
Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.noot
Heer der vliegen
Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.
De grens tussen vliegen en muggen en vlooien is in oude teksten niet altijd even duidelijk, dus ik vervolg met ander vliegend ongedierte. Een van de tien plagen van Egypte bestond uit vliegen of muggennoot en de auteur van Prediker weet dat een beetje dwaasheid de beste wijsheid ranzig maakt, “zoals één dode vlieg een kostbare zalf bederft”.noot
Aisopos en Aristoteles
De Joden waren niet de enigen met een hekel aan insecten. De Griekse fabeldichter Aisopos voelde er ook weinig sympathie voor. Nu zijn de fabels van Aisopos wat verdacht: er is nogal wat op zijn naam overgeleverd dat niet hijzelf heeft bedacht en classici hebben weinig illusies over de authenticiteit van het corpus. Maar als zo’n vertelsel is overgeleverd door Aristoteles, hebben we in elk geval te maken met een Griekse anekdote die behoorlijk oud is.
Aisopos, die voor de volksvergadering van Samos een alleenheerser verdedigde die ter dood veroordeeld was, vertelde dit verhaal:
“Een vos die een rivier overstak, werd meegevoerd door de stroming en kwam terecht in een hol in de rotsen. Omdat hij er niet uit kon komen, leed hij lange tijd onder een zwerm muggen die zich aan hem vastklampte. Een egel die daar ook rondzwierf, zag de vos en kreeg medelijden. Hij vroeg of hij de muggen mocht verwijderen. De vos wees het aanbod echter af. Toen de egel vroeg waarom, antwoordde hij: ‘Deze muggen zitten inmiddels vol met mijn bloed en zuigen niet veel meer. Als je ze weghaalt, komen er andere met een frisse eetlust die al mijn bloed zullen opdrinken.’
“En zo,” rondde Aisopos af, “zal mijn cliënt jullie geen kwaad meer doen. Hij is al rijk. Maar als jullie hem ter dood brengen, zullen er anderen komen die niet rijk zijn, en hun verduisteringen zullen jullie schatkist volledig leegmaken.” noot
Kortom
De overlast van de muggen wordt door Aisopos niet uitgelegd maar simpelweg verondersteld, en Aristoteles spreekt het niet tegen. Ook Grieken hadden dus een hekel aan muggen. Kortom, als u behoort tot degenen die de Oudheid om een of andere reden normatief vinden, dan heeft u dus zowel klassieke als bijbelse toestemming om een vlieg of een mug dood te meppen. Maar u kunt natuurlijk ook wat minder bloeddorstig zijn, zoals de dame op het plaatje hierboven, die er vrede lijkt te hebben met wat anderen ongedierte noemen.
[Een overzicht van deze reeks over het Nieuwe Testament is hier.]

En dan te bedenken dat in het Gronings vliegen ‘muggen’ heten, en muggen ‘neefjes’. Zouden de ‘Ouden’ (zoals Couperus ze noemde) dan toch in het Waddengebied hebben rondgezworven?
Niet alleen in Groningen, ook in West-Friesland.
Een mug kan vliegen, maar een vlieg kan niet muggen. Een kat kan spinnen, maar kan een spin katten?
Over Baäl-Zebub/Zebul valt zeker meer te zeggen dan wat ik hier samenbreng.
In de Bijbel komt, zoals is vermeld, de naam Baäl-Zebub voor in 1 Kon 1.2. De vertaling uit het Hebreeuws is: “Baäl-Zebub, de god van Ekron [ělōhê eqrōn]”.
Baäl betekent: ‘heer’ of ‘meester’, zebub ‘van de vliegen’. Men zou dit dus kunnen vertalen als ‘meester van de vliegen (of meester van de mesthoop), de god van Ekron’. Uiteraard moet deze tekst begrepen worden in het kader van het Deuteronomistisch Geschiedwerk, een uiterst belangrijke “hervertelling van de geschiedenis van de twee koninkrijken” (zie link).
“In werkelijkheid was het tweede deel van de naam wellicht niet ‘zebub’ maar ‘zebul’: de meester van de verhevenheid of ‘meester van de verheven woonst’. (…) Door één letter te veranderen, werd de verheven heidense godheid in de Bijbel verlaagd tot een heer van de vliegen en zijn verheven woonplaats tot een mesthoop.” (Danny Praet, “Satan. Een geschiedenis van de duivel”, 2024)
De god van Ekron consulteerde men eertijds om genezing te bekomen. (Ibidem, p. 47) “Het is een goed voorbeeld van de negatieve beeldvorming die de Bijbel over andere goden heeft ontwikkeld.” (Ibidem)
Je moet het toch maar durven, hé! Er moet wel aan toegevoegd worden dat in het Oude Testament de naam niet verwijst naar de duivel, zoals eeuwen later in het Nieuwe Testament wél het geval is. Het gaat eerder over het bespotten van de goden buiten de God in Israël.
Het is opvallend hoe sterk de geesten in Jezus’ tijd doordrongen waren van de aanwezigheid van engelen en duivels.
Het eigenaardige is dat in Marcus 3.22 niet Baäl-Zebub staat, maar Beëlzebul (in het Grieks ‘Beelzeboul’! Deze wordt in hetzelfde vers steevast omschreven als ‘vorst der demonen’.
Het schilderij doet denken aan een legende over Quinten Matsijs. Deze siersmid was verliefd op een schildersdochter maar haar vader vond Quintens zware en zweterige beroep te min. Matsijs schoolde zich om tot schilder en demonstreerde zijn kunde door een vlieg te schilderen op een schilderij bij het meisje thuis, nota bene op de billen van de duivel. Nadat de vader het geschilderde insect had willen wegslaan, ging hij overstag omwille van Matsijs’ talent.
Voor de Antwerpse kathedraal staat een ijzeren putkevie uit de late 15de eeuw, bekroond door het oudste Brabobeeld van de stad in hoe men zich toen een Romeinse uitrusting voorstelde.
Op de neogotische stenen putrand lees je: “Dese putkevie werd gesmeed door Quinten Matsijs / De liefde maeckte van den smidt eenen schilder.”
Insecten komen in het NT ook wel eens positief voor: gaat naar de mieren gij luiaard en wordt wijs, of als hulpmiddel om een pietlut te karakteriseren: hij die de mugge uitzijft (statenvertaling). Een andere van de 10 plagen was sprinkhanen, wat klopt met ervaring, tot op de huidige dag.
Doet me denken aan een grapje uit de Donald Duck waarin Donald dit zegt tegen Kwik, Kwek en Kwak. Die eten de jampot leeg en zeggen: dit deden de mieren ook, oom Donald!
Wat een leuke anekdote