Islamitisch recht (6) de kalief

Geleerden reizen van keizer Theofilos (r) naar kalief Al-Ma’mun (l)

[Dit is het zesde van acht blogjes over het ontstaan van de islam. Het eerste was hier.]

In de voorgaande vijf blogjes heb ik verteld hoe binnen het Kalifaat behoefte groeide aan een islamitisch rechtsstelsel en hoe de rechtsgeleerden, de ulama, iets volkomen nieuws ontwierpen, dat noch op het joodse, noch op het christelijke, noch op het Romeinse Recht leek. In het islamitische recht was een duidelijke hiërarchie van rechtsbronnen, maar één bron was opvallend afwezig: de kalief.

De visie van de kalief

Hadiths over de eerste vier kaliefen, de “rechtgeleide kaliefen”, werden in overweging genomen. Zij hadden de Profeet nog gekend. De beslissingen van de Umayyadische kaliefen hadden in de tijd van de Abbasidische kaliefen echter geen groot gezag. Althans voor de rechtsgeleerden. De heerser der gelovigen zelf zag dat anders. Een kalief was een plaatsbekleder – en niet van Mohammed, zoals je weleens leest. Inscripties, munten en vroege islamitische teksten maken duidelijk dat de kalief zichzelf zag als de plaatsbekleder van God op aarde.

De visies van de rechtsgeleerden en de kalief botsen op een wezenlijk punt. De eersten dachten egalitair en benadrukten dat ieder mens een persoonlijke relatie had tot God; de tweede ging uit van de hiërarchie. Omdat de twee partijen niet allebei gelijk konden hebben, groeiden er spanningen. De Abbasidische heersers, die aanvankelijk sympathiseerden met de juristen, kwamen daar dan ook van terug. En uiteraard was deze volte-face in de ogen van elke rechtsgeleerde niets minder dan ketterij, zodat de ergernis wederzijds was.

Toch viel er wel iets voor de Abbasidische politiek te zeggen. Terwijl de Umayyaden de niet-Arabische moslims hadden beschouwd als tweederangs burgers, stonden de Abbasiden meer open voor andere culturen dan de Arabische. Op hun manier dachten ook zij egalitair. De neiging het ene volk niet boven het ander te zetten, leidde tot de opbloei van de wetenschappen. Welke implicaties dat had voor de relatie tussen kalief en rechtsgeleerden, zal ik in het volgende blogje tonen.

De Arabische wetenschap

Hoewel het Arabisch de geprivilegieerde hoftaal bleef, werden in Bagdad alle talen van de islamitische wereld gesproken en bestudeerd. De geleerden benutten daarbij uit het Grieks vertaalde inleidingen tot de taalkunde. Al snel werden ook de werken van Griekse artsen en andere praktische geleerden in het Arabisch omgezet, want de Abbasiden, die door een staatsgreep aan de macht waren gekomen, wilden tonen dat hun heerschappij het leven van de moslims verbeterde.

Ook meer theoretische teksten werden vertaald en zo kwam het dat de Arabieren omstreeks 800 beschikten over vertalingen van Aristoteles’ Organon en zijn Poëtica, een handvol dialogen van Plato en enkele neoplatoonse werken. Eenkennig was men overigens niet: al eerder waren Syrische, Indische en Perzische teksten vertaald.

Met name kalief Al-Ma’mun heeft de bestudering van het Griekse materiaal bevorderd. In 830 stichtte hij in Bagdad het Huis der Wijsheid, waar zo’n honderd vertalers werkten.

Men zegt dat Al-Ma’mun een droom had waarin het hem toescheen dat een statige oude man, gezeten op een lessenaar, een lezing hield en zei: “Ik ben Aristoteles.” Toen hij ontwaakte uit zijn droom vroeg hij wie Aristoteles was. Men zei tegen hem: “Dat is een wijsgeer van de Grieken.”
Hij liet Hunayn ibn Ishaq halen, omdat hij niemand kon vinden die hem evenaarde in het vertalen van de boeken van de Griekse wijsgeren in het Arabisch, en hij schonk hem zeer veel geld en cadeaus en zei hem: “Ik zag in mijn droom dat er een man zat op de zetel in mijn raadzaal waar ik zelf altijd op zit. Ik werd vervuld van respect voor hem en vroeg wie hij was. Men zei dat het Aristoteles was en ik zei dat ik hem eens wat zou vragen. Dus vroeg ik hem: ‘Wat is het goede?’ Hij zei: ‘Wat het verstand als goed beschouwt.’ Daarop zei ik: ‘En verder?’ Hij zei: ‘Wat de massa als goed beschouwt.’ Daarop zei ik: ‘En verder?’ Hij zei: ‘Verder niets.’
Deze droom was de belangrijkste aanleiding om boeken op te halen. Al-Ma’mun was in schriftelijk contact gekomen met de koning van de Byzantijnen [Theofilos], over wie hij de overhand had gekregen. Hij vroeg hem om toestemming voor de overdracht van de klassieke wetenschappen, die bewaard werden in het land van de Byzantijnen. Na een aanvankelijke weigering stemde de koning daarmee in. Al-Ma’mun stuurde voor dat doel een groep mensen, die meenamen wat ze wilden, en toen ze het gebracht hadden, gaf hij hun opdracht het te vertalen en dat deden zij. noot Overgeleverd in de collectie geleerdenbiografieën van Ibn Abi Usaybia; vert. Versteegh.

Zoals na een visioen over Aristoteles wellicht viel te verwachten, legde Hunayn ibn Ishaq, een jonge christelijke geleerde, zich bij zijn vertaalwerkzaamheden vooral toe op de medische traktaten. Maar er werden ook andere teksten vertaald, zoals de publicaties van wiskundigen, filosofen en astronomen. Sommige teksten werden meer dan eens vertaald, en het is aardig te zien dat jongere vertalingen een zelfverzekerder Arabisch tonen: waar het Griekse woord diabetes – dat  dat zoiets als “doorstroming” betekent – aanvankelijk nog werd weergegeven met het leenwoord diyabita, koos men later voor een eigen woord, da’ al-sukkar, waarvan ons “suikerziekte” de letterlijke vertaling is.

[wordt morgen vervolgd]

Deel dit:

5 gedachtes over “Islamitisch recht (6) de kalief

  1. Marijn Taal

    ‘Al-Ma’mun was in schriftelijk contact gekomen met de koning van de Byzantijnen, over wie hij de overhand had gekregen. Hij vroeg hem om toestemming voor de overdracht van de klassieke wetenschappen, die bewaard werden in het land van de Byzantijnen. Na een aanvankelijke weigering stemde de koning daarmee in. Al-Ma’mun stuurde voor dat doel een groep mensen, die meenamen wat ze wilden, en toen ze het gebracht hadden, gaf hij hun opdracht het te vertalen en dat deden zij.’

    Hoe moeten we dit ‘meenemen wat zij wilden’ van klassieke wetenschappen van de Byzantijnen door de mensen van Al-Ma’mun duidden? Een vreedzame overdracht van boeken? Of afgedwongen (met geweld), aangezien ‘hij de overhand over hen had gekregen’?

    1. Vreedzaam. Kijk maar naar de Byzantijnse afbeelding bovenaan dit stukje. Geen wapen te zien, wel een keizer, een kalief, een vizier, plus een delegatie van één heilige en drie wetenschappers.

  2. Kees Voorburg

    Heb de Koran enkele decennia terug gelezen waarbij het me opviel hoezeer de inhoud lijkt te wringen met wat ik via TV en krant vernam van de Sharia. Voor een TV-programma zijn gruwelstraffen natuurlijk interessanter dan bepalingen m.b.t. de waarde van schapen en kamelen; anders zapt de kijker maar weg naar een knokfilm op RTL7. Ik vermoedde dat de Hadith en Suna bepalender zijn geweest dan de Koran, maar bleef in het duister tasten, alwaar Jona met zijn blogjes nu 8 kaarsjes heeft aangestoken, waarvoor mijn grote dank. M.n. het 4e kaarsje was verhelderend.

    Nu ik u toch aan het lezen heb, wil ik nog wat kwijt over mijn leeservaring van destijds. Was een soort mentale aardverschuiving.
    Ik kreeg de even absurde als beangstigende idee, dat ik zo ongeveer de enige op de wereld was die het boek daadwerkelijk gelezen had (in een voor mij begrijpelijke vertaling). Ik herinner me bijvoorbeeld een talkshow waarin onze Geert, nog wat BN-volk en een Korandeskundige (met beperkte kennis van het Nederlands) waren uitgenodigd. Wilders gaf een loepzuivere voorzet voor eigen doel met zijn uitspraak dat “je een boek zo dun als een Donald Duck overhoudt wanneer je alle oproepen tot weerzinwekkend geweld uit de Koran scheurt”. De waarheid is namelijk dat wanneer je die oproepen van een online Koran naar een Word-pagina zou kopiëren/plakken, je misschien één A-4tje vol krijgt. Niemand kopte de voorzet echter in en ik was verbijsterd. Mijn geheugen is niet perfect dus laten we het op 2 A4tjes houden (bij groot lettertype & regelafstand).
    Las toentertijd ook een boekje van Joris Luyendijk over zijn verblijf in Egypte. In één passage grapt hij met een taxichauffeur dat moslims nonsens als de onbevlekte ontvangenis van Maria gelukkig bespaart blijft. Soera 19, vers 16 en volgende weet echter anders.

    Ook verbijstert het me dat geen enkele (mij bekende) nieuwsorganisatie ooit de moeite heeft genomen één of twee redactieleden te vragen de Koran te gaan lezen, gewapend met een pen en notitieblok, terwijl het misschien wel het meest bewierookte en verguisde boek ter wereld is.

    Bij de vele islamitische collega’s die ik er in de loop der jaren over sprak, bleek de kennis van de Koran ook nauwelijks aanwezig met één sympathieke uitzondering. Deze collega legde me uit dat het lezen van een vertaling voor velen een taboe is. Het gaat immers om de taal van God Zelf. Hij was het daar niet mee eens.

    Wellicht kan Jona of een gastcolumnist een keer wat toe- of bijlichten over het volgende:
    1. De arabisering van Egypte en de Levant is aanzienlijk sneller gegaan dan de islamisering, da’s bekend. Ofwel: in 100/200 jaar tijd was het merendeel van de Arabisch sprekenden van huis uit (grootouders, overgrootouders) anderstalig. Het Arabisch zal hierdoor sterk beïnvloed zijn lijkt me. Vanaf wanneer ongeveer was het Koranisch Arabisch onbegrijpelijk voor de meerderheid der moslims, zoals dat nu het geval is?
    2. Sinds wanneer ongeveer noemen moslims Christen ‘ongelovigen’? De term ‘ongelovigen’ wordt in de Koran niet één keer gebruikt om Christenen en Joden aan te duiden; volgens mijn nog net leesbare aantekeningen althans.
    3. De Koran verwijst vaak naar het Oude Testament (OT) op een kenmerkende manier. Bij een waarschuwing voor bijvoorbeeld hoogmoed volgt dan iets in de trant van “denk maar aan hoe het OT-personage X verging toen hij hoogmoedig was en… etc”. M.a.w.: kan je zeggen dat flink wat passages in de Koran onbegrijpelijk zijn voor wie het OT niet kent?

    PS: als u mocht besluiten om de Koran ook te gaan lezen, laat u dan niet ontmoedigen door de zeer taaie, warrige eerste Soera’s. En besef dat het genotuleerde toespraken zijn, geen geschreven teksten. Herhalingen irriteren immers in een geschreven tekst, maar kunnen effectief zijn in een toespraak (Hoe vaak herhaalt MLK de zin “I have a dream” wel niet in zijn beroemde toespraak?).

    1. Wat betreft de tweede vraag: de oudste laag van de islam was vrij oecumenisch. Monotheïsten zouden op de Jongste Dag worden gered, en dat waren de moslims (= Arabische monotheïsten) en de joden + christenen (= de gelovigen). Vandaar de formule “moslims en gelovigen”.

      Rond 680 was wel duidelijk dat het radicale monotheïsme niet te rijmen viel met de christelijke triniteit. Dan gaan de wegen uiteen.

      Zie het boek van Fred Donner, “Muhammad and the believers”.

  3. Kees Voorburg

    Mijn dank, Jona, weer wat wijzer.

    als ongelovige kun je onvolkomenheden vermoeden in de Koran, een moslim kan dat niet. Ik heb het gelezen vanuit de claim dat het om het onverkorte en perfecte woord van de almachtige gaat. Als soera 5:69 meldt dat Joden, Christenen en Sabiërs (= Zoroaster aanhangers?) niets te vrezen hebben, vermits zij oprecht geloven, kan met Soera 5:73 (“zij die stellen dat God de derde van drie is wacht het hellevuur”) onmogelijk bedoeld worden dat alle Christenen ongelovigen zijn . Op meer plaatsen in de Koran vroeg ik me af of er misschien stelling genomen wordt in het christelijke debat m.b.t. de drie-eenheid. Maar wacht, het is erg warm en tegen mijn gewoonte in heb ik mij nu, om 16.40, al gelaafd aan 2 glazen koele witte wijn. Kappen dus!
    En dus ook niet gaan bidden, want dat mag niet als je teut bent. Op zich lijkt me dat overigens geen al te ernstige zonde. Een glaasje wijn drinken bedoel ik. Burp (= Alcohollands voor “soit”).

Reacties zijn gesloten.