Oude olijfbomen

Laërtes’ olijfboom

Drie jaar geleden was ik in Souk Ahras, een klein Algerijns stadje dat ooit Thagaste heette en dat de geboorteplaats is van Augustinus. Er zijn geen opvallende resten uit de Romeinse tijd, maar achter het gemeentehuis toont men een olijfboom die, zo vertelt men, eeuwenoud is. Ik blogde er destijds over – lees maar – en schreef toen dat de christelijke veelschrijver de boom minimaal zou kunnen hebben gezien.

Het is niet de enige oeroude olijfboom. Het exemplaar hierboven staat op Ithaka en men vertelt ter plekke dat de vader van Odysseus, Laërtes, er weleens ging zitten als hij het gedonder in het paleis zat was. In Athene wijzen ze Plato’s olijfboom aan. In Libanon staan bij Bcheale zestien bomen die zouden zijn ontstaan toen Noach het olijftakje zou hebben geënt dat de duif hem na de Zondvloed had gebracht. Op de Olijfberg in Jeruzalem tonen ze u de bomen waaronder Jezus zou hebben gebeden voordat Judas hem kwam verraden.

Lees verder “Oude olijfbomen”

De genezing van de verlamde (2)

Betzata

We hadden het over het verhaal over de genezing van de verlamde. Naast de versie van Marcus, waarover ik het in het vorige blogje had, is er een versie van Johannes. Die is opvallend anders.

Voor ik u die te lezen geef, even een tekstkritische kwestie: in de NBV21 is ervoor gekozen een bijzinnetje weg te laten dat niet in de oudste manuscripten staat en vermoedelijk een later ingevoegde toelichting is. Dat zinnetje luidt dat er weleens een engel neerdaalde die het water van Betzata in beweging bracht en geneeskrachtig maakte.

Lees verder “De genezing van de verlamde (2)”

Het voorhangsel in de tempel

Een cherub uit Tell Halaf (Louvre, Parijs)

In mijn zondagse reeks over het Nieuwe Testament vandaag een bekende scène uit het Lijdensverhaal.

Jezus slaakte een luide kreet en blies de laatste adem uit. En het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën. (15.37-38; NBV21)

De parallelpassage in Matteüs (27.51-53) voegt nog een aardbeving en de opstanding van de rechtvaardigen toe, terwijl Lukas een zonsverduistering vermeldt (23.44-45). Ik laat de natuurwonderen wat ze zijn; het gaat me om het voorhangsel. Uit Exodus 26 weten we dat het binnen de tabernakel – en, naar men aanneemt, binnen de tempel – hing en diende om het Heilige te scheiden van het Heilige der Heiligen. Het was gemaakt van karmozijnrode, blauw- en roodpurperen wol, voorzien van een patroon van cherubs. Dat zijn de traditionele, gevleugelde wachters van allerlei goddelijke zaken. Zie boven voor een voorbeeld.

Lees verder “Het voorhangsel in de tempel”

De Grafbasiliek in Jeruzalem

In de Grafbasiliek

Ik ben er geen voorstander te bloggen over opgravingen die nog niet zijn afgerond. Voor je het weet versterk je de zoveelste archeologische hype. En zoals u zich herinnert van het graf in Amfipolis pakt dat weleens verkeerd uit. Wat het graf was van Alexander, van Hefaistion, van iemand die Alexander had gekend, nou ja, van iemand die iemand had gekend die Alexander had gekend… dat graf dus, dat bleek uiteindelijk veel te jong, waarna men de munten waarop die datering was gebaseerd, maar weginterpreteerde door aan te nemen dat ze waren achtergelaten door mensen die later nog in het graf waren geweest.

Klinkklare wetenschap, zeggen we dan.

Grafbasiliek

Maar nu. Vijf jaar geleden was er een opgraving onder de aedicula in de Grafbasiliek in Jeruzalem. Dat is het gebouwtje dat staat op de plaats waar Jezus begraven zou hebben gelegen. Ik schreef er al eens over. Er is daar inderdaad een grafveld uit de juiste periode (nu te zien in de Syrische Kapel). Het eigenlijke graf is weliswaar in 1009 door kalief Al-Hakim gesloopt, maar er zijn nog wat resten van over. De opgraving van 2016/2017 bevestigde wat we al vermoedden.

Lees verder “De Grafbasiliek in Jeruzalem”

Domitianus (8): Judaea Capta

Judaea Capta

Elke tentoonstelling kent een paar stukken waarvan je de aanwezigheid kunt voorspellen. Niet dat ik er handig in ben, want ik had verwacht dat op de door de lockdown vooralsnog verborgen expositie over de Romeinse keizer Domitianus (r.81-96) in het Rijksmuseum van Oudheden wel iets verteld zou worden over de Fiscus Judaicus. Daarover wordt niets getoond, dus dat zag ik verkeerd. Maar een andere voorspelling klopte wel: de beroemde munten over de Joodse Oorlog waren er wel. Zoals hierboven. Dit exemplaar uit de collectie in De Nederlandse Bank ligt nu dus ontoegankelijk te wezen in Leiden.

De Joden waren in opstand gekomen tegen Nero, die Vespasianus erop af had gezonden. Dat was een stevige zelfoverwinning geweest van de keizer, want hij had de vooraanstaande senator kort daarvoor van het hof weggestuurd. Vespasianus had het namelijk gewaagd in slaap te vallen tijdens een van Nero’s recitals (of beweerde zulks). Eenmaal in het oosten onderdrukte Vespasianus de opstand, maar vlak voordat hij het beleg voor Jeruzalem kon opslaan, brak de burgeroorlog uit. De Joodse Oorlog werd dus onderbroken en in plaats daarvan greep Vespasianus zelf de macht.

Lees verder “Domitianus (8): Judaea Capta”

De Bergrede (10): Smaad

Sarcofaag uit het mausoleum van de Anicii (Louvre, Parijs)

Na een onderbreking van drie weken herneem ik nu mijn reeks over de Bergrede. Korte inhoud van het voorafgaande: de Bergrede is door de auteur van het Matteüsevangelie gecomponeerd aan de hand van uitspraken uit de Q-bron en biedt, na een proloog (“de zaligsprekingen”) een wetsuitleg waarin Jezus zijn mensen oproept tot volmaaktheid, die haalbaar is in het naderende Koninkrijk Gods. Op de achtergrond spelen enerzijds de concrete repressie die de mensen ten tijde van Domitianus hebben ervaren en anderzijds Jezus’ positie als messias.

Naar de rechter!

De wetsuitleg heeft ruwweg dezelfde vorm als de halachische discussies in de Dode-Zee-rol die bekendstaat als 4QMMT ofwel Enige Werken der Wet: (een uitleg van) een wetstekst wordt neergezet en becommentarieerd. In de Bergrede zijn die commentaren aanscherpingen:

Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” Dit zeg ik daarover: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie hen voor nietsnut uitmaakt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. (Matteüs 5.21-22, nieuwste Nieuwe Bijbelvertaling)

Lees verder “De Bergrede (10): Smaad”

Sisak

Šešonq (SIsak) in Karnak, omringd door de namen van de veroverde steden (© Wikimedia Commons | gebruiker Olaf Tausch)

Tijd voor weer een stukje over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld. Zoals u weet zijn handboeken alleen maar een basis voor het echte onderwijs. In de colleges leert de student dat het niet zo is als de handboekstof, of dat het genuanceerder ligt, of dat het volslagen raaskalderij is, of de onverwachte bevestiging van het tegendeel, dat precies datgene is waarover de docent een grundlegende studie heeft gepubliceerd. Whatever. Vandaag een zinnetje dat mooi illustreert dat een handboek niet bedoeld is als meest complete behandeling.

De situatie: door de Zeevolken-crisis is het Bronstijdsysteem in elkaar gestort. Het gaat overal wat minder maar in sommige gebieden blijven orde & gezag & schrijfcultuur bestaan. Egypte is na de ondergang van de Twintigste Dynastie weliswaar verdeeld geraakt, en Libische potentaten nemen de macht over, maar ook in de “Derde Tussentijd” bestaat nog wel enig legitiem gezag. De koningen van de Eenentwintigste en Tweeëntwintigste Dynastie zijn zeker geen schlemielen. Dat bewijst bijvoorbeeld Šešonq I, die regeerde van 945 tot 924 v.Chr.

Lees verder “Sisak”

De Grafbasiliek in Jeruzalem

In de Grafbasiliek

Zoals beloofd een stukje over de Grafbasiliek in Jeruzalem. Ik lees momenteel From the Passion to the Church of the Holy Sepulcher door de Amerikaanse nieuwtestamenticus Jordan J. Ryan. De ondertitel is in al zijn onaantrekkelijkheid stukken verhelderender: Memories of Jesus in Place, Pilgrimage, and Early Holy Sites of the First Three Centuries. De drie eeuwen ná Christus natuurlijk. En het gaat er dus om op welke plaatsen en hoe de mensen Jezus herdachten vóór het christendom in de vierde eeuw institutioneel vorm kreeg.

Het probleem

De kwestie is deze. Er waren allerlei joodse halachische stromingen die zichzelf opnieuw moesten uitvinden toen de Romeinen in 70 na Chr. een einde maakten aan de eredienst in de tempel. Het was Stunde Null, alles moest opnieuw beginnen en na enkele eeuwen waren twee nieuwe godsdiensten ontstaan: het rabbijnse jodendom en het christendom. Beide kregen hun voor ons herkenbare vorm dus in de Late Oudheid, ruwweg op het moment waarop ook de schrijfcultuur veranderde: papyrus werd ingeruild voor perkament. Kostbaar als dat was schreef men alleen het noodzakelijke over en dat waren dus de teksten die naar de mening van de mensen uit de vierde, vijfde eeuw geïnspireerd waren. De rest ging onherroepelijk verloren.

Lees verder “De Grafbasiliek in Jeruzalem”

Moses Shapira en de Moabitische beeldjes

Moabitisch beeldje

Vervalsingen volgen de oudheidkunde als een schaduw. Ik heb al weleens beschreven hoe het vak in feite is ontstaan doordat een vijftiende-eeuwse vervalser zó succesvol was dat mensen wel nadenken móesten over de vraag wat echt was en onecht. Dat was in de tijd van de Renaissance en is in onze tijd nog altijd zo, dus het zal in de tussenliggende eeuwen ook wel zo zijn geweest . En inderdaad: vandaag een geval uit de negentiende eeuw. Meer in het bijzonder: uit 1872. Schliemann was nog maar net begonnen met de opgravingen in Troje, de archeologie was nog een ontluikende wetenschap.

Moabitische beeldjes

In Jeruzalem woonde Moses Shapira, Pools van afkomst en Duits door naturalisatie, die rariteiten – liefst antiek of op een andere manier te verbinden aan het verhaal van de Bijbel – inkocht en doorverkocht aan pelgrims en andere bezoekers. Als het ging om oudheden was daarvoor een vergunning nodig, want de sultan had in 1869 regels gesteld. Shapira had die papieren en wist wat hij aankocht. En hij wist eveneens wat hij doorverkocht en wat dat waard was. Wetenschappers in Jeruzalem kenden de tweede ruimte achter zijn winkel, waar de meest waardevolle spullen stonden.

Lees verder “Moses Shapira en de Moabitische beeldjes”

Besnijdenis des Heren

Maria met kind (Catacomben van Priscilla, Rome)

Dat Jezus een Jood was, zal geen weldenkend mens ter discussie stellen. Lukas, wiens evangelie ik de laatste tijd aan het becommentariëren ben, vermeldt dat de baby op de achtste dag door de besnijdenis werd opgenomen in het Verbondsvolk en de naam Jezus kreeg (Lukas 2.21). Het is onmogelijk het belang van deze passage te overschatten. “Wie niet op de achtste dag wordt besneden, is geen kind van het Verbond dat de Heer sloot met Abraham,” lezen we in Jubileeën, “maar behoort tot de kinderen der vernietiging.” De auteur is er overigens ook zeker van dat de engelen besneden waren geschapen.

Het belang van de besnijdenis stond niet ter discussie, maar de rabbijnse literatuur kent wel wat discussie over detailkwesties, waarvan sommige voorspelbaar zijn: mag je bijvoorbeeld een baby besnijden op de sabbat? Ondanks deze kwesties stond niet ter discussie dat, althans voor mannelijke Joden, de besnijdenis de duidelijkste scheidslijn was tussen enerzijds het Verbondsvolk en anderzijds de Grieken en Romeinen. Uit de Griekse en Latijnse bronnen weten we dat de andere bewoners van het Middellandse-Zee-gebied de besnijdenis ook herkenden als een Joodse gewoonte. Lukas presenteert Jezus dus, voor iedereen begrijpelijk, als Jood.

Lees verder “Besnijdenis des Heren”