Klassieke literatuur (8): welsprekendheid

Een Romeinse redenaar (Museum van Apollonia, Bulgarije)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke literatuur over de welsprekendheid.]

Voor veel Grieks-Romeinse genres zijn parallellen te vinden in de oosterse literatuur, maar de welsprekendheid is een Griekse uitvinding. Er is weleens geopperd dat het democratische bestel in Syracuse en Athene de verklaring is voor het ontstaan van de retorica maar mij lijkt dat wat overdreven. Dat een man een rol behoorde te spelen in het openbare leven, is een in de oude wereld algemeen verbreid idee en ik zie geen reden waarom in niet-democratische gebieden niet eveneens kan zijn nagedacht over de wijze waarop je je zaken het effectiefst bepleitte.

Lees verder “Klassieke literatuur (8): welsprekendheid”

Romeinse droom

De
De “lichtblauwe stip”

[Afgelopen zaterdag begon de Romeinenweek. Wat dat is en waarom het leuk is, lazen de vaste lezers van deze kleine blog al eerder (hier) en zal ik niet herhalen. Liever schrijf ik deze week een reeks Romeinenstukjes voor mijn neef op Curaçao. Die heeft ooit een spreekbeurt over de Romeinen gehouden, dus hij weet al heel veel, maar ik voeg deze week wat Romeinse dingen toe.]

Waar droomden Romeinse politici van? Van roem! Dat heeft alles te maken met hét grote verschil tussen toen en nu: er was destijds nauwelijks economische groei. Wij worden als samenleving elk jaar een tikje rijker en kunnen zelfs tot achter de komma uitrekenen hoeveel procent welvarender we zijn, maar in de Oudheid had men zelfs geen idee dat er economische groei bestond. De welvaart op aarde was als een grote taart, dachten ze, en als iemand daar een grotere punt afsneed, hadden de anderen minder. Dat de taart, zoals wij het zien, ook als geheel groter kon worden konden ze niet bedenken.

Lees verder “Romeinse droom”

Een verzonnen Cicero-citaat

Cicero (Capitolijnse Musea, Rome)

Een goede vriend van me schrijft dat de oude Romeinen al zeiden dat pacta sunt servanda, “verdragen dienen te worden nagekomen”. Nu is dat weliswaar Latijn, maar dat wil nog niet zeggen dat de Romeinen het ook werkelijk zeiden. Divide et impera , “verdeel en heers”, is een ander voorbeeld: het is een mooie typering van de Romeinse buitenlandse politiek, maar de formulering zelf dateert uit de Renaissance. Cuius regio, eius religio is er nog zo een, “wiens land, diens religie”.

Ik wees mijn vriend erop dat pacta sunt servanda vermoedelijk een uitspraak is van Hugo de Groot. Het is ook de logische plek om te zoeken, want we zitten hier in de sfeer van het natuurrecht en niet in die van de laat-republikeinse Romeinse politiek. De uitspraak wordt echter op het internet verschillende keren getypeerd als een rechtsprincipe van de Romeinse politicus Cicero. Maar dat het staat op het internet, wil nog niet zeggen dat het waar is.

Voor zover ik kan overzien – en ik beweer niet dat ik dit uitputtend heb onderzocht – komt de volgende uitspraak van Cicero het dichtst in de buurt: Pacta et promissa semperne servanda sint, “verdragen en toezeggingen zouden altijd moeten worden nagekomen”. Het is te vinden in een essay met de titel De ambten (3.92).

De context is in dit geval belangrijk. De formulering, waarin (staats)verdragen en (persoonlijke) toezeggingen bij elkaar worden geplaatst, maakt al duidelijk dat we te maken hebben met een ethisch essay en geen diplomatiek handboek, en inderdaad: in de eerste twee delen van De ambten stelt Cicero de vraag aan de orde naar de onderlinge strijdigheid tussen morele voorschriften en praktische uitvoerbaarheid. In het derde deel, waarin de auteur zoekt naar een balans, komt ook de vraag aan de orde of verdragen en toezeggingen altijd moeten worden nagekomen, en Cicero geeft voorbeelden waaruit blijkt dat hij het er niet mee eens is.

Zo beloofde de zonnegod ooit aan zijn zoon Phaëton dat hij al diens wensen zou vervullen. Zoonlief vroeg vervolgens het vierspan van de zon te mogen mennen, bleek dat niet te kunnen, stortte neer en richtte een enorme ravage aan. “Hoeveel beter,” vraagt Cicero zich met recht retorisch af, “was het niet geweest als de Zon zijn woord niet was nagekomen?” En dan Cicero’s eigen standpunt: beloftes hoeven niet altijd te worden nagekomen (promissa non facienda nonnumquam, 3.95).

Het is overigens niet de enige keer dat hij zoiets zegt: in 1.32 drukt hij hetzelfde met iets andere woorden uit (nec promissa igitur servanda sunt). Er helpt geen moedertje lief aan: pacta sunt servanda was geen Romeins rechtsprincipe en was evenmin een idee dat Cicero categorisch voor zijn rekening wilde nemen. Integendeel.

Mij kan het verder niet zoveel schelen wie deze formulering heeft verzonnen, al houd ik het voorlopig op Hugo de Groot of iemand uit zijn school. Waar het mij om gaat is dat het internet weer eens een bron blijkt te zijn van onbetrouwbare informatie en dat je geen antieke bronnen moet citeren zonder ze in hun geheel te bekijken. Maar dat wist u al.

En nu spring ik op de fiets, want ik heb een afspraak thee te gaan drinken bij een vriend, en afspraken zijn er om na te komen.