Juvenalis over Rome: meer overlast

Een lid van de Romeinse ordetroepen (Nationaal Museum, Rome)

In het vorige blogje introduceerde ik de Derde Satire van Juvenalis (ca.60 – ca.135), waarin de dichter het leven hekelt in de woonwijken van Rome. Het door Juvenalis opgevoerde personage had een hekel aan buitenlanders, maar dat was niet zijn enige bezwaar tegen de grote stad. In het vervolg beschrijft Juvenalis de rest van de stedelijke ellende, zoals het lawaai. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.

…Het volk
lijdt hier, ja sterft aan slaapgebrek, een kwaal
die gepaard gaat met slechte spijsvertering
en zuur en maagkramp, omdat huuretages
geen slaap gedogen. Nachtrust is in Rome
slechts rijkelui gegund. Vandaar die kwalen…
Het wielgeratel in de kronkelstraten,
het schelden van het opgepropt verkeer
houdt Jan en alleman wakker.

Lees verder “Juvenalis over Rome: meer overlast”

Juvenalis over Rome: vreemdelingenhaat

Grafsteen van Habib, zoon van Annubat, uit Palmyra; let op de Aramese tekst (Via Appia, Rome)

Rome was een smerige grote stad, zoals ik in het vorige stukje aangaf. De problemen waren, om zo te zeggen, objectief groot. Een ander probleem was meer een kwestie van perceptie: niet iedereen was blij met het multiculturele karakter van de grote stad. Met een woord van de Leuvense onderzoeker Maarten Larmuseau: het centrum van het Romeinse Rijk was gekoloniseerd vanuit de periferie.

Vreemdelingenhaat

De Romeinse satiricus Juvenalis (ca.60 – ca.135) presenteert in zijn Derde Satire iemand die moeite heeft met al die buitenlanders. De vertaling is van Marietje d’Hane-Scheltema.

“Ik aarzel niet er recht voor uit te komen
dat ik vooral één mensengroep ontwijk,
de lievelingen van het rijke Rome:
die Griekse droesem, waar die stad van ons
verziekt van is – en veel meer buitenlanders!”

Lees verder “Juvenalis over Rome: vreemdelingenhaat”

Aristofanes

Aristofanes (Kunsthistorisch Museum, Boedapest)

Een tijdje geleden blogde ik over Menandros, de Griekse blijspeldichter. Hij beïnvloedde de Romeinse komedie en daardoor, indirect, ook het toneel van de Renaissance. Iets preciezer gezegd: het Renaissancetoneel zette een middeleeuwse traditie voort maar daarbinnen volgden de auteurs klassieke voorbeelden. Zo ontstond toneel dat voor ons herkenbaar is. Als een hedendaags toneelgezelschap Menandros zou spelen, zouden wij het kunnen begrijpen.

Dat valt niet te zeggen van de andere komedieschrijver waarover we zijn geïnformeerd: de Athener Aristofanes (c.425-c.380 v.Chr.). Je kunt de vraag stellen of zijn toneelstukken wel komedies zijn, want een goed uitgewerkte plot is maar zelden aanwezig. Het begint altijd met een briljant plan (“laten we de god van de rijkdom genezen van zijn blindheid”, “ik ben de oorlog zat en sluit een privévrede”…), en dat plan leidt vervolgens tot een aantal tamelijk absurde scènes. Eind goed al goed, daarna; vaak is er een feestmaal. Muziek speelde een belangrijke rol in deze komedies, en bood misschien wat consistentie aan de opvoering. Maar we weten daar weinig van.

Lees verder “Aristofanes”

Filemon en Baukis

Adam Elsheimer, Filemon en Baukis

“Filemon en Baucis” is een club in Utrecht waar, zo lezen we, iemand van Marokkaanse afkomst niet welkom was. Dat is wel heel ironisch. Philemon en Baucis – voor de spelling van de eigennamen, zie helemaal beneden – zijn namelijk de hoofdpersonen in een antieke sage over twee stervensarme mensen die als enigen in hun stadje de wetten der gastvrijheid respecteren. Dat je de deur krijgt gewezen in een naar uitgerekend dit tweetal genoemde club, is onverdraaglijk ironisch.

Hieronder de sage, zoals verteld door de Romeinse dichter Ovidius (Metamorfosen 8.626-724) in de prachtvertaling van Marietje d’Hane-Scheltema.

Lees verder “Filemon en Baukis”