Niemand herkende nog een ander in het heetst van de strijd, terwijl de zee vol doden, wapens en wrakhout lag; want ze probeerden al het mogelijke, behalve vuur; daarvan hielden ze zich na de eerste confrontatie verre omdat de schepen aan elkaar waren geklonken. …

Zodra Agrippa op een gegeven moment, lettend op het enige waardoor de schepen van elkaar te onderscheiden waren, de kleuren van de gevechtstorens, met moeite had geconstateerd dat aan de kant van Pompeius meer schepen ten onder waren gegaan, sprak hij alle manschappen in zijn buurt extra moed in met het idee dat ze nu aan de winnende hand waren. Bij een hernieuwde aanval op de vijanden bleef hij nu net zo lang doordrukken tot degenen die zich in zijn buurt bevonden overweldigd waren, hun torens neerwierpen, hun schepen keerden en naar de zeestraat vluchtten.

Zeventien slaagden er zo in te ontsnappen. De overige schepen werden door Agrippa afgesneden, waarbij sommige achtervolgd door de tegenstanders vastliepen op het land. Hun achtervolgers lieten zich zelf in volle snelheid samen met hen vastlopen en sleepten vervolgens de stil liggende schepen weg of staken ze in brand. De schepen die op zee nog in gevecht waren, gaven zich over aan hun tegenstanders toen ze dit alles zagen. Daarop hieven de soldaten van Octavianus op zee een overwinningsgehuil aan dat op het land beantwoord werd door de infanterie.

De manschappen van Pompeius jammerden, en zelf maakte hij snel dat hij wegkwam uit Naulochus naar Messana. … Tijdens de slag waren van Octavianus drie schepen gezonken, van Pompeius achttien, en diens andere schepen waren afgebrand, buitgemaakt of kapotgeslagen toen ze vast waren gelopen; alleen de zeventien waren ontsnapt.

***

[Appianus, De Burgeroorlogen 5.118-121; vertaling John Nagelkerken. De (uitgestelde) Week van de Klassieken, met als thema “controverses”, is van donderdag 3 tot en met zondag 13 september.]

4 gedachtes over “WvdK | De zeeslag bij Naulochus

  1. Arjen Dijkgraaf

    Van tevoren een dag afspreken waarop je slag gaat leveren in plaats dat je elkaar probeert te verrassen? Ik word nu heel benieuwd of zo’n gentlemen’s agreement toen ook al een uitzondering was of dat het vaker voorkwam?

    1. Frans

      Ik ken een voorbeeld uit de Honderdjarige Oorlog: het gevecht van de dertig in 1351. Een Franse ridder daagde een Engelse ridder uit tot een duel, hun kameraden wilden meedoen en het werd een strijd tussen dertig Franse en dertig Engelse ridders op een afgesproken veldje. Dit is niet helemaal hetzelfde als een veldslag tussen twee legers, maar het idee dat oorlog een eerlijke strijd zou moeten zijn, heeft dus lang bestaan.

Reacties zijn gesloten.