Romeins Nijmegen (1) Ontstaan

Bataafse munt (Valkhof Museum, Nijmegen)

Ik ging naar Nijmegen om een badhuis te zien. Ik zag geen badhuis. Maar het was een geslaagd weekend. Deze week enkele blogjes, waar u ook het blogje over de Nijmeegse classicus Vincent Hunink bij mag rekenen. Maar eerst even iets over de geschiedenis van Romeins Nijmegen.

Oppidum Batavorum

In 19 v.Chr. werd in het oosten van de huidige stad een militaire basis ingericht (Hunerberg), die echter niet lang in gebruik is gebleven. Even oostelijker lag op het Kops Plateau een kleiner kamp, dat tientallen jaren functioneerde. De meest duurzame stichting lag echter in het huidige stadscentrum, waar een civiele nederzetting verrees, bewoond door migranten uit het Overrijnse die de geschiedenis in zijn gegaan als Bataven. Die naam betekent “bewoners van de Betuwe”, wat weer is afgeleid van *bat-agwiō, “vruchtbaar eiland” (tussen Waal en Rijn). De burgerlijke nederzetting heette Batavodurum of ook wel Oppidum Batavorum, wat allebei “Batavenburcht” betekent.

Lees verder “Romeins Nijmegen (1) Ontstaan”

Namen, namen, namen

Detail van een monument in Nikopolis aan de Donau

Onlangs blogde ik over Maës Titianus en ik opperde in een naschrift dat de Romeins-ogende naam wel eens feitelijk de weergave kon zijn van de Aramese naam Tattanay. Ook schreef ik dat hij afkomstig kon zijn uit de landstreek Mygdonië, in noordelijk Mesopotamië.

Griekse dubbelgangers

Verwarring! Iemand wees me erop dat Mygdonië in noordelijk Griekenland lag. En dat is waar. Maar het is niet de volledige waarheid. Er zijn namelijk twee Mygdoniës: het oorspronkelijke lag in Macedonië, zeg maar rond het huidige Thessaloniki, terwijl een tweede Mygdonië lag rond Nisibis. De verklaring is dat Macedonische en Griekse soldaten uit het leger van Alexander de Grote zijn gedemobiliseerd in Mesopotamië en hun nieuwe verblijfplaatsen begonnen te vernoemen naar landstreken in hun vaderland. Latere generaties huurlingen deden hetzelfde en zo vermenigvuldigden de namen zich.

Lees verder “Namen, namen, namen”

De uitspraak van het Latijn

Het standbeeld van Ambiorix in Tongeren. Ik zeg dit er voor de zekerheid even bij: dit is dus een negentiende-eeuwse reconstructie. De held der Belgae zal in het echt niet hebben geleken op een pakje Gauloises of zijn gaan staan op een hunebed uit de tijd van de Trechterbekercultuur.

Een kort blogstukje vandaag, ingegeven door een lezersvraag: hoe weet je eigenlijk hoe je antieke naam uitspreekt? Het gaat nu niet om zaken als de uitspraak van de Latijnse letter C, die in de klassieke periode klonk als /k/. Cicero heette dus Kikero. Het gaat vandaag om iets anders, om het accent, dus de lettergreep die je (althans als Nederlanders Latijnse woorden uitspreken) iets harder uitspreekt dan de andere.

Eén van de voornaamste methoden om vast te stellen waar in het Latijn het accent ligt, is het metrum van gedichten. Maar de twee namen waar het om gaat, Noviomagus en Ambiorix, komen niet voor in antieke poëzie. Gelukkig hebben we voldoende gedichten om de hoofdregels vast te stellen: als een woord in meer dan twee lettergrepen heeft, wordt de voorlaatste lettergreep benadrukt als die een lange klinker heeft, en anders schuift het accent naar de voorvoorlaatste lettergreep. (Lange lettergrepen zijn het simpelst te herkennen aan het feit dat je ze schrijft met twee letters, zoals ae, of doordat ze worden gevolgd door twee medeklinkers.)

Lees verder “De uitspraak van het Latijn”