
Bij het werken aan een Arabische tekst van Ğibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī (negende eeuw na Chr.) werd ik regelrecht de Oudheid ingezogen. Wat zeg ik: in twee Oudheden: de Grieks-Romeinse en de Chinese! Het betreffende fragment was een beschrijving van de loop der sterren en planeten:
Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.noot
Wie zijn die ‘ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten en vond iets over de hemel als een molensteen of als een wiel. Ook over de tegengestelde beweging van de planeten was wel iets terug te vinden. Maar waar kwam die mier vandaan? Voor een niet-classicus is het vaak moeizaam, de toegang te vinden tot teksten uit de klassieke Oudheid.
De mier van Kleomedes
Daarom was ik blij dat Dr. Stefan Hagel uit Wenen mij attendeerde op enkele Griekse teksten waar de mier in voorkomt, waarvan een fragment van Kleomedes wel het belangrijkste is. Over hem is weinig bekend, maar hij citeert veel Posidonius, die leefde van ± 135–51 v.Chr en ook bekend was als vervaardiger van een mechanisch planetarium. In zijn Kleomedes’ Caelestia (Over de circulaire bewegingen van hemellichamen) staat het volgende:
Daar de hemelen in een cirkel ronddraaien boven de lucht en de aarde en deze beweging teweeg brengen die voorziet in het behoud en de voortdurende stabiliteit van de hele kosmos, dragen zij noodzakelijkerwijs ook alle hemellichamen mee die zij bevatten. Van deze hebben sommige als beweging de eenvoudigste soort, omdat zij worden rondgedraaid door de hemelen en daarin altijd dezelfde plaats innemen. Maar andere bewegen zowel met de beweging die noodzakelijkerwijs met de hemelen meegaat (ze worden meegedragen omdat ze er door omvat worden) als met nog een andere beweging die gebaseerd is op een keuze, waardoor zij op verschillende tijdstippen verschillende plaatsen in de hemelen innemen. Die tweede beweging van hen is langzamer dan de beweging van de kosmos, en ze schijnen ook in de andere richting te gaan dan de hemelen, omdat zij bewegen van west naar oost.
De eerste [groep hemellichamen] wordt ‘vast,’ genoemd, maar de tweede ‘planeten,’ omdat zij op verschillende tijden in verschillende delen van de hemelen zichtbaar worden. De vaste lichamen zouden vergeleken kunnen worden met opvarenden die door een schip vervoerd worden, maar op hun toegewezen plaats blijven in relatie tot de totale ruimte. De planeten daarentegen zijn als opvarenden die bewegen in een richting tegengesteld aan die van het schip (naar het achterdek vanuit posities op het voordek) in een relatief langzamere beweging. Ze zijn ook met mieren te vergelijken, die uit eigen keus op een pottenbakkerswiel krabbelen in een beweging tegengesteld aan die van het wiel.noot
Molensteen of pottenbakkerswiel? Ze komen beide voor. In de oude Griekse filosofie wordt de kosmos soms met een draaiende molensteen vergeleken (Anaximenes) en soms met een draaiend wiel, τροχός, dat ook een pottenbakkerswiel kan zijn (Anaximander). Dit wordt ook vermeld bij Theodoretus van Cyrrhus (±393–460).noot
Chinese mieren
Intussen had ik bij mijn zoektocht ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen een tekst uit het oude China die verwantschap vertoonde en ook de mier bevatte. Hij is geschreven door Luo Xia Hóng (ca. 130–70 v.Chr.) :
Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt.noot
Al gaat de Chinese tekst niet over de planeten, de overeenkomst met de Griekse tekst is te groot om toevallig te kunnen zijn. Het wiel en de fluit zijn misschien op meerdere plaatsen in de oude wereld uitgevonden, maar van zo’n specifieke tekst is dat niet denkbaar; die moet overgeleverd zijn. Er moest dus meer dan alleen handelscontact geweest zijn tussen de Grieks-Romeinse wereld en het oude China.
De Zijderoute
Ook hierover wist Dr. Hagel een en ander te vertellen, maar ook Patrick Huang uit Londen kwam hier te hulp. Zij wezen op de intellectuele uitwisseling tussen het hof van de Chinese keizer Hàn Wǔdì (r.141–87 v.Chr.) en het hellenistische Grieks-Baktrische Rijk in de tijd van de bovengenoemde astronoom Luo Xia Hóng. In diezelfde tijd kwam ook het verkeer over de Zijderoute goed op gang, na verkennende reizen en twee militaire expedities van af de Chinese kant, en het boek van de astronoom was niet het enige Chinese werk dat erover verbreid werd. Tenminste naar Perzië en Indië werden Chinese studies geëxporteerd.
Natuurlijk waren er niet alleen de drie aangehaalde teksten; er moeten allerlei bewerkingen en tussenversies hebben bestaan. Maar die tegengestelde bewegingen, één gedwongen en een vrijwillig, én het kleine detail over die mier, komen steeds weer terug.
Wie het eerste was met die mier, of met andere woorden: of het beestje van West naar Oost krabbelde of juist omgekeerd, is nog niet duidelijk.
Bibliografie
- Cleomedes, Caelestia (Μετέωρα), de Teubner editie 1990 van het Grieks heb ik momenteel niet ter beschikking.
- Cleomedes’ Lectures on Astronomy. A Translation of The heavens. With an Introduction and Commentary by Alan C,. Bowen and Robert B. Todd, Berkely/Los Angeles/London (University of California Press) 2004. Bevat ook een boeiende inleiding en zeer lezenswaardige voetnoten bij bovenstaand fragment.
- Ğibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī, Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt: ik werk aan een uitgave uit de handschriften.
- Hermann Diels en Walther Kranz (uitg., vert.), Fragmente der Vorsokratiker, Griechisch und Deutsch, 3 dln., Zürich/Hildesheim 1951–52 (reprint 1989-90).
- Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu. An Introduction to Science and Civilization in China, Mineola NY (Dover) 1985.
[Dit stuk verscheen oorspronkelijk op de eigen blog van Wim Raven.]
Zelfde tijdvak
De Karolingische Renaissance (3)augustus 21, 2024
De madrasa volgens George Makdisijuli 14, 2011
Een godsbewijs van Ǧibrīl ibn Nūḥaugustus 25, 2024

Een interessant blog met de van hulp van specialisten, zoals het hoort. Een eigen nieuwtje. Gebruik scholar.google.nl en zoek Matthias Mertens silk road. Mertens gebruikte een zoekprocedure om Duitse teksten geschreven in het Gotisch te doorzoeken. Hij vond dat Carl Ritter in 1838 al de naam Seidenstraße heeft gebruikt. Dat is tientallen jaren eerder dan het gebruik door Von Richthofen die altijd als de bedenker van die naam wordt genoemd. Zie mijn bespreking in de reeks een Geliefd Boek.
Dit was interessant!
“…de originele Chinese tekst. Ik kan hem zelf niet lezen, maar een van mijn lezers misschien wel:”
Voor iets minder gestudeerde lezers: Google translate slaat er een behoorlijke slag naar (ook naar de Arabische tekst in noot 1) 🙂
Verbluffend! het verhaal en de zoektocht naar de mier.
Leuk stukje!