Eise Eisinga (2)

Het planetarium van Eise Eisinga in Franeker
Het planetarium van Eise Eisinga in Franeker

[Tweede deel van Truus Pinksters beschouwing over Sandra Langereis’ boek Machineman. De tijden van Eise Eisinga (2024). Het eerste deel was hier.]

Het punt om zijn aandacht op te richten kwam met het verschijnen van een boekje met een voorspelling van het einde der tijden, geïnspireerd op het Bijbelboek Openbaring. Mensen werden er heel bang van. Zulke voorspellingen waren er wel vaker geweest, maar deze keer maakte het veel meer indruk omdat het boekje zei zich te baseren op Newtons natuurwetten. De aarde zou geheel gesloopt worden op 8 mei 1774, want dan kwamen Mercurius, Venus, Mars en de reuzenplaneet Jupiter op één lijn te staan en zo zou de aarde uit haar baan om de zon worden getrokken.

Het bijgeloof en de onrust onder de mensen zette Eise aan tot het bouwen van zijn prachtige planetarium, waarmee hij tot op de seconde nauwkeurig de trajecten van alle zichtbare hemelobjecten liet zien. En dat niet voor een bepaalde afgebakende periode maar tot in de eeuwigheid. Zo wilde hij de mensheid geruststellen dat God, de grote klokkenbouwer, het heelal zo vernuftig had geschapen dat het oneindig zou blijven voortbestaan.

Planetarium

En zo geschiedde: Eise bouwde in zeven jaren zijn prachtige planetarium, met hulp van zijn vader (toen bijna zestig) voor alle houtwerkonderdelen en hulp van zijn broer Stephanus voor alle schilder- en schrijfwerk. De laatste fase nam een half jaar in beslag, en daartoe deed Eise zijn bedrijf dicht op 1 augustus 1780.

Op 1 mei 1781 ging het planetarium officieel open voor publiek. En vanaf dat moment heeft hij elke dag aan het belangstellende publiek een uitgebreide toelichting gegeven op alle bewegingen van zon, maan en planeten. Die uitleg was vanaf het begin zijn bedoeling geweest. Hij wist dat het planetarium op zichzelf niet voldoende was om mensen te laten begrijpen hoe ons zonnestelsel met de maan en alle planeten en sterren werkte.

De uitzondering was de periode dat Eise Eisinga in moeilijkheden kwam door zijn politieke stellingname.

Eise Eisinga, wereldverbeteraar

Sandra Langereis noemt Eise ergens “een rekenwonder en wereldverbeteraar”. Twee treffende epitheta. Het rekenwonder is zichtbaar in zijn planetarium. Maar die wereldverbeteraar: dat was voor mij nieuw en misschien nog wel interessanter aan Eise Eisinga dan zijn planetarium.

Minstens de helft van de biografie besteedt Sandra Langereis aan Eises politieke activiteiten en de politieke ontwikkelingen in het Nederland van het laatste kwart van de achttiende eeuw.

Eises politieke loopbaan begint met zijn inschrijving in 1768 in het burgerboek van Franeker, als hij net verhuisd is. Daarbij hoorde ook het afleggen in het stadhuis van de voorgeschreven burgereed. Zo was hij nu officieel stadsburger. Een voorrecht dat uitsluitend weggelegd was voor gereformeerde mannen.

En daar hoorde ook de verplichting bij om onbezoldigd diensten te verlenen voor de stad. (Als men minvermogend was kon men een kwijtschelding krijgen van deze onbezoldigde diensten). Deze diensten konden veel tijd kosten, dus een stadsburger had voldoende vermogen nodig om deze diensten om niet te doen.

Regent

Eise werd in 1776 aangewezen als belangenbehartiger van de kerkarmen: hij moest het geld van de collectes na afloop van begrafenissen, doopplechtigheden en huwelijken verzamelen, ze beheren en uitgeven aan de gereformeerde liefdadigheidsinstellingen, zoals het oude armenhofje. Vervolgens, eind 1776, werd hij vaandrig van de schutterij en moest hij elke tweede zondag met een eenheid burgerschutters exerceren.

En zo zat Eise na de jaarwisseling in het regentenpatriciaat: 7 januari 1777 ontstond er een vacature in de vroedschap. Opvolging ging per coöptatie en meestal kwam een nieuw lid uit de geijkte regentenfamilies. Maar een heel enkele keer werd iemand van buiten die families gekozen. Dan moest hij een bijzondere persoonlijke verdienste hebben, de juiste kerk bezoeken en kapitaalkrachtig genoeg zijn om alle bijbehorende kosten te kunnen dragen. Dat gold voor Eise en zo werd de meesterwolkammer lid van de vroedschap van Franeker.

Deze wijze van coöptatie, die in alle Nederlandse stadsbesturen gewoon was tot aan de Bataafse Revolutie, zorgde er wel voor dat alle overige burgers geen toegang hadden tot het stadsbestuur: de niet-welvarenden onder de gereformeerden en alle doopsgezinden, remonstranten, lutheranen, katholieken en joden.

Uit de vroedschap van dertig leden werden zes burgemeesters gekozen. En deze benoemden Eise tot armenvoogd, en zo kwam hij aan het hoofd te staan van het beheer van de financiën voor de stedelijke armoedebestrijding, een heel verantwoordelijk taak op het gebied van sociale zekerheid en openbare orde. Elke twee maanden moest Eise over de financiën verantwoording afleggen aan burgemeesters en de rest van de vroedschap. Hij deed dit heel erg goed en hield zijn leven lang een grote affiniteit met de toenmalige armoedeproblematiek.

Armenzorg

Anders dan andere regenten kende Eise de populatie armen goed, doordat hij zijn tientallen spinsters en twijnders rekruteerde uit de “Arme Volks Classe” (term van Eise). Hij vond het systeem van de bedeling hopeloos achterhaald. Het ontbrak de armen aan kansen, vond hij. Ongeschoolde armen moesten leren lezen en schrijven en een vak leren om zichzelf te kunnen ontworstelen aan de verlammende armoede die van ouders op kinderen werd doorgegeven. De regenten moesten niet slechts opvang van behoeftige bejaarden en weduwen verzorgen, ze moesten geld steken in behoorlijke scholing en tewerkstelling van alle jong(ere) armen.

En zo bedacht Eise een plan. Hij wist dat er veel handen nodig waren in de arbeidsintensieve textielsector. Daarom stelde hij in 1784 aan de burgemeesters van Franeker voor om de individuele huiselijke arbeid van het spinnen in het groot te kopiëren. En dat in een door het stadsbestuur (en niet door een kerkbestuur) op te richten stadsarmenhuis.

Eise wist vast en zeker dat dergelijke projecten al bestonden in enkele Nederlandse steden en dat heeft hem ongetwijfeld geïnspireerd. Hij bouwde een gloednieuw stadsarmenhuis. Meisjes en vrouwen konden er gaan leren lezen en schrijven en spinnen op een spinnenwiel, zodat ze bij het verlaten van het stadsarmenhuis hun eigen kost konden gaan verdienen door te gaan werken voor de vele Friese sajetproducenten.

Jongens en mannen konden leren werken op de scheepswerven langs Frieslands trekvaarten en kustlijn, waar volop werk was: schuiten timmeren, zeilen naaien touwen tanen. Op 20 juli 1785 werd de eerste steen van het stadsarmenhuis gelegd.

Nauwelijks een jaar later brak de Nederlandse Burgeroorlog van de jaren tachtig uit. In 1787 – zijn armenhuis was bijna klaar – moest Eise als politiek vluchteling weg naar het buitenland. Maar na burgeroorlog, ballingschap en revolutie, na de jaren als democratisch gekozen volksvertegenwoordiger in de gewestelijk politiek, keerde Eise zo rond zijn zestigste weer terug in het bestuur van zijn stad. En opnieuw nam hij toen het ambt van armenvoogd voor zijn rekening om zo te blijven waken over de toekomst van zijn stadsarmenhuis.

[Wordt vervolgd. De gastauteurs van deze blog nemen deze dagen het stokje over. Vandaag dus een gastbijdrage van Truus Pinkster over Sandra Langereis’ boek Machineman. De tijden van Eise Eisinga (2024). Dank je wel Truus!]

Deel dit: