Een gesprek over kleuren bij Aulus Gellius

De Romeinse auteur Aulus Gellius (tweede eeuw na Chr.) beschrijft in zijn boek Attische Nachten een interessant gesprek over kleuren tussen twee intellectuelen uit zijn tijd, Favorinus van Arelate en Marcus Cornelius Fronto. Interessant is dat ze werkelijk over de linguïstische betekenissen van bepaalde kleurwoorden spreken en niet over het mengen van pigmenten. Favorinus zegt:

Er is meer verschil in de waarneming van onze ogen dan we in de woorden voor kleuren kunnen uitdrukken. Want om andere tekortkomingen buiten beschouwing te laten: voor de primaire kleuren rood (rufus) en groen (viridis) hebben we weliswaar maar één woord, terwijl er allerlei nuances zijn. Dit gebrek aan woorden zie ik in het Latijn meer dan in het Grieks. Weliswaar is de kleur rufus afgeleid van rubor (roodheid), maar vuur is een ander rood dan bloed, purper, saffraan of goud, en toch benoemt het Latijn deze afzonderlijke tinten rood niet met eigen, aparte woorden, maar vat het ze allemaal samen met die ene uitdrukking rubor – tenzij het een naam ontleent aan de zaak zelf en bijvoorbeeld zegt vurig (igneus), vlammend (flammeus), bloedig (sanguineus), saffraankleurig (croceus), purperen (ostrinus), gouden (aureus). Want de kleuren russus en ruber zijn weliswaar afgeleid van het woord rufus, maar verklaren niet al zijn eigenschappen. Daarentegen lijken ξανθός, ἐρυθρός, πυρρός, κιρρός en φοῖνιξ bepaalde gradaties rood weer te geven, doordat ze het ofwel versterken, verzwakken of door een gemengde nuance afzwakken.noot Aulus Gellius, Attische Nachten 2.26.

Lees verder “Een gesprek over kleuren bij Aulus Gellius”

Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs

De drie zones van Apulië

[Derde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Het vorige stukje eindigde met de constatering dat er drie stammen vielen aan te wijzen: de Dauniërs, de Peuketiërs en de Messapiërs.

Dauniërs

Tot de belangrijkste vondsten van dit ondervolk, dat we in het noordwesten moeten plaatsen, behoren de Daunische stèles, gebeeldhouwde stenen blokken uit de zesde eeuw v.Chr., gevonden op de zuidelijke vlakte van Siponto, nabij Manfredonia, en nu bewaard in onder meer het Nationaal Museum van die stad. Ze stellen sterk gestileerde mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren voor en waren verticaal in de grond bevestigd, net zoals de begraven mensen die zij afbeeldden. Ook andere afbeeldingen kwamen voor.

Lees verder “Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs”

Euhemeros van Messina

Het is bizar maar waar: ik bestelde onlangs op zaterdagmorgen een boek bij een uitgever in Parijs, en het was er op maandagavond, tegen een alleszins schappelijk posttarief. Voor het boek betaalde ik ook al een prijs die je vrijwel redelijk zou kunnen noemen. Ik heb het over de nieuwe tekstuitgave van de hellenistische auteur Euhemeros. Het boek, Évhémère de Messène: Inscription sacrée (2022), gaat terug op het proefschrift waarmee Sébastien Montanari in Tours promoveerde bij Bernard Pouderon.

Euhemeros

En het was een feest om te lezen! In een uitgebreide introductie vernemen we de voornaamste biografische details over Euhemeros: hij kwam uit Messina, schreef De heilige inscriptie en sleet begin derde eeuw v.Chr. zijn oude dagen in Alexandrië. Montanari en Pouderon menen dat Euhemeros, zoals deze zelf schrijft, aan het hof van koning Kassandros van Macedonië verbleef en werkelijk een tocht over de Indische Oceaan heeft gemaakt. Dit overtuigde mij niet maar is verder onbelangrijk, omdat het verslag sowieso grotendeels erkende fictie is.

Lees verder “Euhemeros van Messina”

De uitvinding van Romulus

Romulus en Remus in gevecht (Basilica Aemilia, Rome)

In de derde eeuw v.Chr. kregen de Romeinen behoefte aan een Romulus. Nu ze Italië hadden verenigd, kregen ze via de Griekse steden in het zuiden meer contact met de prestigieuze hellenistische wereld. De Romeinen wilden zich presenteren zoals men daar van hen verwachtte. Hun stad had dus een stichter nodig, zoals Athene een Theseus had en Thebe een Kadmos.

De steden in Italië kenden al verhalen over Griekse en Trojaanse kolonisten die naar het westen waren gekomen. Er waren ook lokale sagen. De Romeinen schoven die in de late vierde eeuw ineen: eerst was Aeneas naar Italië gekomen, Romulus was zijn zoon. Begin derde eeuw maakte een van de geleerden in Alexandrië, Eratosthenes, Romulus tot een kleinzoon van Aeneas. Een paar traditionele sprookjesmotieven gaven de stadstichter wat kleur: verwekking door een godheid (à la Perseus), het biezen mandje op de rivier (à la Sargon en Mozes), het conflict met een tweelingbroer (à la Zeven tegen Thebe) en een apotheose (à la Herakles).

Lees verder “De uitvinding van Romulus”

De Via Appia en wat dies meer zij

De Via Appia

Waar ter wereld je ook gaat, taal is het duurzaamste erfgoed. Wie weleens met de auto naar Rome is gereden, kent de namen van de huidige autostrade, die teruggaan op de Romeinse heerbanen. Je kunt bijvoorbeeld zuidwaarts rijden langs de Tiber over de Via Flaminia, waarvan de bouw vlak in 220 v.Chr. is begonnen. Een andere route is die langs de Tyrrheense kust: de Via Aurelia, begonnen in 241 v.Chr. De afslagen van de Grande Raccordo Anulare rond Rome hebben oeroude namen: de Via Salaria naar het noorden, de Via Tiburtina naar het noordoosten, de Via Latina naar het oosten, de Via Appia naar het zuidoosten.

Van die laatste weg, begonnen in 310 v.Chr., is het originele plaveisel bewaard. Hierover reisden kooplieden van Rome naar Capua, hierover marcheerden de legionairs die Macedonië en Griekenland onderwierpen, hier stonden de kruisen van de zesduizend slaven die met Spartacus omkwamen, hierover wandelde Paulus naar Rome, en dan sla ik nog het een en ander over.

Lees verder “De Via Appia en wat dies meer zij”

De Tweede Punische Oorlog (6)

Helm uit de tijd van de Tweede Punische Oorlog (British Museum, Londen)

[Ik vervolg het feuilleton over de Tweede Punische Oorlog (218-201 v.Chr.). Het eerste is hier. Gisteren kwamen we tot het vijfde deel, waarin ik vertelde hoe de Karthaagse generaal Hannibal in 217 de Romeinse generaal Flaminius versloeg bij het Trasimeense Meer.]

De Romeinse nederlaag bij het Trasimeense Meer deed de Romeinen besluiten een dictator aan te wijzen, een militaire leider met onbeperkte bevoegdheden. Quintus Fabius Maximus gold als een capabele generaal en beschikte over goede contacten met Hannibals tegenstanders in Karthago, wat suggereert dat de senatoren een diplomatieke oplossing niet uitsloten.

De dictator was daar echter niet op uit. Zijn eerste taak was het herstel van de goede relaties met de goden, die duidelijk hun woede hadden laten blijken over de wijze waarop Flaminius de voortekenen had genegeerd. Hij beloofde tempels te wijden aan de oorlogsgod Mars en aan Venus Erycina, dat wil zeggen: Venus zoals ze werd vereerd op de berg Eryx in het uiterste westen van Sicilië. De cultus was van oorsprong Karthaags (eigenlijk heette de godin Astarte), erkende de godin niet alleen als patrones van de liefde maar ook als krijgsgodheid, en de diepere zin van de tempelwijding was dat de Romeinen trachtten de voornaamste godheid van hun vijand aan hun zijde te krijgen.

Lees verder “De Tweede Punische Oorlog (6)”