Jehan de Mandeville

Jehan de Mandeville

Weinig lectuur zo leuk als een goed reisverhaal. Dat vonden de mensen in de Oudheid al – men leze de Odyssee van Homeros. De betrouwbaarheid was echter anders dan we zouden verwachten. De grens tussen een in principe betrouwbaar reisverslag en een mogelijk totaal verzonnen reisverhaal was vloeiend. Dat maakt voor ons zo’n verhaal natuurlijk alleen maar interessanter.

Middeleeuwse reisverhalen

Eén van de bekendste middeleeuwse reisverhalen is de Navigatio sancti Brendani abbatis, het negende- of tiende-eeuwse verhaal over een Ierse abt die een reis maakte over de Atlantische Oceaan. (Er is een vertaling van de Latijnse tekst door Vincent Hunink, maar er is ook een middelnederlandse bewerking van de Reis van Sente-Brandane.) Hoewel het niet onmogelijk is dat een Brandaan ooit zo’n reis heeft gemaakt, is het overgeleverde verslag weinig realistisch. Zo vindt Brandaan een pratend reuzenhoofd op het strand, verjaagt een hert in de wolken een draak en meert hij aan op een eiland dat een vis blijkt te zijn.

We zien hier dat de middeleeuwer weinig wist van de omringende wereld, die een bonte mengeling is van feit en onmogelijkheid. Voor de middeleeuwse lezer of toehoorder was er geen duidelijk verschil: een wonder was iets om je over te verwonderen, niet iets onbestaanbaars. Toch worden, naarmate we later in de Middeleeuwen komen, de verhalen realistischer. Hoewel, ook in latere reisverhalen duiken onmogelijkheden op, zoals mensen met hondenhoofden (cynocefalen), die ergens in het oosten zouden wonen.

Les Voyages de Jehan de Mandeville

Een aparte plaats in het genre is er voor Les Voyages de Jehan de Mandeville uit 1356. Het in het Middelfrans geschreven boek was in zijn tijd ongekend populair en werd, afgezien van het Latijn, vertaald in de meeste West-Europese volkstalen. Het reisverhaal vormde onder meer een inspiratiebron voor Columbus. De inhoud is dan ook om van te smullen.

In zijn voorwoord noemt de schrijver zich ridder en beweert hij te zijn geboren en getogen is in Engeland, in de stad St. Albans. Hij stak de zee over op Michaëlsdag (29 september) 1322 om aan een wereldreis te beginnen. Die bestond uit een bezoek aan Klein-Azië en Armenië, Tartarije, Perzië, Syrië en het Heilige Land – met name Jeruzalem. Ook zou hij Arabië, Egypte, Libië, Ethiopië, Chaldea (Mesopotamië) en India hebben bezocht.

Het boek bevat beschrijvingen van de fabelachtige rijkdom van het Mongoolse hof en informatie over het koninkrijk van Priester Johannes, dat in India zou hebben gelegen. Onder de wonderen die hij beschrijft, bevinden zich verschillende soorten monsters, zoals kannibalen met hondenkoppen (de al genoemde cynocefalen), mensen met een plat gezicht zonder neuzen of monden, een ras van hermafrodieten, mensen met oren die tot op hun knieën hangen en mannen wier hoofd groeit onder hun schouders.

De auteur

De Mandeville zou de reis in 1356 te boek hebben gesteld. Naar zijn persoon is sinds de negentiende veel onderzoek gedaan, maar zonder veel resultaat. De huidige consensus is dat de auteur vermoedelijk geen ridder was, wellicht geen Mandeville heette, misschien niet uit Engeland afkomstig was, waarschijnlijk niet zoveel heeft gereisd als uit zijn werk zou moeten blijken en zeker beschikte over een rijke fantasie.

Mandevilles reis kan opgedeeld worden in twee delen. In het eerste deel worden verschillende reisroutes beschreven in het Byzantijnse Rijk, Klein-Azië, het Heilige Land, de Sinaïwoestijn en Egypte. De geografische namen in dit stuk zijn te situeren op een geografische kaart. In het tweede deel, dat het Verre Oosten (India, China en andere oostelijk gelegen gebieden en eilanden) beschrijft, is dat veel minder het geval. Het relaas wordt voor de hedendaagse lezer ook ongeloofwaardiger. Het zit vol beschrijvingen van vreemde landen en vreemdsoortige wezens.

Het contrast tussen de twee delen roept de vraag op naar de door Mandeville gebruikte informatie. Onderzoek heeft uitgewezen dat de auteurs zich vooral heeft gebaseerd op vier schriftelijke bronnen.

Bronnen

Het eerste deel is voornamelijk gebaseerd op het Latijnse reisverhaal van de Duitse dominicaan Willem van Boldensele, die rond 1332-1333 een tocht naar het Heilige Land ondernam en in 1337 daarover een verslag schreef. Daarvan maakt Mandeville gebruik in zijn beschrijving van Constantinopel, Kreta, Rhodos, Egypte, de Sinaïwoestijn en het Heilig Land. Het lang als authentiek bestempelde gesprek over christenen en joden, dat Mandeville gehad zou hebben met de sultan van Egypte, is waarschijnlijk geïnspireerd door een passage uit de Dialogus miraculorum van de cisterciënzer Caesarius van Heisterbach, een werk dat bijna anderhalve eeuw ouder is dan het boek van Mandeville.

Het tweede gedeelte van het boek is schatplichtig aan het reisverslag van minderbroeder Odoricus van Pordenone. Dit was een van de belangrijkste ontdekkingsreizigers van de Late Middeleeuwen. Hij reisde voor een kersteningsmissie door het Verre Oosten en dicteerde in 1330 zijn belevenissen aan een medebroeder. Het reisverslag van Odoricus is realistisch, maar Mandeville heeft het uitgebreid met fabeldieren.

Het encyclopedische werk Livre du trésor van Brunetto Latini (de leermeester van Dante) vormde een andere inspiratiebron, samen met de veelomvattende encyclopedie Speculum Maius van Vincent van Beauvais. Doordat dit laatste werk de kennis van een heel scala aan klassieke denkers samenvatte, belandden ook veel antieke verzinsels en feiten in Mandevilles boek. De fabeldieren die hij aan Odoricus’ betrouwbare verhaal toevoegde, zijn daarvan een voorbeeld.

Zoals gezegd is het reisverhaal van Jehan de Mandeville vertaald in veel middeleeuwse talen, dus ook in het Middelnederlands. De editie van Nicolaas Cramer is als PDF te downloaden bij de DBNL.

[Een bijdrage van de eerder dit jaar overleden Hans Overduin.]

Deel dit:

2 gedachtes over “Jehan de Mandeville

  1. Roger Rymen

    Eigenaardig dat de tekst Willem van Tyrus (ca. 1130 – 29 september 1186) niet vermeld, een middeleeuwse prelaat en kroniekschrijver. Hij beschrijft toch op bijna hedendaagse historisch wetenschappelijke wijze de tocht en het verhaal van de de eerste kruistocht met o.a. hertog Godfried van Neder-Lotharingen ook Godfried van Bouillon genoemd (samen met de Heren Godfried en Hendrik van Assche, voorouders van mijn echtgenote). Wanneer hij in zijn “Historia rerum in partibus transmarinis gestarum” de avontuurlijke, soms dodelijke, tocht en de wederwaardigheden van de kruisvaarders beschrijft bezorgt hij ons een reisverhaal geschreven rond 1180, dus veel ouder dan de meeste beschreven werken in het artikel ‘Jehan de Mandeville’.

Reacties zijn gesloten.