De Bijbel, een inleiding (2)

Dit kleitablet in het Pergamonmuseum (Berlijn) documenteert hoe de Judese koning Jojakim in Babylonië in ballingschap was.

Ik was begonnen met een “guided tour” door de Bijbel en aan het einde van het vorige stukje waren we aanbeland in de late zevende eeuw v.Chr.: de hervormingen van koning Josia. Die kwamen erop neer dat de Joden in de staatscultus golden als het uitverkoren volk van God, dat ze alleen hem zouden vereren en dat ze dat zouden doen in Jeruzalem.

Tot de literatuur die in deze tijd circuleerde, behoorden “kleine” profeten als Amos, Hosea en Micha, maar ook flinke stukken van het Bijbelboek Jesaja en het Deuteronomistische Geschiedwerk, dat bestond uit Jozua, Rechters, Samuël en Koningen. Het Verbond zélf vormt de kern van het boek Deuteronomium, maar het is heel moeilijk te zeggen welke delen er in de zevende eeuw circuleerden. Er zijn nog meer niet goed te dateren regels en wetten in de boeken Exodus, Leviticus en Numeri. Ik zou u adviseren daar bij een eerste kennismaking niet te lang bij stil te staan. Die regels zijn op zich interessant, maar niet om mee te beginnen.

Lees verder “De Bijbel, een inleiding (2)”

Joodse literatuur (3)

Jona en de grote vis (Sarcofaag, Römisch-Germanisches Zentralmuseum, Mainz)

[Dit is het derde van vier à vijf stukjes over de bronnen van mijn komende boek Israël verdeeld; het eerste is hier.]

De Perzische tijd, van 539 tot 332 v.Chr., zag grote veranderingen binnen de Joodse godsdienst. Het exclusivisme van de Verbondstheologie, waarin één uitverkoren volk op één plaats één God diende, werd bijgesteld. Hoewel de tempelcultus inmiddels was hersteld, bevatten de tijdens de Perzische heerschappij geschreven slothoofdstukken van Jesaja opnieuw beschrijvingen van een nieuw Jeruzalem, waarin de tempel het gebedshuis van alle volken zou zijn. Opnieuw is er het idee van een vernieuwde wereld, waarin in feite de paradijstoestand zal worden hersteld.

Lees verder “Joodse literatuur (3)”