WvdK | De zeeslag bij Naulochus

Inscriptie van Sextus Pompeius (EDCS-14700098; Archeologisch Museum, Marsala)

[Na de moord op Julius Caesar kwam de macht in de Romeinse Republiek te liggen bij Caesars rechterhand Marcus Antonius, Caesars familielid Octavianus (de latere keizer Augustus) en hogepriester Lepidus. Niet iedereen erkende hen. Vanuit Sicilië maakte Sextus Pompeius het de drie machthebbers knap lastig. Octavianus en zijn admiraal Agrippa trokken ten strijde. Op 3 september 36 v.Chr. kwam het tot een zeeslag bij Naulochus (in het noordoosten van Sicilië), waarbij Agrippa een nieuw wapen inzette: de harpoen.]

***

Pompeius vreesde de infanterie van Octavianus, maar had groot vertrouwen in zijn eigen vloot en daarom stuurde hij bericht aan Octavianus met de vraag of hij bereid was tot een allesbepalende zeeslag. Octavianus was huiverig voor alle confrontaties op zee, omdat hij daarbij tot op dat moment geen succes had weten te behalen, maar vond het beschamend om te weigeren; hij accepteerde het voorstel. Er werd een dag vastgesteld, waarvoor aan beide zijden driehonderd schepen in gereedheid werden gebracht, voorzien van allerlei projectielen, torens en alle apparatuur die ze konden verzinnen.

Lees verder “WvdK | De zeeslag bij Naulochus”

De dubbele slag bij Filippoi (4)

Het moerasgebied van Filippoi, inmiddels iets droger

[In mijn hier begonnen reeks over het conflict tussen enerzijds Marcus Antonius en Octavianus en anderzijds de moordenaars van Caesar, Brutus en Cassius, behandelde ik gisteren de eerste slag bij Filippoi, die onbeslist eindigde, al pleegde Cassius zelfmoord.]

Appianus van Alexandrië schrijft dat Brutus een grafrede hield voor zijn collega en hem prees als de “laatste der Romeinen”. Onze andere bron, Cassius Dio, moet deze informatie achterwege laten, want voor hem vormden de overwinning van Octavianus en de stichting van het keizerrijk, ondanks de weinig nobele motieven waarmee dit was gebeurd, een goede zaak. Er waren nog vele generaties goede Romeinen geweest. De keuze tussen vrijheid en stabiliteit, zoals Caesar en Octavianus en  de feiten hadden uitgelegd, was in Dio’s tijd geen actuele meer.

Lees verder “De dubbele slag bij Filippoi (4)”

De dubbele slag bij Filippoi (3)

Het slagveld, bezien vanaf de citadel van Filippoi

[Ik blogde vorige week over de Derde Burgeroorlog, het conflict dat na de moord op Caesar de Romeinen verdeelde tussen zijn aanhangers, aangevoerd door Marcus Antonius en Octavianus, en zijn tegenstanders, aangevoerd door Brutus en Cassius. Hun legers raakten slaags bij Filippoi in oostelijk Macedonië. De Grieks-Romeinse auteur Cassius Dio presenteert het als een conflict tussen de vrijheid van een republiek tegen de rust van de monarchie.]

Hoewel Cassius Dio weergeeft wat ruwweg de inzet van het conflict was, klopt er weinig van zijn verhaal over de veldslag, zoals blijkt als het wordt vergeleken met dat van Appianus van Alexandrië. Die vertelt hoe de twee legers tegenover elkaar lagen en hoe Marcus Antonius besloot een dam door het moeras te bouwen om zo achter de kampen van Cassius en Brutus te komen en de weg naar hun aanvoerbasis af te snijden. Tien dagen lang werkten de legionairs in het moeras.

Lees verder “De dubbele slag bij Filippoi (3)”

De val van Karthago (4)

Slingersteen, opgegraven in de verwoestingslaag van Karthago (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

[Omdat ik een paar dagen naar Libanon ben – ik heb een heel zwaar leven – plaats ik vandaag, na eerdere reeksen over de Eerste en de Tweede Punische Oorlog, vier stukken over de ondergang van Karthago. Het eerste deel was hier.]

Het ging Scipio vooral om Byrsa, het sterke bolwerk van de stad waarheen de meeste inwoners hun toevlucht hadden gezocht. Er liepen vanaf de Markt drie toegangswegen naar toe, aan weerskanten begrensd door huizen van zes verdiepingen. Van hieraf werden de Romeinen beschoten, maar ze veroverden de eerste huizen, vanwaar ze de bewoners van de belendende percelen konden aanvallen.

Toen ze die eenmaal in bezit hadden, legden ze balken en planken als bruggen over de nauwe doorgangen en liepen er zo overheen. Dit leidde tot een gevecht op de daken, terwijl het samentreffen zich ook wel in de stegen afspeelde. Overal was gekreun, gekrijs en geschreeuw te horen en de dood nam vele vormen aan. Sommigen werden neergestoken of levend van het dak afgegooid, anderen kwamen terecht in de punten van speren, steekwapens of zwaarden.

Tot de komst van Scipio in Byrsa durfde niemand de huizen in brand te steken, vanwege de mensen op de daken. Maar hij liet daarop de drie stegen tegelijk in brand steken, zij het met de opdracht bij elke brand de weg voor anderen vrij te houden zodat het leger gemakkelijk kon oprukken of zich terugtrekken.

Lees verder “De val van Karthago (4)”

Klassieke literatuur (5e): Appianus

Kleio, muze van de geschiedvorsing (El Djem, Huis van de Maanden)

[Bij mijn mail zat onlangs de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich werkelijk in de klassieke letteren wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit aanschuiven bij een cursus, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur kun je verder Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus lezen, maar voor de Griekse en christelijke literatuur bestaat zo’n boek niet.]

Voordat ik begon aan de behandeling van de oude geschiedschrijvers, blogde ik over het begrippenpaar methodisch individualisme en methodisch collectivisme. Ofwel de plek waar de historicus de oorzaak van deze of gene gebeurtenis plaatst. Tot in de negentiende eeuw zocht men die bijna altijd in het handelen van een individu. De ontluikende sociale wetenschappen maakten echter duidelijk dat abstracte zaken ook een bewerkende rol konden spelen. Een beroemd voorbeeld is Durkheims onderzoek naar zelfmoord, waaruit bleek dat zelfs bij deze allerindividueelste daad maatschappelijke factoren een rol speelden.

Het nadenken over zaken als methodisch individualisme en collectivisme markeert in feite de volwassenwording van de hedendaagse historische wetenschap en hangt vanzelfsprekend samen met het ontstaan van de sociaal-economische en de institutionele geschiedenis. In feite vormen de termen, lelijk als ze zijn, de erkenning dat er meer is dan grotemannengeschiedenis omdat geschiedenis niet slechts wordt gemaakt door individuen maar tevens door maatschappelijke krachten, door klassen, door standen, door ideeën en door ideologieën.

Lees verder “Klassieke literatuur (5e): Appianus”

Stratonike

Seleukos (Louvre, Parijs)

De tweede-eeuwse Grieks-Romeinse auteur Appianus van Alexandrië is een van de meest onderschatte historici uit de Oudheid. Hij lijkt doorgaans goede en slechte informatie te hebben kunnen scheiden, heeft serieus nagedacht over de ordening van zijn stof en heeft een verrassend modern causaliteitsbegrip: waar andere auteurs uit de Oudheid denken dat alleen individuen dingen kunnen veroorzaken – een standpunt dat moderne historici aanduiden als methodisch individualisme – herkent Appianus dat ook maatschappelijke verschijnselen en instituties de oorzaak kunnen zijn van historische gebeurtenissen (methodisch collectivisme). Hij is als historicus veel beter dan bekendere antieke geschiedschrijvers als Herodotos, Thoukydides en Tacitus, die we moeten beschouwen als moralisten.

Maar ook Appianus’ geschiedwerk kent een paar romantische anekdotes. Twee voorbeelden: Scipio die Karthago verwoest en in huilen uitbarst omdat ook Rome eens zal branden (lees maar) en de toespraak van Marcus Antonius bij de uitvaart van Julius Caesar (lees maar). En nu ik bezig ben met wat stukjes over de Seleukiden, moet ook het verhaal van Stratonike eens worden verteld. Hollywood weet er wel raad mee.

Lees verder “Stratonike”

Grieks proza

Portret van een Griekse letterkundige uit Izmir
Portret van een Griekse letterkundige uit Izmir

Zoals de trouwe lezers van deze kleine blog weten, beheer ik al sinds de eerste dagen van het internet een grote website over de oude wereld, die op een gegeven moment de naam Livius.org kreeg. Ooit is ze de in zijn soort grootste site ter wereld geweest maar ze is overvleugeld door de Wikipedia. De grote fout is dat ik te laat ben overgeschakeld van oude html naar een hedendaags content management systeem, al ben ik al twee jaar bezig met de migratie en is inmiddels twee derde gedaan. (Nee, het kan niet geautomatiseerd, zoals u denkt. Zo oud en rommelig is de site.)

Er zitten ook andere beginnersfouten in van de soort die werden gemaakt toen het internet net aan het doorbreken was. Op verzoek van enkele universiteiten heb ik er geen literatuuropgaven in gedaan; men realiseerde zich onvoldoende hoe belangrijk het web zou gaan worden maar had al in de gaten dat studenten er driftig uit overschreven. Ik weet niet wie dwazer is: de professores doctores die me vroegen geen literatuur te vermelden of de Lendering die aan dat verzoek gehoor gaf.

Lees verder “Grieks proza”

Appianus, Caesar en Cato

Zo zal Appianus er ongeveer uit hebben gezien: met een korte baard. Een Romein uit het tweede kwart van de tweede eeuw uit de Ny Carlsberg G in Kopenhagen.
Zo zal Appianus er ongeveer uit hebben gezien: met een korte baard. Een Romein uit het tweede kwart van de tweede eeuw uit de Ny Carlsberg Glyptotek in Kopenhagen.

Mag je het moderne woord “genocide” gebruiken om een antiek bloedbad te beschrijven? Ik blogde onlangs over de toepasbaarheid van onze eigen begrippen op andere culturen, concludeerde dat de waarheid in het midden lag en dat ’t erom ging op beredeneerde wijze tussen het eendere en het andere door te laveren. Vandaar dat oudheidkundige hebben nagedacht over hun begrippen.

Ik laat het aan uw eigen fantasie over na te denken over de vraag of je voor de Oudheid mag spreken over “historici”, maar om u een beetje op weg te helpen: alleen als je een heel wijde definitie kiest, zoals die van Huizinga (“de geestelijke vorm waarin een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden”), zijn klassieke auteurs als Thoukydides en Tacitus als historicus te typeren. Dat is geen verwijt, overigens, het is alleen de constatering van het feit dat bij deze auteurs het recente verleden dient als decor om belangrijker zaken te behandelen, zoals de aard van demagogie en burgeroorlog of de plichten van iemand die zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid wil nemen in een tijd van tirannie. Wie in de Oudheid een voor ons herkenbare historicus zoekt, kan beter kijken naar Arrianus (ca.87-ca.150), Appianus (ca.95-ca.165) en Cassius Dio (164-ca.235).

Lees verder “Appianus, Caesar en Cato”