
[Dit is het vierde blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Het eerste was hier en Wims eigen blog is daar.]
De godsbewijzen van Ǧibrīl ibn Nūḥ veronderstelden de perfectie en de doelmatigheid van de schepping. Dit alles stond ten dienste aan de mens.
Het uiteindelijke doel is het welzijn van de mens
De schepper zorgt volgens Ǧibrīl ibn Nūḥ dus voor het welzijn van dieren, maar zoals hierboven al vermeld: dieren dienen uiteindelijk het welzijn van de mens, als voedsel, als arbeidsdier en rijdier en om het gebruik van de huid en de botten. Ook de hele rest van de schepping is er om de mens.
Om te beginnen is hij zelf natuurlijk een wandelend godsbewijs. Al zijn ledematen en organen zijn ontworpen om optimaal te kunnen worden gebruikt. In tegenstelling tot dieren is de mens geschapen om rechtop te staan en te zitten, zodat hij naar voorwerpen kan reiken, ze kan beetpakken en ermee kan werken. Zou hij voorovergebogen lopen als een viervoeter, dan zou hij geen werk kunnen verrichten.
Een ander menselijk voorrecht is het verstand, dat leidde tot kennis van landbouw en veeteelt, irrigatie, geneeskunde, mijnbouw, zeilen, duiken, jagen en verschillende ambachten en middelen om winst te maken. Samen met ons verstand kregen we een paar handen die ons in staat stellen om vuur te maken en last but not least: om kleren te maken. Dieren kunnen dat niet; zij kregen haar en vacht als compensatie. Maar kleren hebben voordelen: de drager kan zich naar believen aan- en uitkleden, of verschillende soorten kleren kiezen, terwijl dieren altijd bedekt zijn met dezelfde vacht.
Het universum buiten zijn eigen lichaam is ook ten behoeve van de mensen gemaakt en zij kunnen er meer van profiteren dan de dieren. Denk bij voorbeeld aan de mijnen en de vele mineralen die daaruit gewonnen worden. Is het niet duidelijk dat die schatten in de aarde werden opgeborgen zodat de mensheid ze zou gebruiken? Water geeft leven aan alle levende wezens, maar de mens weet het óók te gebruiken om te wassen, dranken te mixen, branden te blussen, voor irrigatie en scheepvaart. En denk aan het vruchtvlees dat groeit op de pitten van vruchten, zoals dadels en druiven:
Waarom zou dit smakelijke voedsel erop groeien als het niet voor de mens was om ervan te genieten?
Uiteindelijk, en daarbij schiet ik definitief in de lach, is het hele universum gemaakt voor de mens, inclusief de loop der hemellichamen, de op- en ondergang van de zon en de sterren en de seizoenen. Als het altijd licht of altijd donker zou zijn, altijd warm of altijd koud, zou de mens geen leven hebben; daarom heeft de schepper voor regelmatige afwisseling gezorgd.
Vergelijkingen
Dat er een schepper is maakt Ǧibrīl vaak duidelijk met een vergelijking. Het universum kan vergeleken worden met een huis, en wie een huis ziet, weet dat er een architect moet zijn. Als hij het huis binnenkomt en het volledig gemeubileerd aantreft, weet hij dat iemand het zo heeft ingericht, volgens een plan en een systeem; en dat geldt eens te meer voor het universum.
Het uitspansel werd als een plafond opgetrokken, de aarde als een tapijt uitgespreid, de sterren als lampen opgesteld en de mineralen als schatten opgeborgen, elk naar zijn bestemming.
De huis-metafoor is minstens zo oud als Cicero, maar komt bij veel andere auteurs uit de Oudheid voor. Een waterrad, met zijn in elkaar grijpende onderdelen, is duidelijk gemaakt door een maker. Hoe zit het dan met het allergrootste waterrad, dat de kosmos is? Zou het kunnen bestaan zonder planning, zonder vakmanschap?
Maar vergelijkingen leren ons ook dat de werken van de schepper veruit superieur zijn aan die van menselijke makers. De lichamen van de levende wezens
kunnen vergeleken worden met speelgoeddieren die gemaakt zijn van stokken, gewikkeld in lappen, vastgemaakt met draden en bedekt met hars. De stokken zijn als botten, de lappen als vlees, de draden als pezen en aderen, en de coating als huid.
Het is wel duidelijk dat zo’n stuk speelgoed, dat niet kan bewegen of groeien, niet toevallig en zonder maker is ontstaan. Dit geldt nog eens te meer voor de veel complexere lichamen van levende wezens. Zulke lichamen kunnen groeien terwijl ze in omtrek en verhoudingen hetzelfde blijven, maar
als je een beeldje van was of koper zou nemen en het groter zou willen maken, zou je dan iets anders kunnen doen dan het breken en het opnieuw vormen?
Veel van Ǧibrīl’s vergelijkingen mogen tot de alledaagse wijsheid behoren, in sommige gevallen zijn ze stevig geworteld in de Oudheid, zoals we al zagen bij de huis-metafoor. Het is ook het geval met de baan van de planeten:
De ouden vergeleken zo’n ongebonden ster met een mier die op een molensteen kruipt. De molensteen trekt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, vandaar dat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een uit zichzelf, recht vooruit, en de andere onwillekeurig, samen met de molensteen die hem naar achteren trekt.
Dit komt al voor in Cleomedes‘ Caelestia.
Zelfde tijdvak
De kunst van de Frankennovember 20, 2016
Islamitisch recht (4) Al-Shafi’ijuni 14, 2025
Het Byzantijnse Rijk (2): Bloeimei 28, 2023

Dit is weer zoiets interessants, waarvan je nog niet wist dat je het boeiend zou vonden. Ik ben blij met dit soort parels.
Helemaal mee eens.
Geheel nieuw voor mij en heel leuk
Mijn rug heeft nog niet helemaal begrepen dat ik geschapen ben om rechtop te lopen en voorwerpen te tillen.
Een mooi scheppingsverhaal van de mens is dat uit ‘Arthur, koning voor eens en altijd’, waarin de mens eigenlijk zichzelf schept als kwetsbaar en koninklijk tegelijkertijd.
“Ook de hele rest van de schepping is er om de mens.”
De hoogmoed hiervan blijft mij versteld doen staan.
“Het universum kan vergeleken worden met een huis, en wie een huis ziet, weet dat er een architect moet zijn.”
Aha, Bill Paley was niet origineel.