[Laatste van drie blogjes door Bas Jongenelen over antieke en middeleeuwse weerwolven. Het eerste deel was hier.]
Er is een fabel over een weerwolf die sinds de Middeleeuwen toegeschreven wordt aan Aesopus, maar die met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet door hem geschreven is. Het is een Middeleeuws verhaal:
Zelfportret van de Meester van Frankfurt en zijn vrouw, detail (Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen)
Wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd: ik blog vandaag dus eens over iets kleins, namelijk insecten. Nu zitten er op het eerste gezicht niet bijster veel vliegen, muggen en vlooien in het Nieuwe Testament, waarover ik op zondag graag blog, maar er zijn er wel een paar verstopt. Als Jezus een bezetene heeft genezen, vragen mensen zich bijvoorbeeld af of hij een door God gezonden verlosser kan zijn, en werpen anderen tegen dat hij alleen demonen kon uitdrijven “dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen”.nootMarcus 3.22.
Heer der vliegen
Hier gebeurt weer eens een hoop tegelijk. Eeuwen eerder was er vrijwel zeker een Kanaänitische godheid die Baäl-Zebul heette, wat de auteur van het Deuteronomistische Geschiedwerk, die niets wilde weten van andere goden dan zijn eigen godheid, “verbeterde”: hij duidde deze godheid aan als Baäl-Zebub, ofwel de “heer der vliegen”.noot2 Koningen 1.2. De nieuwtestamentische weergave blijft dus iets dichter bij het Kanaänitische origineel, maar heeft een even negatieve associatie. In de latere, christelijke traditie zou Beëlzebul de naam van de duivel zelf zijn, wat niet helemaal hetzelfde is als de vorst der demonen.
Of het nu de Arabische profeet Mohammed was, of de profeet Jesaja, of de Ierse bard Caedmon: er zijn nogal wat verhalen over mensen die er eigenlijk niet geschikt voor waren maar die dankzij een goddelijke ingreep ineens virtuoos konden spreken of zingen. De anonieme auteur van het leven van Aisopos – of Aesopus, zoals vertaler Christian Laes de naam liever weergeeft – varieert op dit overbekende motief. De hoofdpersoon is niet zomaar een stomme slaaf die het vermogen tot spreken verwerft, maar gaat door datzelfde vermogen ten onder. Precies halverwege de tekst (nou ja, bijna dan) vinden we dan ook een lofrede én een smaadrede op tong & spraakvermogen.
Het leven van Aisopos
Opkomst en ondergang van een spreker: een mooi thema. Laes noemt in het commentaar bij zijn onlangs verschenen vertaling, Aesopus. Op de slavenmarkt in de Oudheid, echter ook andere mogelijkheden om de tekst te lezen. Daarmee noem ik meteen een van de kwaliteiten van dit boek: Laes toont dat er diverse interpretatiemogelijkheden zijn. Dat is een geluid dat we in de voorlichting over de Oudheid iets te weinig horen.
Een vos zag op een dag een raaf
In het zoete land van Waas en Bavel
Hoog gezeten op een tak
Een sappig hapje in zijn snavel
Zijn vossentong likkebaarde tussen zijn kaken
Zijn pluimstaart zwaaide zwierend heen en weer
Het water liep hem uit de bek
De raaf keek spottend op hem neer
Heer Raaf, sprak de vos met zachte stem
Mag ik u vragen wie u bent?
De raaf omklemde sprakeloos zijn buit
Hij keek wel wijzer uit
Beste raaf, wat bracht u hier?
Uw vleugels zijn zo mooi en fier
Uw blik zo teder en voornaam
De raaf vertrok geen spier
U, met uw wijs en alziend oog
Wijdverbreid dunkt mij uw faam
Ebbenhouten vogel, met uw glanzend zwarte toog
Vertel mij alstublieft uw naam
De raaf boog zich wat naar voren
Om de vos beter te kunnen horen
Hij sloeg zijn ogen neer
En dacht, dit en dit en dat nooit meer
Zolang u niets zegt, zei de vos, lijkt aangetoond
Dat u bang bent om te falen
Kwotnon, dacht de raaf
En zweeg in alle talen
Het ga u goed, heer Raaf
Wij zijn nooit vrienden van elkaar geweest
Arme vos, dacht de raaf
Hij kreeg haast meelij met het beest
Ik moet nu gaan, zei de vos
En verdween fluks achter een heg
Dag dag, zei de raaf
En kraste naamloos weg
[Een gastbijdrage van Hans Koonings. Dank je wel Hans!]
Beeld van een hond uit Volubilis (Museum van Rabat)
Ik had Aisopos’ fabel van de Tuinman en de Hond vandaag even nodig en ontdekte dat die op het internet maar op één plek was te vinden. Op de website van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren vanzelfsprekend. Met dit stukje is deze mooie fabel, naverteld door Arthur van Schendel, is het er voortaan twee keer.
Het thema van de Romeinenweek, die vandaag ten einde komt, is mobiliteit en dat is een ongezochte gelegenheid om eens iets aardigs te zeggen over een boek dat al twee jaar op mijn bureau staat en waarover ik al heel lang iets aardigs wil zeggen. Het heet De ezel, het is gemaakt door Ruud Conens en Annet van Wiechen en het gaat, zoals u wellicht al vermoedde, over ezels. Een onderwerp waarover verschrikkelijk veel valt te zeggen. Honden mogen dan vrolijker zijn en katten grappiger, maar ezels zijn lief, trouw, taai, vriendelijk, nuttig, leuk en sterk. De ezel is de beste vriend van de mens.
Omdat er zo verschrikkelijk veel over valt te zeggen, hebben Conens en Van Wiechen zich moeten beperken. U zult dus weinig lezen over de biologische kant van de Equus africanus asinus en geheel niets over de verzorging van uw grijsje. De auteurs hebben het vooral over de manier waarop schrijvers en kunstenaars de afgelopen drie millennia naar ezels hebben gekeken. Zo krijgen we een bonte parade van citaten, kunstwerken en folklore. Een en ander is versierd met tientallen foto’s van ezels uit het Middellandse Zee-gebied, waar de dieren nog altijd een rol hebben in de landbouw.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.