Het dierenrijk valt te verdelen in drie categorieën: (1) levende dieren, (2) uitgestorven dieren en (3) fabeldieren. Dat lijkt simpel, maar de grenzen zijn niet helemaal scherp. De coelacant promoveerde bijvoorbeeld in 1938 van de tweede naar de eerste divisie. En van diverse fabeldieren is aannemelijk gemaakt dat degenen die ze hebben verzonnen, waren geïnspireerd door dinosaurusbotten. Zulke dieren promoveerden van de derde naar de tweede divisie.
Cryptozoölogie
Fabeldieren mogen dan niet bestaan, ze zijn het voorwerp van serieus antropologisch, biologisch en historisch onderzoek. Lezenswaardig boek is het in 2008 verschenen boek Yeti-jagers (2008) van antropoloog en jurist Tjalling Halbertsma, die in Mongolië de Verschrikkelijke Sneeuwman achterna ging en terechtkwam bij zowel wetenschappelijke als pseudowetenschappelijke onderzoekers.
Eigenlijk wilde ik al een hele tijd een blogje schrijven over de gouden helm van Coțofenești, die onlangs is gestolen van de Dacië-expositie in het Drents Museum in Assen, samen met enkele armbanden waarover ik al eens blogde. Het kwam echter almaar niet van dat blogje. Maar overmorgen is hier een gastblogger die naar de diefstal zal verwijzen, dus nu kan ik het niet langer uitstellen. Zomaar wat vragen die bij mij opkwamen.
Vragen
Om te beginnen: waar komt het ding nou vandaan, hoe oud is het en is het wel afkomstig uit Dacië? De laatste weken lezen we dat de helm komt uit Coțofenești, maar toen die in 2019/2020 stond opgesteld in de Dacië-expositie in Tongeren, was hij nog afkomstig uit Vărbilău. En terwijl we nu lezen dat het voorwerp stamt uit het midden van de vijfde eeuw v.Chr., dateerde het in Tongeren nog uit 425 tot 375 v.Chr.
Vondsten uit een Germaans graf (Rheinisches Landesmuseum, Bonn)
De expositie over de Romeinse keizer Domitianus (r.81-96) in het Rijksmuseum van Oudheden is meer kunsthistorisch dan historisch van aard. Die keuze kun je maken. (In datzelfde museum is de Griekse afdeling ook meer kunsthistorisch dan historisch van opzet.) Het Leidse museum heeft daarom weinig aandacht voor de vijanden waarmee Domitianus heeft gevochten: de Germanen en de Daciërs.
Misschien heeft bij de afwegingen een rol gespeeld dat aan beide volken recentelijk mooie exposities gewijd zijn geweest. Vorig jaar kwamen de Germanen aan bod in een erg goede overzichtstentoonstelling in Bonn. Die was heel, heel sterk, vooral doordat de organisatoren het Nachleben, waarmee oudheidkundigen aangeven dat ze zélf de Oudheid onvoldoende interessant vinden, vakkundig naar een zij-zaal hadden weggejonast. De expositie toonde de oude wereld gewoon zoals ze was, dat is immers voldoende de moeite waard. Momenteel is er overigens een soortgelijke expositie over Roms fließende Grenzen in Detmold, waarvan ik hoop dat de organisatoren dezelfde wijsheid hebben gehad.
Ik had het over de Babylonische Oorlog en mijn oud-docent Bert van der Spek, tevens auteur van het handboek waaraan ik een reeks wijd, herinnert me er terecht aan dat de ambities van Antigonos Eénoog en Seleukos I Nikator niet zó verschillend waren. Ze wilden allebei een zo groot mogelijk gebied regeren, ruwweg zoals Alexander had gedaan, en Seleukos is daarin eigenlijk verder gekomen dan Antigonos. Als er een verschil is, is het dat Antigonos’ poging plaatsvond toen het Alexanderrijk nog iets van een levende herinnering was, terwijl Seleukos het veertig jaar na de dood van Alexander probeerde, toen de verdeeldheid in feite een al voldongen feit was geworden.
Seleukos, die heerste over een groot deel van Azië, kreeg zijn kans in 281 v.Chr., toen hij in een conflict verzeild raakte met Lysimachos, een andere opvolger van Alexander. Deze had vanuit Thracië een rijk opgebouwd rond de Egeïsche Zee. Efese was voor hem een residentie en daar wilde hij worden bijgezet. Zijn grafmonument stond veertien kilometer verderop op de plek die Belevi heet. Hij zou er alleen niet worden begraven.
Een Skythische boogschutter op een Griekse vaasschildering (Louvre, Parijs)
Het is pas op blz.311 in zijn vorig jaar verschenen boek The Scythians. Nomad Warriors of the Steppe dat de door mij bewonderde Britse oudheidkundige Barry Cunliffe het punt maakt waar ik op zat te wachten. Het is wat lyrisch geformuleerd maar belangrijk:
The wide expanse of steppe flowing through Eurasia, with its grey-green horizons receding in the distance and its shimmer as the wind rustles the grass, challenges everyone to be on the move. Like the sea, it is a world where nothing can stay still and, like the sea, it sweeps everything onward. For millennia people have progressed through the steppe, sometimes in repeating patterns of transhumance and sometimes with astonishing speed, crossing huge distances to seek out new pastures. The Scythians occupy only one small part of the grand narrative.
Skythen en andere nomaden
De golven van de zee zijn de perfecte metafoor. Ze bewegen op en neer, vormen samen een enorme stroming en verplaatsen grote watermassa’s over enorme afstanden. Steppenomaden bewegen met de jaargetijden van zomer- naar winterweiden, clusteren samen onder leiding van deze of gene charismatische leider – een Attila de Hun, een Djengis Khan, een Timoer Lenk – en vormen een volk, verplaatsen zich van het oosten naar het westen, vallen weer uiteen en herclusteren dan weer als er een nieuwe leider opstaat. Het geldt ook voor de Indo-Europeanen, voor de Kimmeriërs, voor de Skythen, voor de Sarmaten, voor de Kushana’s, voor de Alanen, voor de Hunnen, voor de Avaren, voor de Turken, voor de Bulgaren, voor de Khazaren, voor de Magyaren, voor de Tataren, Mongolen, Kozakken, Oezbeken. Seizoensmigratie van veetelers, krijgers te paard, steeds weer trekkend van de droge steppe van Manchurije naar het wat vochtiger Oekraïne, Roemenië en Hongarije. De Skythen vormden maar één hoofdstuk in het grote verhaal, één golf in een zee van migrerende steppenomaden.
Gouden penning met een godin uit Dacië (Bjala Zlatina, Bulgarije)
Zoals de trouwe lezers van deze blog merken, had ik het naar mijn zin op de dubbele expositie in Luik en Tongeren, “Racines, les civilisations du Bas-Danube” in le Grand Curtius en daarna “Dacia Felix” in het Gallo-Romeins museum. Dacië was het koninkrijk dat in de eerste eeuw vóór en na Christus ten noorden van de Beneden-Donau lag. Het museum definieert ze als de Thraciërs die woonden in de Karpaten en Transsylvanië, archeologisch herkenbaar aan de versterkte nederzettingen die vanaf het midden van de tweede eeuw v.Chr. zijn aan te wijzen. Sarmizegetusa Regia is van deze davae, zoals ze worden aangeduid, de bekendste.
De hamvraag is waardoor die versterkingen ontstonden. Het is duidelijk dat in de voorafgaande eeuwen de inheemse bevolking, de Thracische Geten, contact had met Griekse kolonisten die zich hadden gevestigd aan de kust van de Zwarte Zee, en met Skythen en de Kelten, die zich ook vestigden aan de benedenloop van de Donau. De beeldschone tentoonstellingscatalogus zegt dat de Kelten in de vroege tweede eeuw v.Chr. vertrokken uit Transsylvanië, wellicht gedwongen door een sterker wordende plaatselijke bevolking, waarbij een nieuwe krijgerselite een rol kan hebben gespeeld. Andere specialisten, zo lees ik, menen dat de Kelten zijn geassimileerd. Ik heb ook weleens gelezen dat de Kelten de krijgerselite waren die het gebied veranderden in een Dacisch koninkrijk.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.