Middeleeuwse monsters

Een eend op een draak (Qasr Libya)

Het dierenrijk valt te verdelen in drie categorieën: (1) levende dieren, (2) uitgestorven dieren en (3) fabeldieren. Dat lijkt simpel, maar de grenzen zijn niet helemaal scherp. De coelacant promoveerde bijvoorbeeld in 1938 van de tweede naar de eerste divisie. En van diverse fabeldieren is aannemelijk gemaakt dat degenen die ze hebben verzonnen, waren geïnspireerd door dinosaurusbotten. Zulke dieren promoveerden van de derde naar de tweede divisie.

Cryptozoölogie

Fabeldieren mogen dan niet bestaan, ze zijn het voorwerp van serieus antropologisch, biologisch en historisch onderzoek. Lezenswaardig boek is het in 2008 verschenen boek Yeti-jagers (2008) van antropoloog en jurist Tjalling Halbertsma, die in Mongolië de Verschrikkelijke Sneeuwman achterna ging en terechtkwam bij zowel wetenschappelijke als pseudowetenschappelijke onderzoekers.

Die laatsten wel aangeduid als cryptozoölogen, dus onderzoekers die fabeldieren bestuderen vanuit de biologie. Aangezien niet vaststaat of hun onderzoeksobject überhaupt bestaat, wordt het vak wel beschouwd als pseudowetenschap. Toch was de vader van het vak, de Belg Bernard Heuvelmans (1916-2001), een academisch geschoold zoöloog. Hij heeft een groot en betrouwbaar kaartsysteem aangelegd dat nog steeds wordt gebruikt.

Menig cryptozoöloog probeert aan te tonen, liefst door vondsten van levende of dode exemplaren, dat fabeldieren uit de mythologie en folklore echt bestaan of hebben bestaan. Ze noemen deze dieren “cryptiden”. Ze zijn meestal relatief groot van stuk, wat hun kans op bestaan kleiner maakt, want anders waren ze waarschijnlijk al wel ontdekt. (Om misverstanden te vermijden: folkloristen zonder de ambitie te bewijzen dat de hellehond, de weerwolf, de waterwolf en dergelijke echt bestaan, zijn géén cryptozoölogen.)

Dacische phalera met een griffioen uit Zabala

De verschrikkelijke sneeuwman

De cryptozoölogie is inmiddels uitgegroeid tot een subcultuur, vergelijkbaar met de ufologie. Het is niettemin onverstandig de resultaten van deze activiteiten geheel en al te negeren. Er zijn cryptiden waarvan het bestaan niet helemáál valt uit te sluiten, zoals de al genoemde yeti, waarnaar serieus onderzoek is gedaan. Edmund Hillary leidde in 1960 zo’n expeditie en concludeerde dat voor vrijwel alle weleens genoemde overblijfselen gewone verklaringen bestonden. De scalpen die Tibetaanse monniken aan de Yeti toeschreven, bleken bijvoorbeeld afkomstig van beren en berggeiten. Hillary concludeerde:

The yeti is not a strange, superhuman creature as has been imagined. We have found rational explanations for most yeti phenomena.

Hillary heeft deze expeditie beschreven in High in the Thin Cold Air (1962), voor liefhebbers een absolute aanrader.

Draak (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Observatie- en interpretatiefouten

Deze conclusie brengt ons bij het volgende onderwerp: onjuiste waarnemingen en foutieve interpretaties. Deze zijn van alle tijden, maar hoe ouder de waarnemingen, des te meer fouten. De middeleeuwer had immers niet het instrumentarium tot zijn beschikking dat negentiende-eeuwers bezaten, laat staan de hulpmiddelen van onze tijd. De fantasie van de middeleeuwer sloeg nogal eens op hol.

Daarnaast wil het landschap nog weleens zorgen voor een onzuivere waarneming. Een object tegen een strakblauwe lucht, op een onafzienbaar sneeuwveld of in een eindeloze, rimpelloze zee lijkt groter dan het feitelijk is. Nogal wat monsterlijke dieren behoren gewoon tot de bestaande fauna, maar zijn in de middeleeuwse fantasie, en ingegeven door angst en visserslatijn, groter en kwaadaardiger gemaakt dan ze in werkelijkheid zijn.

Nog meer fantasiefauna

Zo was er bijvoorbeeld de kraken, een gigantische achtarmige reuzeninktvis. Soms leidden zeelieden uit groepjes eilanden voor een kust af dat het moest gaan om een massa hoofden, horens en zwaaiende tentakels, die zelfs de grootste schepen konden vastgrijpen en laten zinken. De verhalen rond de kraken zijn waarschijnlijk gebaseerd op waarnemingen van werkelijk bestaande dieren, die wellicht aangespoeld waren op het strand. Later is door de wetenschap geconcludeerd dat het hier waarschijnlijk ging om de Enteroctopus Dofleini, een reuzeninktvis.

En zo zijn er wel meer voorbeelden van fabeldieren die moderne onderzoekers met minder of meer zekerheid identificeren als bestaande dieren en die dus promoveerden van de derde naar de eerste divisie. De basilisk lijkt bijvoorbeeld te zijn afgeleid van de koningscobra. En de zee-eenhoorn is niet de water-variant van de eenhoorn, maar een gewone narwal.

Achttiende-eeuwse gravure van een kraken

Schriftelijke bronnen

Nu we het toch hebben over de eenhoorn: we moeten het eens hebben over de bronnen met de beschrijvingen van fabeldieren. Onze informatie stamt uit zeemansverhalen én geschreven teksten. Dit konden primaire bronnen zijn, zoals de reisverslagen van Marco Polo of Jehan van Mandeville, maar daarnaast was er natuurlijk de Bijbel, waarin bijvoorbeeld de basilisk, de leviathan, de griffioen en de draak voorkomen. De eenhoorn leek negenmaal te worden genoemd, en het duurde nog even voordat de vertaalfout werd herkend. Het woord wordt tegenwoordig vertaald met termen als oeros, woudos, wilde stier of buffel.

De Bijbelstudie leidde wel tot het inzicht dat je niet alles wat je las, ook moest geloven. Een van de eersten die zich ergerde aan de vele als werkelijk bestaande gepresenteerde fabeldieren, was Albertus de Grote (1200-1280), de aartsbisschop van Keulen.

Brandaan en de eilandvis

Bestiaria

Andere middeleeuwse bronnen over fabeldieren waren de bestiaria en de encyclopedieën. In deze twee genres komt de belangrijkste functie van de middeleeuwse fabeldieren naar voren: de allegorische en de symbolische.

De bestiariumtraditie is ontstaan uit de Physiologus, één van de invloedrijkere teksten uit de wereldliteratuur. Deze Romeinse tekst bespreekt in korte hoofdstukjes de eigenschappen van vijftig dieren en verbindt daaraan geestelijke betekenissen. Een voorbeeld is het gedeelte over sirenen en kentauren, die worden gebruikt voor wezens die in eerste instantie prachtig zingen dan wel oprecht spreken, maar uiteindelijk tweedracht en ketterijen veroorzaken. Deze ambiguïteit is een beeld van de tweeslachtigheid van het menselijk gedrag.

De middeleeuwse mens maakt geen of weinig onderscheid tussen “gewone” en fabeldieren. Ook zijn kennis van gewone dieren was niet optimaal. Zo werd van de krokodil gezegd dat die moest huilen als hij een prooi verslond, terwijl een berin geen baby-beertjes baarde maar klompjes vlees die ze in vorm moest likken. En een wezel ontving sperma door haar mond en baarde haar jongen door haar oor. De wezel was overigens wel de enige die een basilisk kon verslaan. Dat dan weer wel.

[Een postume gastbijdrage van Hans Overduin.]

Deel dit:

3 gedachtes over “Middeleeuwse monsters

  1. Dirk Zwysen

    Ik zou wel eens willen weten van een cryptozoöloog welke “giftige draken” Xuan Zan waarnam in de Indus.

  2. Raymond Haselager

    De walvissen is zo’n diergroep waar fabel en werkelijkheid in het verleden moeiteloos in elkaar over gingen. Er is een mooie bloemlezing : “Walvissen groot en vet” door Hans Beelen en Ingrid Biesheuvel.

Reacties zijn gesloten.