
Dat je zorg draagt voor mensen die in de problemen zijn geraakt, is elementair fatsoen. En omdat dat fatsoen weleens ontbreekt, hebben we een en ander tevens vastgelegd in wetten en verdragen. Zo simpel is het. Je hebt geen antieke tekst nodig om medemenselijkheid te begrijpen. Desondanks komt, sinds de Nederlandse Tweede Kamer besloot hulp aan illegaal in ons land verblijvende mensen strafbaar te stellen, de parabel van de barmhartige samaritaannoot tot vervelens toe langs.
Ik houd er niet van de antieke literatuur te leggen in het procrustesbed der actualiteit. De Oudheid is in zichzelf voldoende interessant. Maar nu de barmhartige samaritaan ineens overal wordt geciteerd, bied ik toch wat losse aantekeningen, die ik baseer op het onvolprezen The Jewish Annotated New Testament, waarover ik al eerder schreef. (Er is een uitgebreide Nederlandse vertaling, maar die heb ik even niet bij de hand.)
Medemenselijkheid
De evangelist Lukas leidt het verhaal in met twee aan Jezus gestelde vragen. De eerste luidt wat iemand moet doen om het eeuwig leven te verwerven. Het antwoord is simpel:
Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw kracht en met heel uw verstand, en uw naaste als uzelf.noot
Dit is een combinatie van Deuteronium 6.5 en Leviticus 19.18b en is een standaardantwoord. We vinden het eveneens in Lukas’ bron Marcus; de argumentatie is gebaseerd op een farizese redenatiefiguur die bekendstaat als Gezerah Shavah; we kennen deze conclusie ook uit de rabbijnse literatuur; de Romeinse auteur Plinius de Oudere zag het eveneens zo. Kortom, tot hier is er niets bijzonders aan de hand.
Maar de wetgeleerde wilde zich rechtvaardigen en vroeg aan Jezus: “Wie is mijn naaste?”
Toen vertelde Jezus hem het volgende: “Er was eens iemand die van Jeruzalem naar Jericho reisde en onderweg werd overvallen door rovers, die hem zijn kleren uittrokken, hem mishandelden en hem daarna halfdood achterlieten. Toevallig kwam er een priester langs, maar toen hij het slachtoffer zag liggen, liep hij met een boog om hem heen. Er kwam ook een leviet langs, maar bij het zien van het slachtoffer liep ook hij met een boog om hem heen.”noot
Je hoort regelmatig dat deze mensen geen EHBO verleenden omdat ze hun rituele reinheid moesten bewaren: het waren immers mensen die werkten in de tempel, en rituele reinheid was belangrijk. Dan raak je geen stervende aan. Alleen: het staat er simpelweg niet.
Op en neer naar Jeruzalem
Nu staan er wel meer dingen niet in het Nieuwe Testament. Je kunt zeggen dat onuitgesproken kon blijven wat elke toehoorder begreep. Maar het Grieks bevat een duidelijke tegenaanwijzing. In die taal, afkomstig uit een land met nogal wat bergen en dalen, loop je zelden zomaar van A naar B, maar je klimt of daalt van A naar B. En in de parabel is echt sprake van afdalen, κατέβαινεν. Het werk in de tempel zit erop en de rituele reinheid doet er dus niet langer toe.
Waar komt dat idee van de rituele reinheid vandaan? Ik vermoed dat het samenhangt met het christelijke vooroordeel dat joden geen genadige god hadden, maar een god die hen dwong “punten te scoren” om een plaats te verwerven in de wereld die nog zou komen. Daarom, zo wilde het vooroordeel, hadden de joden eindeloos veel regeltjes. En dus een obsessie met rituele reinheid. Die veronderstelde obsessie hebben christelijke lezers in dit verhaal gelezen.
Aäron, Levi, Israël
De reden waarom de priester en de leviet de ongelukkige negeren, vernemen we dus niet, en is voor het verhaal ook niet belangrijk. Het priesterschap was erfelijk en een joodse priester stamde af van Mozes’ broer Aäron. Het levietschap was eveneens erfelijk: de levieten stamden af van Levi, een van de twaalf zonen van de aartsvader Jakob. De rest van de bevolking (de afstammelingen van de andere zonen van Jakob dus) staat bekend onder de verzamelnaam Israël. Na Aäron en Levi zou Israël moeten komen: de toehoorder verwachtte dat de derde passant een gewone jood zou zijn die deed wat gods grondpersoneel naliet. De schok in de parabel is dat degene die de zaken netjes afhandelt, niet de verwachte gewone jood is, maar iemand die geen deel uitmaakt van het verbondsvolk.
Wie zich werkelijk wil verdiepen in de materie, moet ook nog even kijken naar 2 Kronieken 28.15, maar ik ga snel verder naar het einde van de vertelling. Jezus vervolgt:
“Een samaritaan echter, die op reis was, kreeg medelijden toen hij hem zag liggen. Hij ging naar de gewonde man toe, goot olie en wijn over zijn wonden en verbond ze. Hij zette hem op zijn eigen rijdier en bracht hem naar een logement, waar hij voor hem zorgde. De volgende morgen gaf hij twee denarie aan de eigenaar en zei: ‘Zorg voor hem, en als u meer kosten moet maken, zal ik u die op mijn terugreis vergoeden.’ Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?”
De wetgeleerde zei: “De man die medelijden met hem heeft getoond.”
Toen zei Jezus tegen hem: “Doet u dan voortaan net zo.”noot
Het antwoord van de wetgeleerde is ronduit grappig: “de man die medelijden heeft getoond”. De wetgeleerde kan het woord “samaritaan” niet eens over z’n lippen krijgen.
Zelfde tijdvak
Joodse humormei 2, 2013
Artemis van Efeseapril 14, 2023
Godvrezenden en de Theos Hypsistosseptember 4, 2022

De tekst wordt niet aangehaald omdat hij uit de Oudheid stamt, maar juist omdat hij vandaag sterk spreekt en een appel tot medemenselijkheid is. En inderdaad stamt uit een traditie die de huidige wetgevers zeggen te willen redden en behoeden…
Hij spreekt zelf niet aan. Wij projecteren.
In dit geval is dat niet zo’n probleem maar de variatie in uitleg an de bijbel bewijst hoezeer bij interpretatie de moderne projectie belangrijker is dan het antieke signaal.
Als overtuigd ongelovige heb ik er niet zoveel moeite mee. Voor mij betekent vrijheid ook dat ik zelf kies of ik een tekst van twee maanden geleden of één van tweeduizend jaar geleden neem als inspiratie voor mijn ethiek. En die vrijheid gun ik ook een ander.
Het probleem ontstaat pas als we het omgekeerde doen: pretenderen dat we iets zinnigs over de Oudheid zeggen.
“Een genadige God”
Stille groet,
Nog niet eens zozeer projectie als gewoon het vaak onbewuste filter op de waarneming.
“Een geniepige vorm van misleiding is de bril op onze neus: onze stille hoop, onze verwachtingen, onze voorgevormde denkbeelden over Mozes, Jezus, het oude Israël enzovoorts, en vooral onze vooroordelen, geloofsopvattingen en zekerheden. Vaste ideeën over welk aspect van geloof en wereld ook zullen je beïnvloeden, sturen en geregeld hinderen, ook als je het niet merkt.”
Jan Fokkelman, Dichtkunst in de bijbel. Een handleiding bij literair lezen (Zoetermeer: Meinema, 2000) pag. 233.
Het mooiste aan deze tekst vind ik hoe Jezus er weer in slaagt ons op het verkeerde been te zetten. Want met deze parabel wil Jezus ons, de lezers, een spiegel voorhouden: hoe zien wij onszelf? Hoe belangrijk schatten wij onszelf in?
De parabel begint met deze eenvoudige vraag aan Jezus: ‘Wie is mijn naaste?’ Een onoplettende lezer zal uit de parabel afleiden dat de arme overvallen man onze naaste is die wij wel zullen helpen, zo edelmoedig als we zijn. Maar aan het eind van de parabel stelt Jezus een tegenvraag die de zaken volledig omkeert: ‘wie van deze drie is de naaste geworden van het slachtoffer?’
Plots gaat het niet meer over onszelf maar over het slachtoffer zelf: wie is ZIJN naaste? M.a.w. je naasten kies je niet zelf. Je wordt het door goed te doen voor wie hulp nodig heeft. We stellen onszelf als vanzelf zo graag centraal dat we er niet meer bij stilstaan. Met zijn tegenvraag zet Jezus dit eventjes op zijn kop en zet ons op onze plaats.
De Joodse wetgeleerde had ongetwijfeld een objectief antwoord verwacht. Maar uiteindelijk kan hij niet anders dan zichzelf gelijk te stellen aan ‘de man die hem barmhartigheid heeft betoond’. Niemand minder dan een Samaritaan met wie joden in vijandschap leefden. Een Samaritaan voor wie de reinigheidswetgeving evenzeer geldt maar in tegenstelling tot de priester en leviet wél zijn plichten nakomt.
De wetgeleerde had dit ongetwijfeld niet zien aankomen. Een masterclass van Jezus in nederigheid.
Inderdaad! Een masterclass in medelijden. In het Grieks klinkt het antwoord van Jezus nog wat sterker dan in Nederlandse vertaling.
De wetgeleerde zei: “De man die medelijden met hem heeft GEDAAN (ποιήσας) .”
Toen zei Jezus tegen hem: “DOET (ποίει) u dan voortaan net zo.”
Heeft de MB niet enige tijd terug geschreven dat het wel mee viel met die vijandschap tussen de Joden uit Judea en Galilea en de Samaritanen?
Ik zou het iets anders zeggen: in de Oudheid was er tussen twee buurgemeenten altijd een forse frictie. Lyon haatte Vienne en andersom, Oea haatte Lepcis en andersom, en in tijden van crisis kwam zoiets niet zelden tot een gewelddadige uitbarsting. De relatie Jeruzalem-Samaria was niet heel anders.
Dit mailde ik naar de NRC als ingezonden brief:
‘Sans papiers’
Zo worden ‘illegalen’ in Frankrijk genoemd. Daar kan ons kabinet en parlement nog wat van leren.
Lees de fraaiste parabel uit de bijbel er maar op na (Lucas 10: 25-35).
Een reiziger wordt overvallen, uitgekleed, mishandeld en halfdood achtergelaten,
Dan komt er toevallig een priester langs. Die laat hem domweg liggen. Het Joodse priesterschap was erfelijk. Ze stamden af van Mozes’ broer Aäron.
Dan komt er een Leviet langs, een afstammeling van Levi, één van de twaalf zonen van aartsvader Jacob. Die laat hem ook liggen.
Let op de impliciete kritiek op twee instituten: de hoge en de lage geestelijkheid falen hier beiden.
Dan komt de tournure. Een passerende Samaritaan (Joden verachtten Samaritanen) verzorgt hem, brengt hem naar een herberg en betaalt de herbergier.
De parabel leert ons dat christenen barmhartig moeten zijn, ook voor niet christenen, die in nood verkeren. En meldt ook niet of het afgetuigde slachtoffer Joods is. Een saillant detail, tot op dag van vandaag.
Nog nooit, en ik ben inmiddels tachtig, heb ik me zo geschaamd over ons kabinet & parlement, twee instituten, die het bestonden een wet aan te nemen, die barmhartigheid nota bene strafbaar wil maken voor mensen zonder papieren.
Hoe durven ze…
Pek van Andel, Feerwerd
Dat kan allemaal goed wezen, maar intussen zitten wij nog steeds met die belachelijke, beschamende wet.
De MB is trouwens lang genoeg bezig om encyclopedische trekken te krijgen. Sterk werk, Jona. Nuttig en aangenaam. Het is een cliché, maar er is wel degelijk een steen verlegd.
Ik kan er niet bij zijn de 14de, maar drink een glas op jouw gezondheid en nog vele boeiende stukjes.
*de 13de, en dit hoort bij het stukje “fails divers”. Brein in zomermodus.
“Ik houd er niet van de antieke literatuur te leggen in het procrustesbed der actualiteit. ”
Die moest ik even opzoeken. 😉
Het is een andere manier om te zeggen dat relevantie de vijand is van de geschiedwetenschap.