
Toen de Romeinse troepen rond 208 v.Chr. aankwamen in het huidige Andalusië, betraden ze een wereld waarop niets hun had voorbereid. Er waren steden en heuvelforten, er waren metaalmijnen, er waren uitgestrekte akkers en boomgaarden, en langs de kust lagen havensteden, waar kooplieden aankwamen en vertrokken naar alle plaatsen langs de Middellandse Zee. Ergens achteraan, niet ver van de monding van de Guadalquivir, lag Cádiz, waar schepen aanlegden met goud uit de Bambouk en tin uit Armorica. De Romeinen zouden dit gebied, dat ze eerst Hispania Ulterior (“het verre Spanje”) en later Baetica noemden, nooit meer opgeven.
Baetica is vernoemd naar de rivier de Baetis, die wij Guadalquivir noemen. Dat is een arabisme: het betekent Grote Rivier. Maar ook Baetis was al een semitische naam. Net als Guad is Baetis afgeleid van een woord dat rivier betekent, denk maar aan wadi. Het eerdere semitisme illustreert de vroege aanwezigheid van Fenicische kolonisten en Karthaagse heersers. Ook een naam als Málaga, “zoutstad”, is Fenicisch, terwijl het eerste element in Córdoba het Fenicische woord qrt weergeeft, “stad”. De Feniciërs dreven al sinds de negende eeuw v.Chr. handel met een lokaal IJzertijd-koninkrijk, dat we gewoonlijk Tartessos noemen. Deze naam leeft voort in die van het volk dat woonde op de vruchtbare vlakte bezuiden de Guadalquivir, de Turdetaniërs.

Hispania Ulterior
Het was dus een oude wereld, half-Iberisch, half Karthaags, internationaal georiënteerd, op weg naar verstedelijking. De Romeinen voegden haar tijdens de Tweede Punische Oorlog toe aan hun imperium. Het oostelijk deel van Iberië, Hispania Citerior (“het nabije Spanje”) was een andere aanwinst. Het centrale deel, het westen en het noorden zouden echter pas in de loop van een kleine twee eeuwen worden veroverd. Het zou sneller hebben kunnen gaan als de Romeinen niet steeds te weinig troepen naar het westen hadden gestuurd. Maar zo viel er wel gedurende lange tijd buit te behalen en de lijsten van verworven zilver en goud, opgenomen in het geschiedwerk van Titus Livius, zijn lang.
In de loop van de tweede en eerste eeuw waren er Romeinse volksplantingen, zoals Italica, en ontdekte de Romeinse elite hoe ze in Ulterior nog rijker kon worden. De eerste methode was een bestuursfunctie. Dat Rome zijn eerste rechtbank voor afpersingszaken instelde na klachten uit Andalusië, spreekt boekdelen. De tweede methode was de olijfolienijverheid. Dankzij de amforen die in Rome gevonden zijn, weten we dat in de Keizertijd de hele vlakte bezuiden de Guadalquivir vol stond met olijfbomen en graan. We kunnen reconstrueren hoe de olijfteelt zich vanaf Sevilla stroomopwaarts verspreidde.

Baetica
Keizer Augustus reorganiseerde de regio. Tijdens de Cantabrische Oorlog rondde hij de verovering van het Iberische Schiereiland af, en daarna paste hij de provinciegrenzen aan, zodat de metaalmijnen niet meer alleen in Baetica lagen. Die regio was inmiddels al zo Romeins als Italië, zoals de geograaf Strabon constateert:
Degenen die leven langs de Guadalquivir hebben de Romeinse levenswijze geheel overgenomen en herinneren zich zelfs hun oorspronkelijke taal niet langer.noot

Over de wijze van romanisering – wat waren de sleutelvariabelen? – heb ik eerder geblogd. Een opmerkelijk trekje is dat voor Baetica de verlening van de Romeinse gemeentewet goed is gedocumenteerd: uit verschillende gemeentes zijn de bronzen inscripties bekend. Het is een volkomen gestandaardiseerde tekst, die zelfs voor het piepkleine stadje Irni reguleert wie waar mag zitten in het theater – een theater dat Irni nooit kan hebben bezeten. Teksten als de Lex Irnitana illustreren de systematiek en rationaliteit van het Romeins Recht.
Málaga en Cádiz hebben nog steeds Romeinse theaters, Italica is een geweldige plek om rond te dwalen (lees ook dit), in Córdoba verrijst nog steeds een tempel, diverse Romeinse bruggen zijn nog altijd in gebruik en Sevilla heeft een van de mooiste musea van Spanje. En in dat museum zijn, net zoals in alle andere archeologische musea van Andalusië, de Dressel-20-amforen te zien waarin men olijfolie verpakte.

Correlatie is geen causaliteit, maar het is opmerkelijk dat de families die de meeste olijfolie aan Rome leverden, al snel ook senatoren leverden – eerst in Baetica en later in Africa. De uit die laatste provincie afkomstige elite stootte supersnel door naar het keizerschap en zover kwam de Andalusische elite niet, maar vermoedelijk is de uit Córdoba afkomstige senator en filosoof Seneca beroemder dan de Libische keizer Septimius Severus. En ook Baetica zou, zij het wat trager, ooit keizers leveren, zoals Trajanus en Hadrianus.
Zelfde tijdvak
Joodse humormei 2, 2013
De Bergrede (5): de lichtmetafooraugustus 8, 2021
Marcus Aurelius (2): Zingevingjanuari 12, 2024

https://historianet.nl/cultuur/archeologie/kunstmatige-intelligentie-ontdekt-honderden-nieuwe-nazcalijnen-in-de-peruaanse-woestijn
Even terug naar een paar dagen geleden: hier zijn beelden van de nieuw ontdekte Nazca lijnen.
Mijn dank. Een lezenswaardig artikel met verhelderende afbeeldingen, al is één onbwerkte foto wat weinig. En helaas komt de Eerste Hoofdwet van de Archeologie ook nog langs.
De woordverklaringen van Guadalquivir en Cordoba in deze blog zijn leerzaam.
Guad-al-quivir, wadi al kabir, grote (rivier) wadi.
Cordoba van qart, stad, dorp. Vgl (Judas) isj- kari.ot. man van de dorpjes (qarya, dorp).