De Babylonische Astronomische Dagboeken

Voorbeeld van een Astronomisch Dagboek. Op dit tablet staat de Komeet van Halley vermeld, die in 164 v.Chr. zichtbaar was (British Museum, Londen)

Mesopotamische historiografische documenten zijn niet zo makkelijk te lezen als de Griekse en Romeinse. Sinds de Renaissance hebben Europese historici hun teksten immers gemodelleerd op klassieke voorbeelden, zodat we het (niet zelden valse) gevoel hebben Griekse en Romeinse teksten te begrijpen. Toch heeft het zin eens te kijken naar de Mesopotamische historiografische teksten, die méér hebben te bieden dan informatie over lang vergeten gebeurtenissen. De Mesopotamische kronieken en hun voorstadium, de Astronomische Dagboeken, vertegenwoordigen een vroege aanzet tot wetenschappelijk denken. Daarover nu twee blogstukjes.

Maar eerst het begin. In het begin schiepen de goden de hemel en de aarde. Ze bouwden hun hemelse paleizen, regelden de kalender en schiepen de sterren, de zon en de maan. Vervolgens bouwden ze een stad om het Nieuwjaarsfeest vieren: Babylon, het fundament van de hemel op aarde. En tot slot schiepen de goden mannen en vrouwen, opdat die het land zouden bewerken en het voedsel produceren dat ze offerden aan hun scheppers. Lees verder “De Babylonische Astronomische Dagboeken”

Planetenjacht

komkommer

Dat was leuk nieuws: dat er een niet al te grote planeet is ontdekt bij de ster Proxima Centauri. Op “slechts” vier lichtjaar van de zon, dus letterlijk bij de buren. Ik heb het met plezier gelezen. Tegelijk moet me van het hart dat het me nu ook weer niet zúlk belangrijk nieuws lijkt. Het zou veel opmerkelijker zijn geweest als er géén planeten waren bij Proxima Centauri.

Ik herinner me nog goed dat in 1995 de eerste planeet werd ontdekt bij een andere ster dan de zon. In de eenentwintig jaar die sindsdien zijn verstreken, zijn er vele honderden gevonden, ik meen ruim 3500. Eerst waren dat gasreuzen als Jupiter, die werden ontdekt doordat ze zó zwaar waren dat ze hun ster deden wiebelen. Dat valt te herkennen aan het dopplereffect, waaruit ook de massa van die planeet viel af te leiden.

Lees verder “Planetenjacht”

Pluto

Planeten draaien, zoals u weet, om de zon of een andere ster. Ze zijn bolvormig. En ze zijn zo zwaar dat ze, zoals het heet, “de buurt hebben opgeruimd”: andere objecten die ooit in dezelfde baan draaiden, zijn als het waren opgeveegd. Pluto voldoet niet aan dit laatste criterium. Dat het hemellichaam toch vaak een planeet wordt genoemd, is slechts een kwestie van traditie, en omdat dat geen wetenschappelijk criterium is, is een nieuwe categorie bedacht: de dwergplaneten, waarvan Pluto en de oude planetoïden Ceres en Eris voorbeelden zijn.

U zult zich de discussies uit 2006 herinneren: er waren nogal wat mensen die de traditie belangrijker vonden dan een bruikbare definitie, en daarom Pluto als planeet wilden blijven aanduiden. Misschien speelde een rol dat “dwergplaneet” onbelangrijker klinkt dan “planeet”. “Plutoïseren” was even een nieuw werkwoord om aan te duiden dat iets ten gevolge van een herdefinitie onbelangrijker was komen te ogen.

Lees verder “Pluto”

Mandeeërs op Pluto

Mandese incantatieschaal (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)
Mandese incantatieschaal (Nationaal Archeologisch Museum, Athene)

De schaal hierboven, te zien in het Nationaal Archeologisch Museum in Athene, is een zogeheten “incantatieschaal”. In een bijna eindeloze spiraal staat een tekst die de eigenaar moet beschermen tegen allerlei boze geesten. Ze zijn gemaakt in het Sassanidische Rijk en zijn er voor elke religieuze minderheid: er zijn christelijke schalen, maar ook joodse, manichese, zoroastrische en mandese. Ik heb op het bordje in het museum gelezen dat de bovenstaande schaal mandees is, maar ik kan het niet controleren.

Mandeeërs?

Ik weet namelijk maar weinig van de mandeeërs. Daarmee ben ik overigens in alleszins redelijk gezelschap, want het is een geloofsgemeenschap in noordelijk Irak waarover maar weinig bekend is. Zeker, we kennen enkele theologische concepten: het zijn dualisten die geloven dat de ziel eigenlijk bij God wil zijn maar door een Groot Kosmisch Bedrijfsongeval als balling in dit ondermaanse moet verkeren. Er is echter geheime kennis waarmee de gelovige de terugkeer van zijn ziel kan bevorderen. Het doet sterk denken aan de antieke gnosis en het is vermoedelijk geen toeval dat de naam van deze religie is afgeleid van het Aramese manda dat, net als het Griekse gnosis, zoiets betekent als kennis of inzicht.

Lees verder “Mandeeërs op Pluto”

Babylonische astronomie

Tablet met een lijst van verduisteringen tussen 518 en 465 v.Chr.

In voorhistorische tijden had de Babylonische oppergod god Marduk het monster Tiamat verslagen. Hij had haar huid als een uitspansel gebruikt om de hemel te doen ontstaan en had de andere lichaamsdelen benut om de aarde, de bergen en wat dies meer te maken. Ook had Marduk de zon, de maan en de sterren geschapen, hun banen langs de hemel getrokken en de ritmes vastgesteld die de eindeloze tijd overzichtelijk maken. Alles zou zich vroeg of laat herhalen.

Zodoende konden mensen weten wat hun te wachten stond, mits ze goed registreerden wat er aan de hemel te lezen was en wat er daadwerkelijk gebeurde. En dus klommen de astronomen van Babylon elke nacht naar de top van de tempeltoren Etemenanki (“het huis van het fundament van de hemel op aarde”, de Bijbelse “Toren van Babel”) middenin de stad om te zien wat er gebeurde. Het resultaat is de enorme collectie kleitabletten in het British Museum die bekendstaat als de Astronomische Dagboeken. Nacht na nacht werd bijgehouden wat er te zien was geweest, dag na dag schreef men op wat er was gebeurd.

Lees verder “Babylonische astronomie”

Ster van Betlehem

De ster van Betlehem (Gevelsteen, Prinsengracht 162, Amsterdam)

Met kerstmis, zo schreef ik gisteren, verandert menig astronoom ineens in een bijbels literalist. Althans, als hij het heeft over de Ster van Betlehem, een onderwerp dat in die tijd van het jaar de aandacht trekt. Mijn bewering leverde me binnen enkele uren de vraag op of ik dit kon toelichten. Bij dezen dan.

Laat vooropstaan dat ik, als ik sterrenkundige zou zijn, óók in de verleiding zou staan de Ster van Betlehem te gebruiken om het grote publiek iets over mijn vakgebied te vertellen. Het is daarvoor een geschikt voorbeeld: het verhaal is goed bekend en de grote variatie aan hypothesen ter verklaring van het beschreven hemelverschijnsel biedt de mogelijkheid een even grote variatie aan onderwerpen aan te snijden – kometen, nova’s, planeetsamenstanden. De onvermoeibare Govert Schilling heeft er, als ik het wel heb, jarenlang een presentatie over verzorgd in het planetarium bij Artis, en hier is nog een voorbeeld. Ware ik sterrenkundige, ik zou het voorbeeld gebruiken.

Alleen: ik ben geen sterrenkundige. Ik ben oudheidkundige. Oude teksten zijn zeg maar echt mijn ding. En voor de uitleg van oude teksten bestaan wetenschappelijke regels. Daarop zal ik, na wat omtrekkende bewegingen, straks ingaan.

Omtrekkende beweging nummer één: één van de voorwaarden waaraan een wetenschappelijk bewijs moet voldoen, is dat de stappen in een redenering voor iedereen, waar ook ter wereld, logisch moeten zijn. Dit betekent dat wetenschappers alleen mogen bouwen op die aannames, en alleen die logische procedures mogen volgen, waarover iedereen het eens kan zijn. In jargon: wetenschappelijke bewijzen zijn argumenta ad omnes. Losgelaten voorwerpen vallen met een eenparige versnelling, waar ter wereld je ook bent en wie er ook naar kijkt.

Omtrekkende beweging nummer twee: wetenschappelijke kennis is gecontroleerde kennis, maar daarom nog niet per se de enige ware kennis. Het stelsel van regels voor een wetenschappelijke bewijsvoering zal nooit zó volledig zijn dat álle waarheden ermee kunnen worden bewezen. Zo zijn de meeste ethische stelsels gebaseerd op de gouden regel “wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”, een buitengewoon verstandig vertrekpunt dat echter wél veronderstelt dat alle mensen gelijk zijn. Sympathiek maar niet wetenschappelijk bewijsbaar.

Gelovige mensen aanvaarden naast de wetenschap – soms: in plaats van de wetenschap – een andere bron van informatie: de openbaring. Terwijl de wetenschapper kan vaststellen dat in Lourdes soms mensen genezen op een wijze die de wetenschap niet kan verklaren, erkent de gelovige dat God heeft ingegrepen. Anders gezegd: een christen, een moslim, een jood en een atheïst kunnen het erover eens zijn dat de genezing een feit is, maar de interpretatie “het is een wonder” is alleen die van de gelovige. In jargon: de gelovige aanvaardt een argumentum ad seipsum.

Wetenschap en religie zijn zo twee gescheiden kenwijzen. Er is een grens. Van de ene kant kan de gelovige zeggen dat de door hem aanvaarde openbaringskennis de wetenschappelijke kennis aanvult; van de andere kant kan een wetenschapper het daarmee eens zijn of zeggen dat hij de openbaring niet aanvaardt. De grens blijft echter bestaan; het gaat om gescheiden kenwijzen die gescheiden moeten blijven. Een argumentum ad omnes is nu eenmaal geen argumentum as seipsum.

Dat waren mijn omtrekkende bewegingen. Ter zake nu.

Als een evangelische christen, die er geen geheim van maakt dat hij de letterlijke waarheid van de Bijbel aanvaardt, probeert vast te stellen wat de Ster van Betlehem is geweest, staat hem dat vrij. Ik zal de laatste zijn om hem te bekritiseren. Jeder soll nach seiner Façon selig werden. Waar ik meer moeite mee heb, is dat een astronoom, die zich als wetenschapper moet houden aan de regels voor het wetenschappelijke bewijs, de Bijbel letterlijk gaat nemen in de week rond kerstmis. De regels voor de tekstuitleg gelden echter alle tweeënvijftig weken van het jaar.

Dit is niet de plaats om de algemene regels der hermeneuse uit te leggen. Sterrenkundigen die ze willen kennen, kunnen het beste even contact opnemen met de letterenfaculteit. Ik kan wel ingaan op de specifieke problemen rond de Ster van Betlehem.

Deze wordt genoemd in zegge en schrijve één tekst, het evangelie volgens Matteüs. De schrijver heeft het evangelie van Marcus genomen en uitgebreid met eigen informatie. Het verhaal van de Ster van Betlehem is zo’n uitbreiding en er is dus in feite maar één getuige die zegt dat er iets was te zien aan de hemel. Slechts weinig wetenschappers zullen op zo’n smalle empirische basis willen bouwen. Het is zoiets als concluderen dat er intelligent buitenaards leven bestaat op basis van alleen het Wow!-signaal. Je kunt als wetenschapper eigenlijk pas iets beredeneren als je verschillende gegevens hebt en die kunt vergelijken.

Nu hebben we voor de oude wereld veel en veel te weinig bewijs, en vaak moeten we het dus doen met het weinige dat ons wordt geboden. Je kunt dus Matteüs’ uitbreidingen aanvaarden, maar dan dien je tevens de geïnterpoleerde woorden “zijn bloed kome over ons en onze kinderen” als historisch waar aan te nemen. Dat is, zoals bekend, een Bijbelpassage waarover nogal wat te doen is. Wie ervoor kiest het verhaal van de Ster van Betlehem at face value te nemen, steekt zich in een wespennest.

Je kunt nu zeggen dat je van Matteüs’ uitbreidingen de ene wel en de andere niet aanvaardt, maar dan moet je een criterium aangeven waarom je dat zou doen. Zo’n criterium kan ook heel goed bestaan – ik zal er zo een noemen – maar dat is niet waar het me nu om gaat. Waar ik op wil wijzen is dat wie de Bijbel letterlijk neemt en veronderstelt dat er rond de geboorte van Jezus van Nazaret een bijzonder teken aan de hemel was te zien, zich heeft begeven in een woud van complexiteiten waar hij zich bewust van moet zijn als hij iets zinvols te berde wil brengen.

In dit geval is de oplossing redelijk simpel. Matteüs’ uitbreidingen van het Marcusevangelie zijn vaak heel joods van karakter. Het wemelt van de semitische uitdrukkingen (zoals “vader in de hemelen”). Als Pilatus zijn handen in onschuld wast, is dat een bekend farizees ritueel. “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen” is een vaststaande juridische formule. Dat Jezus van Nazaret is geboren in Betlehem, verwijst naar Micha 5.1, waar valt te lezen dat degene die Israël zal herstellen, uit Betlehem zal komen. En de Ster van Betlehem is een verwijzing naar Numeri 24.17.

Een ster komt op uit Jakob,
een scepter uit Israël.
Hij verbrijzelt Moab de slapen,
de kinderen van Set slaat hij neer.

Deze regel is in de laatste twee eeuwen v.Chr. heel vaak geciteerd als voorspelling van de komst van de messias. Je kunt het joods-literaire karakter van het verhaal van de Ster van Betlehem gebruiken als criterium om te bepalen hoe betrouwbaar Matteüs’ uitbreiding is, zodat je toch iets kunt zeggen over een anders oncontroleerbaar stukje informatie. We moeten dan concluderen dat de Ster van Betlehem een gangbaar literair motief is geweest, dat elke jood heeft herkend als een aankondiging van de geboorte van een messias. Het beeld letterlijk nemen is zoiets als je bij het wielrennen afvragen waar de “man met de hamer” toch staat.

Matteüs vertelt dus dat het heil op het punt staat aan te breken en beschrijft geen astronomisch verschijnsel. Dat hij sowieso weinig weet van sterrenkunde, blijkt overigens tevens uit zijn woordkeuze: de wijzen zijn afkomstig uit het oosten, waar in Babylonië inderdaad astronomen woonden, maar Matteüs duidt ze aan als “magiërs”, een woord dat betrekking heeft op Perzische offerspecialisten.

Kortom, ik denk dat het onaannemelijk is dat er iets aan de hemel te zien is geweest. Nu ik deze conclusie heb bereikt, rest me slechts informatie te zoeken tegen mijn stelling – anders zou ik immers vervallen tot de confirmation bias. Die informatie is er inderdaad. Wie kijkt op deze pagina’s, gemaakt door mijn evangelische vriend Jan Pieter van de Giessen, zal zien dat er verdraaid veel opmerkelijke hemelverschijnselen zijn geweest in het decennium waarin Jezus moet zijn geboren. Ik heb echter het vermoeden dat voor elk willekeurig decennium een even lange lijst valt samen te stellen.

Is er dan toch iets aan de hemel te zien geweest? Ik weet het niet, maar daar gaat dit stukje niet over. Waar het me om gaat, is dat de wetenschapspopularisator die rond kerstmis de Ster van Betlehem gebruikt om de astronomie bekendheid te geven, moet begrijpen hoe antieke teksten worden geïnterpreteerd. Door de Bijbel letterlijk te nemen en de hermeneutische regels te negeren, misleidt hij niet alleen het publiek, maar brengt hij ook de wetenschap schade toe. Dat kan de bedoeling van wetenschapsvoorlichting niet zijn.

Zonnewijzer

Zonnewijzer in Amersfoort
Zonnewijzer in Amersfoort

Ik moest onlangs op het station in Amersfoort wachten op een aansluitende trein, en wandelde even het stationsplein op. Daar staat namelijk deze zonnewijzer. Het is een heel leuk kunstwerk, dat letterlijk de zon aanwijst, ook als het bewolkt is of als de zon zich ’s avonds bevindt onder de horizon. Er staat ook uitleg bij, maar ik beken dat ik daar enige moeite mee heb.

Een zonnewijzer is een instrument dat de ware plaatselijke zonnetijd aangeeft.

Wat zou “de ware plaatselijke zonnetijd” zijn? Een definitie ontbreekt.

Lees verder “Zonnewijzer”